Toen zij na eenige
uren verfrischt en meer opgewekt bij den zieke terugkwam, schitterden
zijn oogen van dankbaarheid en blijdschap; hoewel hij dank de rustpoeiers
van den dokter zich betrekkelijk kalm had gehouden, was de tijd hem
eindeloos lang gevallen.
"Gevoelt ge je wat beter?" vroeg hij belangstellend.
Céline hoopte, dat hij haar hand zou drukken of haar een kus
vragen, maar hij deed het niet; hij zag haar nauwelijks aan.
[36:]
"Heb je aan
den dokter je nood geklaagd," ging hij voort met iets wantrouwends
in de oogen.
"Wat voor nood?" vroeg zij verbaasd terug.
"Dat ik. . . dat ik zoo lastig ben."
"Och Rudolf, hoe kan je zoo iets denken?"
"Ik denk soms hardop, maar ik zal 't niet meer doen, ik ben je
veel te dankbaar, dat je zoo lief en hartelijk voor mij bent uit plichtgevoel,
en ik zal mijn best doen je taak niet te verzwaren."
"Maar hoe kom je er aan! Je bent zoo geduldig en volgzaam, dat
ik je in stilte bewonder."
"Kom, nu houd je me voor den gek! Weet je wat ik meer moest doen?
De woorden van keizer Frederik ter harte nemen: L er n e l e id e n
o h n e k l a g e n."
"O klaag gerust, je hindert mij niet."
Alweer kwam er een onaangename trek op zijn gezicht.
"'t Is heel vriendelijk van je; ik mag die woorden eigenlijk ook
niet op mij toepasselijk maken. Wat een verschil tusschen keizer Frederik
en mij! Hoe kostbaar was zijn leven en hoe nietig is 't mijne. 0, wat
heb ik dwaas gehandeld het iemand als een last op te leggen, als een
plicht."
Alweer scheen Céline met stomheid geslagen; haar hart en hoofd
waren vol, maar haar tong weigerde elken dienst. Zij verstonden
[37:]
elkander niet meer.
Eindelijk bracht zij er met moeite uit:
"Wanneer je wist hoe bitter je mij grieft door altijd hetzelfde
te herhalen, zou je te goed zijn om die dwaze dingen te zeggen. Ik verdien
het niet aan je, voor zoover ik weet."
"0 neen, je doet je plicht onverbeterlijk."
Hij zweeg een poos en toen zeide hij: "We begrijpen elkander niet
meer, elk gesprek eindigt in kibbelen en waarlijk, mijn leven is te
kort om het in zulk onvruchtbaar twisten door te brengen. Wil je mij
liever wat voorlezen?"
"Heel graag, wat dan? De Locomotief?"
"Neen - dat boekje van gisteren."
Céline las vandaag over onderwerping, over het nut van het lijden,
over het nietige van al het aardsche, over de hoop op een eindeloos
geluk.
"Je hebt gelijk," zeide hij, toen zij ophield, denkende dat
hij in slaap was gevallen. "Er is toch iets kalmeerends in die
eenvoudige woorden, iets dat nog meer goed doet dan de rustpoeiers van
den dokter. Vooral wanneer je zoo ziek en zwak bent, kan je er gemakkelijk
in komen. Vroeger zou ik het femelarij hebben genoemd."
"Toen je gezond, sterk en gelukkig was."
"Gezond en sterk ja, maar gelukkig, ben ik het ooit wel geweest?
Lees dat nog eens voor van gisteren, dat was zoo mooi."
[38:]
Zij gehoorzaamde.
"Ja, liefde is beter dan alles. . . zelfs beter dan plicht."
"Soms zijn plicht en liefde één," zeide Céline
bijna onhoorbaar; hij scheen het niet te verstaan, want hij bleef onbeweeglijk,
met gesloten oogen liggen.
't Was dien dag drukkend warm, en hoewel alle ramen openstonden en de
jaloezieën neerhingen, drong de hitte in de kamer door.
