[1:]
"'t Gaat hard
achteruit met mij, hard en toch langzaam; ik klaag niet, o neen, ik
zeg als mijn Amat: "Het moet, 't kan niet anders" en ik geloof,
dat dit bewustzijn mij kalmte geeft, kalmte wel noodig in de lange,
lange eenzame uren, welke ik doorworstelen moet, alleen met mijn pijnen,
mijn angsten en mijn herinneringen.
Aanspraak door bezoeken heb ik genoeg, maar 't is altijd hetzelfde van
voren af aan, ik word er nog ellendiger door; 't eenige goeds wat die
visites hebben is, dat zij mij weer naar mijn eenzaamheid doen verlangen
en ten minste het eerste uur van mijn alleen-zijn dragelijk maken. Lezen
gaat ook bij den dag minder goed, 's morgens één courant,
's avonds iets heel lichts; de nacht kruipt om in hoesten, hoesten,
nog eens hoesten. Vergeef mij, ik merk dat ik over niets schrijf dan
over mijzelf, dat komt er nu van als men zoo geheel en al teruggebracht
is tot zijn eigen i k.
Ik wist tot nu toe niet, dat ik zelf zoo hopeloos leeg, hol en vervelend
van binnen was, nu weet ik 't tot mijn schade.
Soms alleen vind ik het onderhoud met mezelf minder é c o u e
r a nt; 't is dan wanneer het een of ander plannetje opkomt in mijn
suffen geest. Ik heb zooveel plannen gemaakt in mijn leven, geen wonder
dat zij mij niet met rust laten op mijn ziekbed, dat weldra mijn sterfbed
zal worden.
Maar dit is een plan van geheel anderen aard, niet het bestek van een
brug of gebouw, maar doodeenvoudig voor 't stukje toekomst dat mij rest,
een stukje, waaraan dagelijks geknabbeld wordt, door de onverbiddelijke
ziekte, en dat ik bij het uur kleiner en kleiner zie worden.
't Zal nog een maand duren, denk ik, de dokter spreekt van twee, drie.
Ik hoop dat de man ongelijk heeft, want onder ons gezegd dat leven van
ter dood veroordeelde verveelt mij ontzettend. De ziekte is wreeder
dan de wet; heeft die een kerel veroordeeld, dan maakt zij er haast
mee hem uit de wereld te helpen; maar de kwaal schenkt niets, geen minuut.
En toch mijn geest is even helder als die van Troppmann, Pranzini, of
welke
[3:]
snuiter ook, en
dood is dood, of de guillotine, de strop of een ziekte het je doet.
Hoe 't ook zij, ik ben besloten den kelk te drinken tot den bodem, alle
phasen, die mij wachten nog door te maken, maar als 't kan zou ik mij
de laatste weken nog wat willen verlichten.
Ge vraagt hoe ik verpleegd word? Nu, laat het mij ronduit zeggen, allerellendigst.
Amat is van goeden wille, zijn vrouw Sarina een beste, brave ziel, maar
och! 't gaat zooals 't gaat, wanneer drie of vier bedienden aan zichzelf
overgelaten zijn.
Zij hebben 't gewoonlijk zoo druk met hun eigen zaken, dat zij aan den
armen zieke in 't geheel niet of slechts in 't voorbijgaan kunnen denken.
In Europa zou 't precies zoo gaan denk ik, en in Australië of Amerika
misschen ook. Huurlingen zijn overal dezelfde, daarom, verbeeld je Frits,
wat ik bedacht! Noem't een dwaasheid, een gril, watje wilt, maar ik,
die niets tegen sterven opzie, die er zelfs naar verlang, ik vind die
maand of twee, drie, welke de dokter mij beloofd heeft, vreeselijk om
te voorzien. Ik duizel er van ze nog te moeten doorleven, geheel overgeleverd
aan Amat, Ali, Sarina, Kebon. Ik heb heimwee naar een zachte vrouwenhand,
die mijn kussen opschudt, mijn lippen verfrischt, mijn hoofd ondersteunt,
zoodra een dier vreeselijke hoestbuien mijn magere karkas uit elkander
rukt.
Verbeeld je, er zijn oogenblikken dat ik
[4:]
sentimenteel word,
als ik denk aan mijn moeder, aan mijn zusters, die wel is waar nooit
veel werk hadden mij op te passen, want voorzoover ik mij herinner,
was ik nog nooit ziek.
't Is de Nemesis; ik heb vrouwen nooit a u s é r i e u x genomen,
ze beschouwd als speelgoed, niets meer, - lees deze passage mevrouw
Van Velden niet voor of ja lees ze wel voor - ik verdien haar medelijden,
want zij is te goed om nog wrok tegen een schaduw te koesteren - en
nu smacht ik naar het E w i g W e i b l i c h e als de dorstige naar
een dronk koel water. Wat ik dan wensch, een verpleegster, een s o e
u r d e c h a r i t é ? Die zijn hier in onze goede Oost zeldzame
weeldeartikelen.
Ik zoek een vrouw, die dag en nacht om mij heen is, die aan 't korte
leven, dat mij overblijft, zich geheel en al wijd, die mij 't lijden
lichter, het sterven zachter maakt. Wil ze dat doen, heeft zij er moed
voor, dan zal ik haar beloonen met mijn naam en wat nog meer waard is,
levenslang met mijn weduwenpensioen. Ge ziet, de belooning is groot,
en de taak, hoe zwaar ook, niet langdurig, de eenige die er bij lijdt
is het Gouvernement, dat in mij steeds een verstokten celibatair zag.
