De dagen, die nu
voor Rudolf en Céline volgden, waren vol zoeten weemoed en droevig
geluk, vol hopen en vreezen, vol angst en toch weer vol kalmte.
Zij werden niet moede elkander aan te zien, elkander te liefkoozen,
alles voor elkander te zijn zooveel mogelijk ieder oogenblik te genieten,
altijd vreezende dat het 't laatste zou blijken. Na dien dag, toen hun
harten zich hadden uitgesproken, vertoonde zich een werkelijke beterschap
bij den zieke; de nachten werden rustiger, de hoest verminderd, zijn
eetlust werd beter, hij scheen opgeruimd, gelukkig.
"Onze wittebroodsweken, vrouwtje! Verbeeld je, dat wij die eens
konden overdoen, in Italië,
[44:]
aan het meer van
Como of in Zwitserland; want waarlijk, zoodra ik iets beter ben, vraag
ik verlof, je zult zien, de zeereis zal mij heel opknappen en wij stappen
in Genua uit, dan reizen wij heel, heel langzaam naar Holland; dat zou
toch grappig zijn, als ik 't op die manier won, en dan getrouwd was,
zonder het te bedoelen."
"Zij zullen je beklagen dat je er zoo bent ingeloopen."
"Mij beklagen? Neen, mij benijden; ik heb gisteren aan Van Velden
geschreven en hem en Elise bedankt, dat ze mij zoo'n vrouwtje bezorgden,
zoo'n juweeltje."
"Je moet mij niet trotsch maken."
"Dat moet ik juist wel, dat mankeert je alleen, een beetje zelfvertrouwen.
Je bent gedeprimeerd door die lange dienstbaarheid, dat zorgen en werken
voor je onderhoud. Arm kind! kon ik je maar doen opleven in een atmosfeer
van weelde en geluk."
"Dat heb ik nu," zeide zij hem teeder aanziende.
"Met een zieken man! Maar waarlijk, ik geloof zeker, dat het nog
niet zoo erg met mij is. Als ik toch denk hoe vol levenslust ik nu ben
in vergelijking met een maand geleden. Toen was alles mij onverschillig,
leven of dood; maar nu kan ik weer zoo echt menschelijk voelen en van
harte hopen. Die verandering heb ik geheel alleen aan mijn vrouw te
danken."
[45:]
En een volgenden
keer vroeg hij:
"Vind je werkelijk niet dat ik er beter uitzie?"
"Ja zeker," antwoordde zij met overtuiging, haar best doende
te gelooven, wat zij hoopte, al viel 't haar soms ongeloofelijk zwaar.
"Ik heb van nacht best geslapen en maar vier keer gehoest."
"Neen, driemaal, ik weet het zeker. Heb je nog pijn in je zij?"
"O, 't is veel minder, soms nu en dan een steek, 't lijkt er niets
naar bij vroeger."
Hij trachtte voetje voor voetje met haar door de voor- of achtergalerij
te wandelen; dikwijls moest hij stilhouden en hijgend stilstaan.
"'t Gaat toch beter dan gisteren," hield hij vol, "wat
een verschil met toen je hier voor 't eerst kwam. Weet je nog, hoe ik
toen waggelde, wat dacht je toen wel?"
"Kon ik hem maar beter maken!"
"Dacht je dat toen werkelijk?"
"Ja, maar ik durfde het eigenlijk niet hopen, want ik meende, dat
je het vreeselijk zou vinden dan aan mij vastgeklonken te zijn."
"En nu?"
"0 nu zou ik niets liever willen dan samen onze gouden bruiloft
vieren."
"0 vrouwtje, vraag niet te veel. De koperen of zelfs de blikken
was al mooi genoeg."
"Niet genoeg voor mij."
Het was een genot voor Céline, eindelijk
[46:]
alle schatten van
haar liefdevol hart te kunnen uitstorten, na ze zoo lang met grendel
en slot te hebben afgesloten; zij had Rudolf lief met alle kracht en
gloed eener eerste liefde; hij voelde het en die warmte deed hem goed,
en schonk aan zijn eigen hart een tweede jeugd.
Eigenlijk had ook hij nooit bemind; nu eerst, nu hij de reine, sterke
liefde eener edele vrouw gevoelde en ze zelf terug kon geven, begreep
hij hoe onwaardig en laag het gevoel was geweest, dat hij tot nu toe
voor vrouwen ondervonden had.
"Maar 't is te laat, te laat," dacht hij in zijn sombere oogenblikken,
om even later weer op te leven onder haar liefkoozingen, zijn oogen
te verheugen aan haar gestalte, die hem hoe langer hoe lieftalliger,
hoe bekoorlijker voorkwam.