Céline nam een waaier en wuifde hem zachtjes koelte toe.
"O hoe frisch!" mompelde hij, "wat zou ik niet geven
om een stuk ijs. Mijn tong brandt."
"Ik heb naar Samarang geschreven om ijs," sprak zij.
"Je denkt om alles. Ik dank je! Een mooi ding toch die plicht."
Den volgenden morgen had een hevig onweer de lucht verfrischt; en hoewel
het eerste gedeelte van den nacht voor Rudolf zeer benauwd geweest was,
kwam hij evenals de natuur na de hevige uitbarsting tot rust en voelde
zich 's morgens na eenige uren slaap verkwikt.
Nadat Céline hem gewasschen en gekleed had, voelde hij moed om
aan haar arm naar de achtergalerij te gaan.
Het gezicht op het ravijn en de vlakte was verrukkelijker dan ooit;
alles scheen te juichen in nieuwe jeugd en nieuwen glans; achter de
bergen rees de jonge zon hoopvol en
[39:]
krachtig aan den
bleekblauwen hemel op, stroomen van schitterend goud werpend op de zee
van donker en licht groen aan hun voeten, de berg dreef in wazige sluiers,
die zijn violet blauw nog dieper en krachtiger tegen de lucht deden
afsteken. De regendroppels zogen met liefde de zonnestralen op en weerspiegelden
hun glans naar alle zijden, vóórdat zij zich in hun warmte
gingen oplossen.
"Hoe heerlijk zoo'n morgen in het gebergte!" en Céline
ademde met volle teugen de frissche, geurige lucht op in haar gezonde
longen.
Hij kuchte even, die fijne atmosfeer deed hem pijn.
"Ja, vroeger vond ik 't ook een paradijs, zoo'n morgen na een onweer
en nu ik een paar dagen dat niet gezien heb, treft het gezicht mij weer
in zijn volle pracht en schoonheid, 't is of nooit die stomme natuur
mij verveeld, geêrgerd, zelfs gewalgd heeft."
Hij leunde op de balustrade met de eene hand, de andere rustte op haar
arm en plotseling, zonder dat zij er op verdacht wasr fluisterde hij
met zonderling klinkende stem:
"Ik zag haar ook nooit met jou! 't Is of alles nu veranderd is,
of ik alles door andere oogen zie, nu nu ik zelf. . . ."
Hij liet zich op een stoel vallen, die naast hem stond.
"Waarom het langer te verzwijgen? Céline, je
[40:]
zult mij gek vinden,
kinderachtig, dwaas, maar ik kan er niets aan doen, 't is over mij gekomen,
zonder dat ik 't weet. Ik ben verliefd op je. . . . ik houd van je zoo
innig, als ik nooit vermoed had, dat mijn stervend hart nog kon liefhebben."
En met een kracht, die zij niet in hem had kunnen vermoeden, trok hij
haar naar zich toe, sloot haar in zijn armen en overlaadde haar met
kussen.
"Had je zoo iets kunnen vermoeden, zoo iets onnatuurlijks, zoo
iets krankzinnigs op mijn sterfbed, maar 't is me duidelijk geworden,
gisteren, toen ik je miste, toen ik het niet kon uithouden zonder je
om mij heen te zien, zonder je te hooren. . . 't is onzinnig dat ik
het je zeg, maar 't is alles zoo zonderling. . . lach mij niet uit.
. . heb geduld met mij. . . "
"Rudolf, Rudolf," snikte zij, "0 Rudolf!"
"Wat is er, Céline, doe ik je schrikken? Och, verdraag die
laatste gril van mij! 0, als lk leven mocht, als ik de man was van vroeger,
wees verzekerd ik zou je leeren mij ook zelf te hebben, ik zou je gelukkig
maken."
"Ach! heb je dan niet gevoeld, wat mij dezer dagen soms zoo ellendig
maakte? Wanneer je altijd sprak van plicht en van. . . die belooning,
waarvoor ik het gedaan heb. . . terwijl mijn heele ziel vervuld was
van één enkel groot gevoel. . ."
