Céline was
een en dertig jaar. Zij had een geschiedenis achter zich als van honderd
andere meisjes; een jeugd vol rijkdom en weelde, een vader koopman,
die goede zaken deed en er ruim, bijna verkwistend, van leefde, een
failliet, plotselinge dood des vaders, moeder, kinderen zoo goed als
broodeloos, de familie bereid tot helpen, maar de meisjes moesten zelf
aanpakken. Ongelukkig was Céline den leeftijd voorbij dat men
nog aan examens denkt. Zij was zoo juist van kostschool gekomen vol
illusiën, en nu gingen ook die illusiën den weg van al het
andere.
Zij moest in betrekking, maar als wat? Zij kon zich voor niets uitgeven,
zij kende alles wat een welopgevoed meisje dient te kennen, meer niet.
Een tante in Indië schreef: "Laat zij maar overkomen, misschien
doet zij hier een goed huwelijk!"
Céline kwam over met papieren en al, at het genadebrood bij haar
tante, maar van een
[9:]
goed huwelijk kwam
niets. Aan wie de schuld? Misschien aan Céline zelf, die nog
een paar laatste illusiën bewaarde als haar kostbaarste goed en
die niet wilde opgeven, zelfs niet ter wille van een leven zonder zorgen;
misschien had de zware slag, die haar te midden van haar jonge meisjes
geluk trof, haar wat verdoofd. Zij, vroeger zoo levendig en vroolijk,
was nu stil, afgetrokken. Wat i m b é c i le ! fluisterde men,
zij trok niemand aan, zij scheen stug en koel; zij zag er lief uit in
haar eerste frissche jeugd, nu scheen zij onbeduidend f a n é
e.
De tante had haar al sinds lang zedelijk gedwongen een ander onderkomen
te zoeken, toen was zij beurtelings winkeldochter geweest en daarna
half bonne, half gouvernante; overal duurde het maar betrekkelijk kort,
nooit lang genoeg om op adem te komen. Eindelijk had zij een zieke dame
opgepast en de leiding van het huishouden op zich genomen. 't Scheen
tot aller tevredenheid; hier had zij de verborgen geestkracht van haar
karakter ten volle kunnen ontwikkelen; hier was zij tot rijpheid gekomen,
wakker geschud als zij werd door druk werk, door vele plichten van uiteenloopenden
aard door gedwongen nadenken.
Maar nauwelijks was de dame gestorven of haar man kwam met een huwelijksaanzoek
voor den dag; tot ieders verbazing en zelfs verontwaardiging wees Céline
het van de hand. Zij had gedurende de lange ziekte der huisvrouw
[10:]
alle gelegenheid
gehad hem te leeren kennen en die kennismaking gaf haar de zekerheid
dat zij hem nooit zou kunnen liefhebben of zelfs achten.
Na die weigering moest Céline natuurlijk het huis verlaten en
wie tot nu toe voor haar sympathie had gekoesterd verloor ze na haar
ongehoorde handelwijze.
"Een meisje dat niets heeft, niets kan en dan zoo'n aanzoek afwijzen.
Wat verlangt zij dan?"
Een alleen was er die Céline begreep en dat was Elise van Velden,
haar vroegere schoolvriendin
"Je hebt gelijk," zeide zij, "beter alleen ellende te
lijden, dan je te verbinden aan een man, dien je het recht hebt te verachten.
Kom bij me logeeren en geef mijn kinderen les, tot je iets beters hebt."
Céline zag moedeloos voor zich uit.
"Weer opnieuw beginnen, weer opnieuw mij wennen! Had ik maar zooveel
dat ik met mama en de kleintjes kon deelen en dan stil leven op een
kalm Hollandsch dorpje!"
"Op pensioen!" lachte Elise, "daar ben je nog wel wat
erg jong voor, hè!"
"Mijn dienstjaren rekenen driedubbel."
"Céline, ik heb iets voor je," zeide mevrouw Van Velden
den morgen na ontvangst van Rudolfs brief. "Je droomen van een
hofje, een pensioentje kunnen waarheid worden en goed ook. Drie maanden
ten hoogste door een zuren appel bijten en dan ben je er boven op."
[11:]
En zij bracht haar
het voorstel van Telwerda over. Céline bleef lang peinzend zwijgen;
er werd weer een aanval gedaan op haar dierbaarste eenige bezittingen,
haar drie, vier lieve illusiën.
Zij voelde dat zij die moest prijs geven, wilde zij nog iets van haar
leven redden.
Toen bracht zij zwijgend het offer en vroeg: "Is 't zeker dat die
man spoedig gaat sterven?"
Elise fronste haar wenkbrauwen; zij vond de vraag hard en pijnlijk.
"Ja," antwoordde zij, "'t is alleen een quaestie van
korter of langer; hoop is er niets meer."
"Je vindt mij cyniek, hè! Maar dat ben ik toch niet; ik
wensch dien heer - Telwerda heet hij immers? - een lang gelukkig leven,
maar je begrijpt wel dat ik zoo'n huwelijk moet beschouwen als zaak."
Zij beet op de lippen, dat had zij zoo lang mogelijk van zich afgeworpen;
het huwelijk als een koopmanszaak te behandelen en 't viel haar zwaar
er toe over te gaan.
"En in een zaak dienen de kansen op winst en verlies gelijk te
staan. Ik zal hem goed en trouw verplegen, tot het laatste, ik word
zijn weduwe en zal levenslang het pensioen daarvan trekken, met vrij
passage naar Holland; wordt hij nu beter dan verliezen wij beiden, maar
ik het meest, daar ik de vrouw ben geworden van iemand, die mij niet
zelf uit liefde gekozen heeft."
[12:]
"Maar ik zeg
je, daar is geen kans op. Hij heeft stellig wel een half dozijn kwalen,
waarvan een alleen reeds doodelijk is."
"Nu, dan, ik beslis niets vóór ik een certificaat
heb van den dokter, dat mij de hopeloosheid van zijn toestand verzekert."
Het certificaat kwam en verklaarde dat Rudolf Telwerda nog ten hoogste
drie maanden leven kon en nu gaf Céline haar toestemming.
De heer en mevrouw Van Velden brachten haar naar het hoofdplaatsje Ardjoenan,
diep in het gebergte gelegen, den stervenden bruidegom tegemoet.