Céline was
nog geen veertien dagen bij Telwerda aan huis of alles verkreeg er een
ander aanzien; de bedienden kwamen meer onder appèl, de weerspannigen,
die merkten dat zij onder het beheer der nieuwe Njonja niet meer als
vroeger naar hartelust konden luieren en stelen, werden weggezonden.
De anderen moesten zich naar haar wenschen schikken. De kennissen van
Rudolf, die hem trouw kwamen opzoeken, merkten de verandering, die niet
alleen in het huis maar ook met hem plaats had. Hij was nu veel kalmer
en minder ziekelijk opgewonden; hij kon uren lang stil liggen zonder
gejaagd te zijn, zonder te knorren of te kermen. Hij kreeg geregeld
zijn medicijnen en zijn voedsel, hij werd verfrischt en opgeknapt, zooals
Céline het noemde; hij hoefde nooit
[26:]
machteloos te wachten
op de vervulling van een wensch en vooral hij had altijd gezelschap.
Geen oogenblik kon hij alleen zijn, zelfs niet wanneer Céljne
aan haar huishoudelijke bezigheden was; hij moest haar altijd om zich
heen hebben. Zelfs wanneer hij met de oogen dicht lag, was het hem een
troost als zij in de kamer op en neer ging, of stil voor zijn rustbed
zat te werken.
De dokter kon er niet over uit, zoo'n juweel van een ziekenoppasster
als mevrouw Telwerda bleek te zijn; en de vrienden, die nu ontheven
waren van de dikwijls niet al te gemakkelijke taak om hem gezelschap
te houden, roemden haar om strijd.
"Hij had 't eerder moeten doen," zeiden zij.
"Die laatste streek is de verstandigste van zijn leven geweest."
Zooals het meer met zieken gaat, trad na de hevige crisis nu een tijdperk
in van betrekkelijken stilstand; hij begon beter te slapen en te eten,
hij was minder lusteloos.
"Verbeeld je, dat ik eens beter werd!" zeide hij eens.
Céline antwoordde niet; zij stond met den rug naar hem toe en
voelde, dat zij een kleur kreeg: hij herhaalde zijn gezegde.
"Hoe zou je dat vinden?" vroeg hij en zij hoorde aan zijn
stem, dat hij kregelig werd.
"Ik weet niet, hoe ik 't moet opnemen. Voor mijzelf zou ik God
danken, maar voor
[27:]
jou was 't misschien
vreeselijk, zoo'n koopje."
"Zou je dan, wanneer ik in 't leven bleef, - 't is te gek om van
te praten - maar als het eens gebeurde, zou je dan mijn vrouw willen
blijven?"
Zij zag hem aan met haar heldere, blauwe oogen en haar mooien lach.
"Ik, natuurlijk," antwoordde zij oprecht.
Hij keerde het hoofd om en mompelde:
"Es wär' zu schön gewesen."
Van dat oogenblik kwam er iets vreemds tusschen hen; zij vermeden elkanders
oogen, elkanders aanraking; het prettige, kameraadschappelijke, dat
na de groote scène hun verhouding had gekenmerkt, verdween onwillekeurig,
en zonderling, de verandering scheen van hem uit te gaan en deelde zich
aan haar mede.
Vóór dien tijd hadden zij veel met elkander gesproken;
hartelijk, eenvoudig vriendelijk, vertelde Céline hem van haar
familieomstandigheden, van haar lotgevallen in Indië, van haar
zorgen, haar moedeloosheden. Ook hij haalde oude herinneringen op van
de Polytechnische school, van zijn ouderlijk huis, van zijn diensttijd.
