Het huis van Telwerda
lag even buiten de kom van het vlek, aan den grooten weg; 't was een
zeer lieve woning, door een breede galerij omringd, met een flinken
tuin vol vrucht boomen; tusschen het huis en het hek lagen gras- en
bloemperken, alles zag er wat verwaarloosd uit en verwaarloozing gaat
in de tropen onmiddellijk tot verwildering over.
Maar de grootste charme van het huis vond men in de achtergalerij; deze
hing als 't ware over een ravijn gevuld met den woesten, weelderigen,
bonten plantengroei van het Oosten. Dat was een dooreenmengeling, een
verwarring van reusachtige varens, van doornstruiken, vanwoudreuzen,
van bamboes, lianen en orchideeën; steil stortte de groene, dicht
begroeide rotswand
[13:]
zich naar beneden
en daaronder bruiste en raasde over groote bazaltblokken een bergstroom.
Aan gene zijde strekten zich sawahs uit, fijn en teergroen van kleur,
hier en daar afgewisseld door boomgroepen, waartusschen zich de dessa's
en kampongs verscholen, langzaam opstijgend tegen den rug van een hoogen
berg, een der hoogste van Java. De wolken streken over den gespleten
top en langs zijn zijden, zij stoeiden en speelden met den reus, die
geduldig hun spel toeliet, want hij wist dat er dagen genoeg kwamen,
waarop hij strak en onbeweeglijk moest afsteken tegen de staalblauwe
lucht.
Dit gezicht was het schoonste van geheel Ardjoenan en daarom had Telwerda
ook dit huis gehuurd, al bleek 't voor hem, den vrijgezel, wat ruim
en hol; hier in deze achtergalerij verwelkomde hij zijn bruid.
Hij had dien morgen nogal toilet gemaakt, zijn baard, die in de lange
ziekte te veel en te wild gegroeid was, liet hij fatsoeneeren; hij trok
zijn chambrecloak, zijn eenig kleedingstuk van maanden herwaarts, uit
en vroeg naar zijn uniform; maar het zware laken met zilver geborduurd
hing te los om zijn vermagerde leden en drukte hem haast neer. Toen
trok hij zijn zwart lakensch pak aan. Och! nu merkte hij pas wat voor
een schim hij geworden was!
Alle formaliteiten vóór het huwelijk hadden plaats gehad
en dus zou het reeds dadelijk dien dag voltrokken worden.
[14:]
"Mijn trouwdag,"
mompelde hij met een bitteren lach, terwijl hij vermoeid van de ongewone
inspanning achterover leunde in zijn luiaardstoel.
Er was een tijd geweest, toen hij zich soms voorstelde dat hij zijn
hoogtijd vierde en die dag schitterde in 't verre verschiet voor hem
in duizend kleuren vol poëzie, vol zonneschijn, vol heilwenschen,
vol muziek en bruisende champagne en nu was die dag gekomen, droevig,
stil, somber door de schaduw, die een andere naderende dag, zijn sterfdag
er reeds op wierp; dan dacht hij aan de witte bruid zijner jonge droomen
onder haar sluier en haar oranjebloesems, jonkvrouwelijk schuchter,
haar oogen van ter zijde naar hem opheffend, vol liefde en teederheid.
En deze bruid, hij had haar nooit gezien, zij trouwde hem niet om zijn
vrouw, zijn gezellin voor het leven, in vreugde en smart, in rijkdom
en armoede, in goed en kwaad te zijn, maar eenvoudig om zijn weduwe
te worden; eerst toen zij daarvan zeker was, had zij haar toestemming
immers willen geven.
Hij sloot de oogen, het scherpe zonnelicht dat door de kérees
(rieten stores) filterde deed hem pijn; het scheen te spotten met zijn
armzalige, dwaze positie. Wat had hij begonnen, waarom vreemden hier
binnengeroepen? Waarom niet stil en verborgen als een gewond dier het
einde afgewacht?