"Wat staat die sarong-kabaja je goed," zeide hij haar bewonderend
aanziende, "ik heb nooit een Europeesche vrouw gezien, wie 't zoo
goed kleedde."
Zij bloosde onder zijn lof en schikte haar pending (ceintuur) recht.
"Wanneer ik beter ben, dan zal ik met je naar Samarang gaan en
de beste modiste moet je kleeden. Je mag het zoo duur nemen, als je
wilt, wanneer het maar elegant is."
"Och, ik geef zoo weinig om mijn toilet!" antwoordde zij glimlachend.
"Ook niet, als het je man pleizier doet, als
[47:]
hij zijn oogen
te gast wil laten gaan aan zijn mooi vrouwtje."
"Mooi vrouwtje, dat is ook iets nieuws."
"Is niet alles nieuw wat je nu voelt en hoort! . . Maar wacht,
ik heb een idee! Domoor, dat ik er niet eer om dacht!"
Hij vroeg zijn schrijfgereedschap en schreef een brief, dien hij op
de plaats liet bezorgen, aan een zijner kennissen. Céline dacht
er niet verder aan; een paar dagen later kwam die heer met Rudolf spreken
en toen hij weg was, riep hij haar bij zich.
"Zie eens hier!" zeide hij en reikte haar een étui
over.
"O," riep zij verschrikt uit, nadat zij werktuiglijk het deksel
had opengeslagen.
Het vonkelde tegen haar in duizend kleuren, de diamanten van een prachtige
parure.
"Rudolf! Is dat voor mij? 't Is te mooi, veel te mooi en te kostbaar."
"Niets kan te mooi en te kostbaar zijn voor mijn vrouw. Ik ben
zoo lomp geweest je niet eens een huwelijkscadeau te geven. . . . bewaar
dit als een aandenken van mij. . . . wat er ook gebeure."
Zij had moeite haar tranen te onderdrukken.
"Niet huilen, niet huilen! Anders denk ik dat je weer den moed
opgeeft en dat mag niet, ik wil en zal beter worden. Geef mij liever
een zoen."
Zij kuste hem lang en innig, en hij drukte
[48:]
haar zoo vast tegen
zich aan, dat het haar benauwde.
"Nu moet je mij een pleizier doen, wil je," zeide hij en trachtte
een schertsenden toon aan te slaan om zijn eigen aandoening te verbergen,
"trek je japonnetje aan, ik zal maar zeggen je bruidstoilet, me
dunkt dat zag er nogal lief uit, en steek er die dingen op, dan zie
ik je voor het eerst in groot ornaat."
Céline liep gauw weg en kwam gekleed terug; zij zag er werkelijk
allerliefst uit, blozend van geluk en vreugde.
"Wat staat je dat goed, nu ben je een echt bruidje! Ga daar zitten,
dan kan ik je goed zien. Wie heeft dat kleedje voor je gemaakt?"
"Ik zelf," antwoordde zij, "wie anders!"
"Wat een knap ding, wat vlugge vingers. Maar 't is je laatste kunststuk
in dit genre, vrouw! Voortaan laat je al je kostumes maken. Mevrouw
Telwerda moet naar haar stand gekleed gaan."
Hij was zoo opgeruimd, zoo vroolijk, dat het zelfs den dokter, die zijn
dagelijksch bezoek bracht, opviel. Céline wilde haar sieraden
afdoen.
Hij verbood het haar.
"Neen, neen, de dokter mag je wel zien op zijn mooist. Wat zegt
u, dokter, heb ik geen beeld van een vrouw?"
"Ik maak u mijn compliment, mevrouw! U ziet er flink uit en die
parure flatteert u bepaald."
[49:]
Toen zij hem uitliet
vroeg Céline aarzelend en met angstig kloppend hart:
"Dokter, vindt u waarlijk niet dat hij vóóruitgaat?"
"Ik weet het niet, mevrouw," antwoordde hij, want hij vond
niets beters.
"Als u 't niet weet, wie moet het dan weten?" zeide zij knorrig,
"ik vind wel dat hij op weg is van beterschap."
"Ik hoop dat u gelijk heeft, mevrouw!"
Zij zag hem strak in de oogen en plotseling ontviel haar alle moed;
zij begreep, dat de man niets liever wenschte dan haar gerust te kunnen
stellen, maar hij - mocht, hij kon niet.
Een doffe zwaarte viel op haar hart, het was of de dag zijn zon, de
boomen hun groen verloren, of over alles een wolk van zwart neerzonk
en met loodzware stappen keerde zij naar den zieke terug.
Toevallig kwam zij langs een spiegel en zag zichzelf in haar wit met
kant gegarneerd kostuum, flonkerend van juweelen, aan hals, ooren en
armen; rillend wendde zij den blik af, en 't was of een ander zichzelf
haar te gemoet trad geheel in rouw gehuld.