Al zijn herinneringen waren even zonnig, even gelukkig; de hare daarentegen
even somber en kleurloos; tot aan zijn ziekte was hij in alle opzichten
een verwend kind der Fortuin geweest, zij had niets anders dan het brood
der dienstbaarheid en der verveling gegeten; niets anders moeten doen
dan aan haar van
[28:]
levenslust en liefde
overvloeiend hart het stilzwijgen opleggen. Die weerzijdsche confidentiën
hadden hun goed gedaan, en nader tot elkander gebracht. Maar, nu bleven
zij plotseling uit, uren lang zaten zij naast elkander en spraken slechts
het hoognoodige, of iets om maar wat te zeggen; hij kreeg weer meer
koorts en bleef dikwijls halve nachten wakker liggen, nu en dan rondziende
met de oogen wijd geopend.
"Zal ik je eens iets voorlezen?" vroeg zij.
"Och! wat zal 't wezen? Daar ligt een heele rommel boeken, mijn
vrienden hebben mij goed van lectuur voorzien, maar in den laatsten
tijd had ik geen trek meer."
Céline keek de boeken na; het waren allen of vakboeken, droog
en geleerd, of wel romans van meer dan lichtzinnig allooi.
"Bah, is me dat lectuur voor een zieke!" zeide Céline
minachtend.
Hij glimlachte.
"Wil je mij dan vrome boeken voorlezen?"
"Ernstige ten minste," antwoordde zij, "die je op het
leven uit de hoogte leeren neerzien, die je boven je zelf verheffen.
. . Wat heb je aan de beschrijving van die dingen, waarvan je nu toch
niet genieten kunt? Ze maken je maar wrevelig en opgewonden."
"Je hebt gelijk," hernam hij, "ik kon die prullen ook
niet meer lezen. Heb je iets beters?"
Zij haalde een boekje voor den dag, dat er oud en versleten uitzag.
[29:]
"Dit gaf mijn
moeder mij bij ons afscheid, en 't heeft me nooit verlaten; als ik mij
soms te moe of te verlaten voelde, dan sloeg ik 't op en las dan steeds
iets toepasselijks op mijn toestand. Ik heb ook veel, heel veel gelezen,
maar altijd kwam ik terug tot het boekje van mijn moeder. Dat alleen
kon mij kalmeeren en kracht geven; andere verbitterden mij maar."
"Laat eens zien!"
Het was Thomas à Kempis; hij lachte een weinig minachtend.
"Ik wilde je juist verzoeken mij uit Heine voor te lezen; die is
mij het langst trouw gebleven, die wist ook wat het beteekent in volle
kracht door ziekte neergeworpen niet meer te kunnen leven en genieten,
wanneer men zoo gaarne nog wil."
"Neen, Heine zal ik je evenmin geven als het vergif, waarom je
eens vroeg."
"Vergif, daar zal ik je niet meer om vragen, maar mij dorst naar
Heine, dat is andere, steviger kost dan die water-en-melk kwezelarij
van je middeleeuwschen monnik."
Hij sloeg het boekje op, maar de letters dansten hem voor de oogen.
"Ik kan niet eens meer lezen," zeide hij met een hartverscheurenden
glimlach, "ik verleer alles, wat ik met moeite heb aangeleerd;
lees mij een volzin voor, daar deze, maar niet meer."
Zij las met bevende stem.
[30:]
"Er is niets
zoeter, niets sterker, niets verhevener, niets aangenamer, niets volmaakter,
noch iets beter in den hemel en op aarde dan de liefde, want de liefde
is uit God geboren."
Zij zweeg; hij knikte met het hoofd om haar aan te sporen meer te lezen
en zij ging voort:
"De liefde is iets grootsch en een zeer groot goed, dat alleen
datgene, wat zwaar is, licht maakt en dat gestadig alle ongestadigheid
en ongelijk verdraagt, want zij draagt allen last zonder moeite en maakt
al wat bitter is zoet en aangenaam."
"Dat is waar," fluisterde hij, "heel waar, hij weet het
beter dan Bourget en Zola en die anderen."
Zijn oogen brandden op haar gelaat en zij sloeg verward den blik neer.