Een zwaar gedreun van wielen weerklonk
[15:]
op het erf; daar
begon drukte te komen in 't stille huis, stemmen gonsden; men vroeg
naar hem en toen spande hij al zijn krachten in en ging de bruid en
hare vrienden tegemoet.
Haar eerste indruk was, dat zij de schaduw voor zich zag van een buitengewoon
knap man; de ziekte had het misschien wat al te ruwe of forsche van
zijn voorkomen verzacht en verfijnd, hem zeker distinctie verleend,
die hem vroeger eenigszins vreemd was.
Zijn eerste gedachte daarentegen was: verwelkt, vermoeid, een weinig
verbitterd, op den grens der wanhoopsjaren.
Hij stak zijn hand uit en met zijn diepe, holle stem, sprak hij:
"Ik zeg u welkom, juffrouw! in mijn huis, dat weldra 't uwe zal
zijn. We zullen nu maar dadelijk het complimenteuze laten varen, vindt
u niet? Ik heet Rudolf en u Céline immers?" Toen zakte hij
vermoeid op een canapé neer en hijgde naar adem.
"U is t'huis, u is t'huis. Van Velden, mevrouw, maak het u gemakkelijk,
ik kan niet meer."
Toen werden de oogen van beide vrouwen vochtig, en Van Velden voelde
een prop in zijn keel, die hij tevergeefs trachtte weg te slikken.
"Arme kerel, hoe kom je er aan!" zuchtte hij.
Telwerda hoestte, hoestte en tusschen twee hoestbuien, deed hij zijn
best te zeggen:
"Over een uur komen zij - beroerde nacht gehad - haast maken -
anders te laat!"
[16:]
Intusschen maakte
mevrouw Van Velden het toilet der bruid; een eenvoudig crême japonnetje,
al een paar keeer gewasschen en in 't haar eenige witte bloemen, melati's
en soedip malems.
Ook Céline glimlachte bitter, toen zij bedacht hoe heel anders
zij in haar gelukkige jonge meisjesjaren zich dien trouwdag had voorgesteld.
En onwillekeurig verbeeldde zij zich den bruidegom van heden in volle
kracht, gezondheid en liefde, naast haar opgaande naar het trouwaltaar.
Van Velden en zijn vrouw lieten het jonge paar dadelijk na de voltrekking
van het huwelijk alleen.
Céline moest zich zoo spoedig mogelijk maar wennen en op de hoogte
stellen van het huishouden en de ziekenverpleging.
Zij was vlug en handig genoeg en intelligent bovendien; zij had in haar
vorige betrekking geleerd met Javaansche bedienden en met zieken om
te gaan. Het was haar dus goed toevertrouwd.
Zij nam dan ook dadelijk de teugels van het huishoudelijk bewind met
vaste hand over, doorzocht de kasten, die er erbarmelijk uitzagen -
de dispens, waarin muizen en andere dieven druk schenen huisgehouden
te hebben, de stallen, waarin de paarden droevig vermagerden, de keuken,
die er al even desolaat uitzag als de rest.
Zij wilde het zich druk maken, geen tijd overhouden tot denken en peinzen.
[17:]
Na het huis te
hebben doorloopen kwam zij bij haar zieken man, die eenige uren te bed
had gelegen.
"Ben je daar, Céline?" vroeg hij.
"Ja. . . . mijnh. . . . ja Telwerda. . . ."
"Heb je eens rondgekeken, 't is een vreeselijke boel zeker?"
"Ja, dat gaat nogal!"
"Heb je alle sleutels? Hier is er een van mijn geldlaadje, er zitten
nog een paar honderd pop in. Ik hoop dat ik nog veertien dagen leef,
dan is het weer traktementsdag en dan krijg je een heelen pluk. Daar
zijn ook eenige nota's, wil je die nazien?"
Zij zette zich bij den lessenaar, en begon de laadjes te openen; hij
kreeg weer een hoest bui, zij stond op en gaf hem zijn medicijn.
"Ik zal wat limonade voor u maken," zeide zij. "Heeft
u trek in aër-djeroek."
"O ja, frissche aër-djeroek." (Citroenwater.)