"Wat zeg je, Céline! Begrijp ik je goed?
[41:]
Zeg je dat uit
toegevendheid, om mij te vleien?"
"O neen, Rudolf! neen! Ik durfde het je niet laten merken, maar
nu, 0 God, ik ben zoo gelukkig, zoo gelukkig, als ik nooit had gedacht
dat ik 't worden zon - 0 je moet beter worden, je zult het. God is zoo
goed, niet waar Rudolf, wij zullen samen bidden, vol vertrouwen als
kinderen. . . 0 mijn lieve, beste man, ik wil niets liever dan alles
voor je doen, niet uit plicht, maar omdat ik zoo zielsveel, zoo innig
van je houd, meer dan ik ooit van iemand heb gehouden in mijn lange
leven. Ik wil je niet verliezen, ik wil niet."
En zij drukte zijn hoofd aan haar hart, en streelde en kuste hem hartstochtelijk
op het haar, op de oogen, zonder dat zij merkte hoe bleek hij geworden
was en hoe machteloos hij tegen haar aanleunde.
"O, ik heb hem gedood," gilde zij ontzet, toen zij het merkte,
"mijn opgewondenheid is er oorzaak van."
Zij vloog heen om eau de cologne te halen en vlugzout; toen bette zij
zijn slapen en polsen, totdat hij eindelijk de oogen opende en haar
aanzag met een moeden glimlach, die zijn loodbleek gelaat als het ware
verheerlijkte.
"Mijn engel, mijn lieveling!" zeide hij mat, "'t is het
groote geluk van het leven dat in onze harten stroomt, hoe jammer -
te laat!"
"Neen, niet te laat!" zeide zij vastberaden.
"Ik laat mij je niet ontrooven."
[42:]
Treurig schudde
hij het hoofd.
"Waarom onszelf bedriegen? Wij weten het te goed. Er is niets veranderd
in mij. De ziekte woedt voort, maar het leven glimlacht mij nog eens
vriendelijk toe. Ik weet niet of het wreed is, of barmhartig, maar o,
Céline, ik heb zoo bitter geleden de laatste dagen, toen ik je
liefhad zonder hoop. Nu heb ik weer moed, nu kan ik alles dragen, want
jij draagt nu met mij mede. 't Doet me zelfs geen verdriet meer je zorgen
aan te nemen, nu ik weet dat je het doet uit liefde."
"Ach Rudolf, hadden wij elkander eer gekend."
Hij glimlachte treurig.
"'t Had niets gegeven, Céline; ik heb altijd met liefde
gespot en gelachen om hem, die zich liet vangen, zooals ik het noemde
en nu word ik voor mijn cynisme gestraft."
"Maar je leven rekken, dat kan ik nog wel, o, zoo leven is nog
een genot vergeleken bij . . ."
Zij liet het hoofd op zijn handen rusten en schreide wanhopend, als
ééne, die geen hoop meer heeft.
"Céline, ik bid je, heb niedelijden met mij," smeekte
hij met half gebroken stem.
Zij sprong op en poogde door een krachtige poging de uitbarsting van
haar verdriet te onderdrukken.
"Je moet sterk zijn," zeide hij, terwijl groote tranen langs
zijn ingevallen wangen
[43:]
stroomden, "voor
jezelf en voor mij. Wat een wonderlijke liefde! Een liefde van tranen
en zuchten, wie had 't verwacht. . ."
"Ja, je hebt gelijk, lieve man! Ik zal mijn best doen, mijn uiterste
best, ik wil sterk zijn. Ik wil onze liefde zoo mooi, zoo heerlijk mogelijk
maken."
"Ja, doe het, 't zal zoo'n schat voor je zijn, want jou blijft
ten minste de herinnering."
Zij drukte sprakeloos zijn handen.
"En mij de hoop. . . . op . . . . wederzien. . . . want ik hoop
het nu, ik wil het hopen, . . . . de liefde sterft niet."