"Ja, hij weet het, lees voort, Céline! Je wist het zeker
al lang, ik wist het ook, maar ik heb 't nooit zóó begrepen.
Wij mannen zijn dat ontwend, wij vinden dat goed voor vrouwen of voor
haar niet eens meer, voor bakvischjes alleen."
Céline was blijde voort te kunnen lezen; een dwaze verlegenheid
had haar vervuld, haar handen beefden, haar polsen jaagden, en haar
wangen gloeiden en terwijl zij voortlas nam haar stem een eigenaardigen
klank aan.
"Vandaag niet meer," zeide hij eensklaps; het zweet parelde
op zijn voorhoofd, zijn borst
[31:]
ging onrustig op
en neer. "'t Kalmeert mij niet, integendeel, 't is of een nieuwe
wereld voor mij opengaat, waarin ik niet kan binnengaan. O, 't is zoo
mooi als men zóó het leven kan opvatten, hoog op alles
neerzien, maar ach! 't is een illusie, een droom."
Céline ging stil heen, zij verliet de kamer en hij weerhield
haar niet.
Die nacht ging voor Rudolf zeer onrustig en pijnlijk voorbij; hij ijlde
bijna altijd voort en haspelde allerlei dingen dooreen; 't meest had
hij het over liefde. De woorden, hem door Céline voorgelezen,
waren hem in het zieke hoofd blijven hangen en telkens kwam hij er op
terug.
Wat hij eigenlijk bedoelde en zeggen wilde, kon zij niet begrijpen;
toen hij eindelijk insliep was het met haar hand in de zijne.
"Niet weggaan,. . . niet weggaan, . . ." smeekte hij, "heb
mij lief. . . weinig, . . . heel weinig maar. - De liefde immers acht
niets zwaar."
Toen hij den volgenden morgen laat wakker werd en haar aankeek, viel
't hem op dat zij er ellendig uitzag, met donkere kringen om de oogen
en lang uitgetrokken wangen.
"Och! ellendeling, die ik ben, dat ik je zoo lang moet ophouden,"
steunde hij, "'t was voor je niet om te dragen al bezat je ook
dat ééne waarover je gisteren las, en nu drukt het op
je in volle kracht."
[32:]
Zij keerde zich
haastig om, want zij voelde haar stem stikken en haar oogen overloop
en van tranen, die zij kost wat kost voor hem wilde verbergen.
"Céline," riep hij haar toe, terwijl zij met den rug
naar hem gekeerd bezig was iets uit de kast te halen, eigenlijk om met
haar aandoening ongezien te worstelen.
Zij veegde haastig de oogen af en trachtte zoo goed zij kon te glimlachen
toen zij weer naast zijn bed stond.
"Zei je iets, Ru?" vroeg zij.
"Ik wou je iets zeggen," hij hield zijn hoofd afgewend, "ik
heb in jaren niet gebeden, maar van nacht heb ik 't gedaan en weet je
waarvoor? Om spoedig uit mijn lijden verlost te worden!"
"Is 't dan zoo erg?" snikte zij.
"Niet voor mij, neen! Dat komt er niet op aan, een paar weken langer
of korter, ik ben er aan gewend, maar voor jou! Ik kan je niet zien
tobben, en denken dat ik er oorzaak van ben!"
Zij bleef doorsnikken.
"Ja, huil maar niet zoo, Céline, 't zal wel afloopen, vroeg
of laat en denk dan eens wat je een heerlijk lot wacht, vrij passage
naar huis, alles wat ik bezit is voor jou, en dan pensioen. Hoe prettig
kan je met je moeder en je gebrekkig zusje leven. Maar je hebt het verdiend,
je bent zoo goed voor mij geweest,
[33:]
zoo goed, of je
mij werkelijk hadt getrouwd - uit liefde."