Hij zag naar haar handen en bemerkte dat zij fraai en blank waren.
"Ik was altijd zoo vies van Sarina's vingers, maar de uwe, als
die de citroenen persen dat is heel iets anders."
Hij kon haar nog niet tutoyeeren, evenmin als zij hem.
"Heerlijk," mompelde hij, toen zij het glas met den verkwikkenden
drank aan zijn lippen bracht, "nog meer."
[18:]
"Te veel is
niet goed, strakjes nog eens weer!"
"Ja strakjes! 't Bevalt mij zoo in u, Céline, dat u zoo'n
zachte stem heeft. Niets stoot mij meer af in een vrouw dan schelle,
koude klanken. U is zeker van goede familie?"
"Geweest!" antwoordde zij met een flauw lachje.
"Dat blijft men altijd, morgen moet u mij vertellen van uw leven.
. . . uw lotgevallen."
"O 't is zoo onbeteekenend," hernam zij, "werken, werken
is de boodschap geweest, jarenlang."
"En nu is 't gedaan. . . . spoedig! Ik ben blij voor u!"
Zij ging haastig de kamer uit; diep, innig medelijden vervulde haar
reeds voor dien geknakten stam. De nacht kwam, een zware, eindelooze
nacht voor beiden, vol hoesten, vol waken, vol rusteloos hijgen en kreunen,
vol benauwdheid en zelfs ijlen.
Céline week geen oogenblik van zijn zijde; zij ondersteunde hem,
schudde zijn kussens op, hielp hem van het bed naar den stoel, van den
stoel naar het bed, bette zijn voorhoofd met eau de cologne, liet hem
drinken; sprak hem moed in, beurde hem tot kalmte op.
"U treft het verbazend slecht," hikte hij, "'t is de
ellendigste nacht in langen tijd."
"U heeft zich gister te veel vermoeid."
"Ja, dát zal het zijn. 't Spijt me voor u! Gaat u slapen,
Amat kan nu wel waken."
[19:]
"Neen, dat
laat ik niemand over."
Zij legde haar verlegenheid en schroom voor hem af in die half donkere
ziekenkamer; hij was voor haar niet meer de man, die met zijn naam haar
diensten gekocht had, maar eenvoudig een zieke, een zwakke, hulpbehoevende
kranke.
Toen de eerste schemering van den dag in de verte begon te lichten,
in de dessa's het stampen van rijst in de blokken, het kraaien der hanen
en in de boomen 't getjilp der vogels klonken, viel Rudolf in een lichte
sluimering. Céline, overmand door vermoeienis en aandoening zat
op een laag stoeltje aan zijn voeteneind en viel met het hoofd tegen
de matras in slaap.
Hij werd wakker en hoewel de hoest zijn keel prikkelde, hield hij ze
met geweld in; de eerste zonnestralen vielen door de jaloezieën
door de kamer, hij kon nu haar hoofd onderscheiden, en haar mooi golvend
donkerblond haar, dat in volle lengte en dikte nederviel over haar blauwen
peignoir.
Eindelijk kon hij zijn kuch niet meer inhouden. Dadelijk werd zij wakker,
streek het haar van het gezicht en zag hem even wezenloos aan vóór
dat zij tot bezinning kwam; toen glimlachte zij even en vroeg:
"Heb ik lang geslapen?"
"Neen, helaas! maar een oogenblik. Goeden morgen, vrouwtje! Geef
je mij geen morgenkus."
Zij drukte voor 't eerst even haar lippen op zijn voorhoofd.
[20:]
"Je taak is
zwaar, niet waar, zwaarder dan je dacht?"
"Zij kan niet te zwaar zijn," antwoordde zij.
Een spotlach vertrok zijn lippen en terwijl hij weer hevig hoestte,
dacht hij:
"Hoe hoog moet zij het loon niet stellen, daar zij geen werk er
te zwaar voor vindt."
"Ik zal 't niet verzwaren door mijn schuld," hoorde zij hem
al kuchend en hijgend zeggen.