"Wat zei de dokter? Hoe vond hij me?" vroeg Rudolf nieuwsgierig
toen zij terugkwam.
"O zoo goed, veel beter," antwoordde zij en zij vond dat haar
stem vreemd klonk als sprak een ander; hij scheen het niet te merken.
"Zie je wel? Ik kan 't wel voelen; 0 ik
[50:]
vergis me niet,
ik ken mijn oude machine zoo goed. Vrouwtje, vrouwtje, je bent zoo gauw
niet af van mij, maar je zult zien, wat ik een goede man zal worden,
geen brombeer, geen lastige keukenpiet."
Zij trachtte te glimlachen, maar zij voelde hoe haar hart het uitschreeuwde
in wanhoop, hoe al haar hoop wegsmolt in onzichtbare tranen vol bitterheid.
"Kom naast mij zitten, zie hoe heerlijk de zon ondergaat!"
Ja, heerlijk ging de zon onder in een glans van smaragden, robijnen
en amethysten, en op de korte schemering volgde een avond van maneglans,
zooals men slechts tusschen de keerkringen genieten kan.
Rudolf en Céline zaten doodstil naast elkander hand in hand;
hij sluimerde even in. Toen hij zijn oogen weer opende baadde geheel
het panorama aan hun voeten in een zilveren gloed; hoog aan den hemel
zweefde de maan in haar geelwitte schittering een kleine zon gelijk.
Overal drongen haar stralen door in het ravijn, tusschen het dikke geboomte,
overal verzachtte zij de overgangen, overal temperde zij den vaak te
schrillen kleurenrijkdom, over alles wierp zij een sluier van diamanten
vonken, vol zoete poëzie. De geheele achtergalerij scheen met kantwerk
overdekt, zoo speelde het dartele licht door de slingers en de bladeren
van het klimop, dat zich tusschen de kolommen wiegde;
[51:]
een bloeiende kamoening
of sokkaboom zond haar zoete geuren omhoog, in de verte klonken de eentonige,
maar in deze omgeving zoo geheel harmonische klanken van de gamelan
en verleenden aan de rustige stilte een soort van wijding, die er de
plechtigheid van verhoogde.
"O Céline, wat een nacht om te beminnen en bemind te worden."
En hij drukte haar hand vast in de zijne.
Zij moest zich geweld aandoen kalm te blijven, zij wilde hem niet opwinden,
maar zij had er behoefte aan hem nog eens te zeggen, nog eens door liefkoozingen
te doen voelen, hoe vurig zij hem liefhad, hoe geheel haar ziel in opstand
kwam tegen het wreede vonnis hem te moeten missen en zij gaf hem zijn
druk nog hartelijker terug.
"Mijn liefste vrouw, onwillekeurig denk ik aan die heerlijke tweespraak
uit Shakespeare, Van Lorenzo en Jessica, in de Merchant of Venice:
"Het was in zulk een nacht. ." zoo gaat het dan in afwisselende
rei:
"De maan is de beschermster der geliefden, dus ook van ons."
"Ik houd zooveel van den Indischen nacht," antwoordde Céline,
"veel meer dan van den dag, die is te benauwd, te stoffig; maar
is het je niet te koel, beste man? Zal ik niet het licht aansteken,
en zullen wij dan Shakespeare nalezen?"
[52:]
"0 neen! zoo
te zitten is het schoonste gedicht; ik gevoel me zoo gelukkig, zoo goed,
zoo kalm als in lang niet. Wat valt die maan mooi op je juweelen en
op je handen! 't Is of je een prinses bent, een fee, die haar tooverland
verlaten heeft om mij armen zieke te komen troosten en genezen."
Hij zag haar teeder aan en zij trilde van blijdschap en stille vreugde
onder zijn bewonderenden blik. Nooit had iemand haar met zulk een vereering
aangezien, nooit had zij gevoeld dat zij de zon was van een bestaan,
het middelpunt van een leven. Zijn liefde, die, voor het laatst, het
verzwakte, afgebeulde hart deed opleven, bleef zacht, droefgeestig,
diep en innig, maar de hare, waarvan zij ten volle voelde, dat het voorwerp
haar spoedig ont scheurd zou worden, was hartstochtelijk, sterk, vurig;
zij moest zich onophoudelijk tot kalmte en matiging aansporen: Dit maakte
haar misschien meer teruggehouden maar schonk haar een reine schuchterheid,
die hem steeds meer en meer aantrok en boeide.
"Wat kan een mensch veranderen," zeide hij na een poos, "vroeger
haatte ik het huwelijk, ik noemde "het een ondragelijke slavernij,
een drukkend juk, ik begreep niet hoe menschen het zich konden opleggen.