Hij verborg het gelaat in de kussens; zij stond nog altijd bitter te
schreien; na een poos ging hij voort:
"Je moet later naar mijn zusters gaan, Céline. Ze zullen
er van opzien, dat ik een weduwe nalaat; maar zij moeten je als een
zuster behandelen, ik verlang het, en zal haar ook schrijven, dat je
mij zoo goed, zoo trouw hebt opgepast in de laatste dagen."
"Ik doe mijn plicht," stamelde zij, "niets dan mijn plicht,
er is niets bijzonders in. Ik nam 't op mij."
"Ja, ik weet het, 't is je plicht! Je hebt het op je genomen, 't
is heel mooi! 0 zoo mooi! maar er is plicht en plicht doen."
't Scheen haar toe of die woorden bitter en spottend klonken; maar met
den besten wil der wereld kon zij niets antwoorden, al had zij ook gewild.
Haar hart was tot berstens vol en zij vluchtte naar buiten, waar juist
de dokter haar in tranen vond.
"Dokter," vroeg zij en nam radeloos zijn handen in de hare,
"is er niets geen hoop, niets, kan u hem werkelijk niet redden?"
"Arm mevrouwtje! Staat het er zoo mee? Ik zou u kunnen vleien met
een paar gemeenplaatsen, maar waar dient het voor? Ik hebt 't u immers
zwart op wit gegeven. Er is niet de minste kans op behoud. Alle edele
deelen zijn aangetast."
[34:]
"God straft
mij," zuchtte zij, "dat ik rekende op zijn dood. Ik, die hem
nu zou wilen redden, ten koste van mijn eigen leven. . . ó zoo
graag."
De dokter schudde het hoofd.
"Wind u niet onnoodig op! Blijf zoo kalm mogelijk, dat is 't eenige
middel om zijn leed te verzuchten en zijn pijn te verlichten!"
De dokter kwam bij den zieke, die met zijn groote, wijdgeopende oogen
de kamer doorzocht.
"Waar is mijn vrouw?" vroeg hij.
"Ik geloof dat jelui mekaar mooi zenuwachtig maakt. Zij is een
heel best wijfje, maar dat nachtwaken en verplegen maakt haar prikkelbaar
en als u haar dan nog opwindt met allerlei noodelooze praatjes, dan
komt zij er nog heelemaal onder en wordt op slot van rekening zieker
dan u."
"Ik heb haar niets gezegd, niets, maar zou werkelijk denken, dokter,
dat het haar afmat en afbeult? Dan zou 't beter zijn. . . . dat. . .
dat ik naar het hospitaal ging."
"Heb je van mijn leven! Nu naar het hospitaal gaan, terwijl je
vroeger hemel en aard hebt bewogen om in je eigen huis te blijven. Waarom
ben je dan getrouwd, was 't dan niet om je een goede oppassing te verzekeren?"
"Ja, ja, 't is waar! Zoo moest ik't beschouwen, maar nu kan ik
't niet meer! Ik begrijp mezelf niet, 't is zoo raar in mijn hoofd,
zoo. . . zoo. . .donker. . . en vreemd. Is dat het einde, dokter?"
[35:]
"Geen quaestie
man! Je hebt weer opnieuw geteekend, hoor! Je pols is bepaald sterker."
"Dokter. . . zal 't nu nog langer duren, er moet een eind aan komen,
zoo gauw mogelijk."
"Gekheid! houd je maar kalm! Weet je wat,ik zal je vrouw eens een
kalmeerend drankje geven en naar bed zenden. Amat kan zoolang wel bij
je blij ven. Zij heeft hoog noodig te rusten."
"Ja, dokter, dat is goed, laat haar slapen."
Maar Céline wilde niet.
"Neen, ik verlaat hem geen oogenblik, verklaarde zij beslist, "ik
zou 't mij eeuwig verwijten."
"Dan wordt u ziek en moet hem toch alleen laten. Wil u dat liever?"
"O neen, dokter! Ik zal gaan slapen."