Kent gij of liever kent uw vrouw niet een dame jong of oud, mooi of
leelijk, deftig of niet deftig, maar in elk geval een vrouw handig,
beschaafd, met een zachte stem, die lust heeft in dit baantje?
[5:]
Zie zoo, nu 't
er uit is, beeft mijn hand, ik kan het potlood niet goed meer bestieren,
de f a c t i c e kracht, die mij in staat stelde bladzijden vol te schrijven,
begeeft mij. Ik eindig dus, denk er over na
."
Uw RUDOLF.
"Arme kerel!"
"Hadden wij hem maar hier!"
"Waarom gaat hij niet in een hospitaal?"
"Ik kan er heel goed inkomen, hij wil in zijn eigen huis sterven."
"Hoe vind je dat ziekelijk idee?"
"Niet
. niet kwaad!"
"Jelui vrouwen, als er een huwelijk in 't spel komt, dan vergeet
je alles en ziet over alle mogelijke bezwaren, hoe stuitend en onoverkomelijk
ook, heen."
"Ik zie er niets stuitends en niets onoverkomelijks in."
"Zoo'n huwelijk!"
" Wat zou dat? Verstandiger kan Rudolf niet doen; de kunst is,
een goede keuze te doen en die heb ik al half gedaan."
"Maar Elise, ik wil er niets van weten. Dat begrijp je toch wel,
't is een ziekelijke gril, een idee, dat hij zelf morgen bespottelijk
vindt."
"Dat zou mij spijten! Want als 't plan gelukte dan had Rudolf ten
minste goede verzorging gedurende zijn laatste levensdagen en een ander
was geborgen,voor haar geheele leven."
[6:]
Van Velden en zijn
vrouw zaten in de ruime pendoppo van een fraai Samarangsch woonhuis
aan den Bodjongschen weg. Alles om hen heen sprak van weelde, geluk,
schoonheid; de tropische natuur in volle kracht ontplooide hier een
rijkdom, een intensiteit van leven, vol snijdende tegenspraak met de
woorden, welke hij daar zooeven met nu en dan van aandoening bevende
stem had voorgelezen.
Ziekte, dood, zij schenen zoo ver verwijderd van dit tooneel vol jeugd
en leven; en hij, die zoo schreef had een jaar geleden hier nog gezeten,
een forsche man in de kracht van zijn jaren, vol vertrouwen op zijn
gezondheid, zijn sterkte. Een val van het paard, een inwendige kneuzing,
hadden misschien de kiemen der tering, een erfdeel zijner familie, ontwikkeld,
en het stoere lichaam was nu gesloopt en wachtte het einde.
Er lag iets bitter treurigs juist in dit contrast.
Rudolf Telwerda was door het leven gegaan lachend, spottend, maar ook
hard werkend. Hij was een verdienstelijk ingenieur, een man van de wereld,
zonder vooroordeelen, zonder sentimentaliteit, zonder onnoodigen ballast,
zooals hij 't noemde; overal gaarne ontvangen en hiervan overtuigd had
hij 't leven genoten, maar juist voldoende om er niet door in opspraak
te komen. Hij haatte banden, leefde vrij, onafhankelijk, royaal; een
goed vriend, een flink meester,
[7:]
dacht hij weinig
aan den dag van morgen. Hij had nu immers zijn tractement, later zijn
pensioen, Waarover zou hij zich bekommeren, waarom zou hij zich onnoodige
zorgen op den hals halen? Hij had plezier in zijn vak, in zijn manier
van leven; hij was tevreden met zichzelf, hij leed niet aan de algemeene
Indische kwaal, het mopperen. Naar Holland had hij geen buitengewoon
verlangen, zijn broers en zusters waren getrouwd en hadden het te druk
met hun eigen zaken om zich met hem te bemoeien.
En zoo trof hem de ziekte in volle kracht, in vollen arbeid en vollen
levenslust; eerst had hij ze verwaarloosd, toen werd hij gedwongen er
mede te rekenen en eindelijk was hij er geheel onder geraakt, zwak en
hulpbehoevend geworden, erger dan een kind. De dokters durfden hem niet
naar Europa zenden, omdat longtering het ziektegeval compliceerde: hij
woonde bovendien in een heerlijke luchtstreek.
"Dokter," smeekte hij, "als 't toch niet helpt, laat
mij dan niet versjouwen van den éénen hoek der wereld
naar den anderen. Ik zal hier ook wel aan mijn eind komen."
Zóó bleef hij in zijn huis, sedert maanden het oogenblik
afwachtende, dat aan zijn lijden een eind zou maken.
En nu kreeg hij zoo iets in 't hoofd.
"Arme, arme duivel!" zuchte Van Velden weer, "konden
wij hem maar helpen!"
[8:]
"Wij kunnen
het," zeide zijn vrouw en veegde even haar oogen af, "als
jij mij helpt, Frits! of ten minste niet tegenwerkt."
Hij zag haar even strak aan.
"Céline!" riep hij.
"Je zegt - het, juist, ik heb dadelijk aan haar gedacht; 't was
voor haar een uitkomst en voor hem een genade."