Dit meende hij werkelijk,
maar hij was geen meester over zijne verschillende stemmingen; de ziekte
deed hem telkens overgaan van diepe zwaarmoedigheid tot bitteren spotlust
om in zijn beste oogenblikken plaats te maken voor goedige ironie en
zekere weekheid.
"Je moet er niet op letten, wat ik soms zeg, ik ben een arme zieke,"
zeide hij tot Céline en even later plaagde hij haar met allerlei
overdreven eischen, met overbodige klachten en bittere verwijten.
"Dat kan mijn Amat beter doen. Daarvoor hoefde geen Hollandsche
dame te komen om mij zoo te plagen," knorde hij dan, als zij tevergeefs
trachtte hem een gemakkelijke houding te bezorgen.
"Ja, 't is zoo gauw niet gewonnen uw honorarium," spotte hij
dan weer, "dacht u dat het zoo gemakkelijk ging? 't Is maar een
be
[21:]
gin. Is u vroom?
Bid u dan maar dat magere Hein spoedig komt, dan is u verlost en ik
er bij."
Céline zweeg; zij deed of zij die scherpe woorden niet verstond;
zij was vast besloten den plicht, dien zij op zich genomen had, zoo
goed mogelijk te vervullen tot het einde; maar haar zenuwen werden dikwijls
overspannen door zijn onredelijke eischen, en eens dat hij weer zonder
eenige reden scherp en bitter was geweest, ging zij de kamer uit om
in de voorgalerij uit te schreien. Daar klonk zijn schelletje met verdubbelde
kracht, zij liet hem bellen, nog weer bellen. Eindelijk kon zij niet
langer weg blijven; zij droogde haar oogen en keerde terug naar de achtergalerij.
Hij was rood van kwaadheid en inspanning.
"Waar blijf je nu?" snauwde hij haar toe. "Is dat mij
alleen laten? Schande zoo zijn plicht te. . . ."
Hij zweeg plotseling, hij zag dat zij geschreid had.
"Waarom huil je? Om hetgeen ik zeg? Trek jij je dat aan?"
"Och neen! Ik was zenuwachtig."
"Juist, dat is 't. Het zou ook te gek zijn te denken, dat de woorden
van een halven doode zoo'n impressie op je konden maken."
En toen zweeg hij; zijn lippen trokken krampachtig onder zijn zwaren
baard, zijn oogen knipten telkens toe.
[22:]
"Een beetje
bouillon?" vroeg zij.
"Neen, dank je!"
't Duurde lang vóór hij weer sprak en toen klonk zijn
stem heel anders.
"Céline, ik ben een ruwe kerel; in de laatste jaren heb
ik weinig met vrouwen - die ten minste waard zijn zoo te heeten - omgegaan
en dan die ziekte is de zondebok van alles. Misschien zal ik je nog
veel meer en nog veel leelijker dingen zeggen. Weet je wat je dan moet
doen als het te erg wordt? Daar staat een fleschje met rustdruppels;
de dokter heeft ze eerst niet hier willen laten. Belachelijk! Wat is
dit eindje leven nog waard, of 't langer of korter duurt; als het nu
te erg gaat, dan geef je het mij en neem ik twee druppels meer in en
alles is gedaan."
"Neen," zeide Céline, "dat is gekkepraat."
"Waarom?"
"Dat weet ik zelf het best!"
"Wil je het mij niet zeggen?"
"Neen, nog niet."
Hij zag haar van ter zijde aan en dacht: "Zij heeft een mooi figuur,
lieve oogen, die, aan haar gewone trekken een eigenaardigen gloed geven.
Toen zij la b e a u t é d u d i a b l e had moet zij er allerliefst
hebben uitgezien."
"Céline," ging hij voort, "vergeef mij, ik ben
een brute, maar waarlijk ik meen het niet slecht, die vervloekte kwaal
maakt mij zoo."
Zij gaf hem de hand en toen gehoorgevend
[23:]
aan een plotselinge
opwelling van medelijden, streek zij liefkoozend langs zijn voorhoofd
en kuste hem.
Hij liet haar begaan, leunde even met de wang tegen haar hand en toen
plotseling zijn gezicht verbergend in het kussen, barstte hij in een
hevig snikken los.
"Je moet het niet doen," hikte hij, "O God 't maakt mij
zoo benauwd, zoo ellendig, ik ben 't niet gewoon, ik verdien het niet."
Céline kon zich ook niet meer goed houden; toen zij hem zoo hulpeloos
zag schreien; zij kon er zelf niets aan doen, zij had het instinctmatig
gedaan - om hem te kalmeeren, hem te toonen dat zij niet boos was; terwijl
haar eigen lichaam onder de aandoening schokte en beefde, nam zij hem
in de armen en liet zijn hoofd tegen haar borst rusten, maar hoe hartelijker
zij hem behandelde, hoe heviger zijn aandoening werd; groote tranen
rolden langs zijn wangen; zij veegde ze teeder af en kuste ze weg.
"Je bent een engel," fluisterde hij, "zoo lief, zoo goed.
. . ik dank je."
Eindelijk werd hij kalmer en viel in slaap, altijd met het hoofd tegen
haar aan; hoewel haar houding zeer ongemakkelijk was, verroerde zij
zich niet en bleef bijna een uur zoo zitten. Haar hart brak van medelijden
om den sterken man, die zoo afgemat en hulpeloos in haar armen lag;
zij stelde hem zich voor hoe hij
[24:]
in zijn gezonde
dagen er uit moest gezien hebben en dan verbeeldde zij zich dat zij
op hem steunde, met hem wandelde en door hem geliefkoosd werd, en toen
begreep zij eensklaps dat het haar gemakkelijk zou geweest zijn hem
de volle liefde van haar hart te schenken, voor en met hem te werken
en te leven.
Hij werd wakker met een glimlach, uitgerust, kalm tevreden.
"Dat heeft mij goed gedaan!" zeide hij en richtte zich op
in zijn rustbed, "heb je al dien tijd zoo gezeten, Céline?
Och kind, ben je niet moe?"
Zij schudde glimlachend het hoofd, terwijl zij zich een weinig uitrekte;
die glimlach en de kleur, welke door de inspanning haar gezicht bedekte,
maakten haar mooi.
"Wat hebben wij daar een malle scène gemaakt," ging
hij voort, "dat moet nooit meer gebeuren, hoor! Hoe kinderachtig
van zoo'n grooten kerel zich zoo aan te stellen. Maar 't is jouw schuld,
als îk zie dat men mij beklaagt, krijg ik kassian met mezelf en
dan begin ik me waarlijk te grienen als een klein kind. Vind je mij
niet dwaas? 't Eene oogenblik zoo uitvaren en dan. . ."
"Je moet maar stil liggen. Zoo, lig je wel goed, wel gemakkelijk?
Nu neem je toch wat bouillon, hé, met rijst!"
"Vrouwtje."
Hij kon dat woord zoo aardig, zoo vleiend
[25:]
zeggen en zij boog
zich over hem en vroeg, wat hij verlangde.
"Wij moeten het ons maar zoo prettig en gezellig mogelijk maken,
zoolang het duurt. En niet sentimenteel doen."
"Ja, Telwerda."
"Dat moet je niet zeggen. Noem mij "man" of "Ru",
zoo zeide mama ook altijd."
"Ja, Ru!"
"Wat klinkt dat goed, geef mij nu wat bouillon, ik heb bepaald
trek."