En nu schijnt mij een leven zoo met zijn tweeën een ideaal van
geluk toe, en wat denk jij, Céline?"
"Ik zal het je bekennen, Rudolf, ik had een
[53:]
groote illusie
en die heb ik zoo lang mogelijk veilig gedragen tusschen vele teleurstellingen,
ik heb ze beschut tegen spot en minachting, die vooral hier op Java
zoo welig groeien."
"Ja, en die zooveel wat goed in mij was hebben gedood'; ja ik ken
ze, Céline, en die illusie was?. . . "
"Het huwelijksleven met een man, die mij liefhad en wien ik ook
al mijn liefde kon geven, het ideaal van Vondel's Badeloch:
Twee zielen gloênd
aaneengesmeed,
Of vastgeschakeld en verbonden
In lief en leed
Naar dat leven heb
ik gesmacht, daarom heb ik dagelijks gebeden!"
"En zie je ze nu werkelijkheid worden, die illusie? Ben ik in staat
ze te vervullen?"
Zij drukte zijn handen aan haar lippen.
"Je bent mijn ideaal, mijn koning, op wien ik levenslang heb gewacht,
wier slavin ik trotsch ben te zijn."
Haar stem stierf weg in een snik en inwendig zuchtte zij:
"0, 't is te wreed, veel te wreed. Ik wil, ik kan hem niet verliezen."
"Hoe vreemd vonden wij elkaar toch! Hoe zal ik deze ziekte danken,
die mij het geluk van mijn leven schonk. Je hebt gelijk, God is goed.
Hij weet alles beter dan wij."
En na een oogenblik:
[54:]
"Vrouwtje,
verbeeld je eens als wij niet altijd met ons beiden bleven, als er eenmaal
jong leven om ons heen spruitte? 0, wat zal je een lief moedertje zijn
en ik een indrukwekkende, strenge vader! Vroeger zou ik 't idee belachelijk
hebben gevonden, maar nu! nu vind ik het een geluk. Dat doet alles de
liefde, die tooverfee."
Daar sneed een akelig, scherp geluid door de zilverblauwe lucht, den
schitterenden hemel bekrassend en ontsierend. Rudolf hoorde het niet,
maar Céline kromp rillend ineen. Zij wist dat het de kreet was
van een nachtvogel, die volgens de bijgeloovige Javanen, de nabijheid
van den dood voorspelt.
Tot driemaal herhaalde zich de ongelukskreet en toen voelde Céline
een kille huivering, iets als de nabijheid van een onzichtbaren, vreeselijken
gast.
Zij keek om, neen, het waren dezelfde bleeke stralen der maan, maar
alles scheen haar nu spookachtig, geheimzinnig, dreigend toe. De bladeren
ritselden angstig, het water in de rivier stroomde haastig bruisend
als vluchtend weg, de gamelan verstomde en zelfs de krekels staakten
hun gezang. .
Zij zag naar haar man, maar zijn hoofd lag nog even rustig en kalm als
daareven tegen haar schouder; alleen gaf het verheerlijkende licht der
maan aan zijn uitgeteerd gelaat een schoonheid en majesteit, welke zij
tot nog toe
[55:]
slechts op de aangezichten
van dooden had gezien.
Zij streelde hem langs zijn in den laatsten tijd sterk vergrijsde haren
en kuste zijn voor hoofd. Goddank, het was nog warm, de slapen klopten
regelmatig.
"Mijn lieveling!" zeide hij en sloeg de oogen op. Zij herademde,
hoe dwaas zich zoo angstig te maken; was alles dan niet ijdele vrees,
hij voelde zich beter, de dokter kon zich vergissen; 't is de eerste
keer niet, dat geleerder en wijzer mannen dan hij zich in den aard eener
ziekte bedriegen, en die vogel, hoe belachelijk daaraan te hechten.
"Kom, je moet naar de couchée, manneke, 't is laat genoeg,
en dan maakt vrouwtje voor je een kop bouillon klaar met een stuk kip
en wat petits pois en dan gaat men rustig slapen, om morgen lekker frisch
op te staan."
"Kan ik hier niet blijven vrouwtje, 't is hier zoo goed, ik geloof
dat ik zoo heerlijk zal droomen."
"Neen, je moet niet zoo ongeregeld doen, als je beter wilt worden
voor je arme vrouw. Geef mijn je arm maar!"
"Zullen wij eerst wat in den tuin wandelen in den maneschijn?"
"Zal het je niet vermoeien?"
"O neen!"
Hij richtte zich op, maar plotseling viel hij weer terug in den leuningstoel.
[56:]
"Daar breekt iets," hoorde Céline hem zeggen, en nog voor dat zij 't wist stroomde een golf van bloed over haar wit japonnetje, waarop hij zoo even nog met zooveel trots had neergezien.