[176:] V.
Villa "Amphitrite"
lag iets verder dan de andere villa's tusschen de duinen.
In het tuintje bloeiden de late rozen tusschen de asters en cactus-dahlia's;
om de stijlen der veranda rankte klimop en gaf met zijn witte en paarse
bloemen kleur aan het anders banale huurhuisje.
De glazen deuren openden zich wijd; onder de veranda zat freule Richmonda
en breide sokken. Half in de deur stond Vera, bleek, bijna doorschijnend
wit; haar ongewoon donker kleed maakte haar uitzicht nog doodscher en
somberder.
"Ik wilde dat de dokter kwam; hij is van morgen zoo mat, zoo moe.
Zuster zegt dat hij van nacht zeer onrustig was en niets sliep."
De freule wierp een blik naar binnen, waar de zieke lag, en fluisterde
toen:
"Ik heb mij nooit gevleid met beterschap."
Vera, in een gebaar van wanhoop, sloeg de handen ineen.
"O God! Wat zal mij dan wachten als hij sterft - om mij!"
[177:]
"Geloof je
niet, dat het om ieder ander gebeurd zou zijn? Hij wist toch niet dat
jij 't was die daar worstelde met een krankzinnige!"
"Maar 't is toch om mij, dat alles gebeurde. Dit is het geluk,
dat ik verspreid - twee mannen ongelukkig door mij!"
"Kind, kind, je overdrijft weer! Wanneer zal je toch ophouden alles
door het vergrootglas te bekijken?"
"Wanneer mijn hart zoo koud en dood zal zijn als het uwe,"
barstte zij los, en streek zich de brandende tranen snel uit de oogen.
Richmonda breide haastig eenige steken, liet er een paar vallen en merkte
toen dat haar handen beefden.
"Je bent overspannen! Hier liggen eenige brieven, breng ze naar
de bus, de wandeling zal je goeddoen."
Gehoorzaam nam het meisje haar matelot je van den standaard, zette hem
op en na nog even naar binnen te hebben gezien, liep zij door den tuin
den grooten weg op.
't Bleef doodstil onder de veranda, men kon de onvermoeide breipennen
op en neer hooren gaan.
"Richmonda?"
Zij stond op en ging naar binnen.
"Je riep mij, Ryno?"
"Ben je alleen?"
"Ja, de zuster slaapt en Vera is even uit."
"Ik hoorde je, ik deed of ik sliep. 't Doet mij plezier dat ik
je even spreken kan, zonder dat men ons stoort..."
Hij zweeg even, doodvermoeid. Zij gaf hem te drinken.
"Dank je, Richmonda! Dank je. Ik vind het zoo lief dat jij en Vera,
mijn eenige familieleden, mij zoo goed verzorgen!"
"Moeten wij dit niet? Zijn wij het niet verplicht?"
[178:]
"O, altijd
die plicht! ... Ik heb zoo weinig plichten gehad, en ik heb ze nog meest
ontloopen."
"Misschien was dat je ongeluk."
"Ik geloof het ook! Als het einde komt, dan ziet men alles anders
in. In het licht van de nieuwe zon, die daar opgaat, neemt alles geheel
andere verhoudingen aan. Ik heb mijn leven verspeeld.. ten minste mijn
jonge jaren."
"Praat zooveel niet - het vermoeit je.."
"Wat zou dat... Niets kan mij immers meer goedof kwaaddoen - mijn
dagen of liever mijn uren zijn geteld."
Hij rustte even, het hoofd achterover, de oogen gesloten.
Zacht bevochtigde zij zijn hoofd met eau de cologne.
"Je hand is zacht, je stem is rustig - O Richmonda, als wij toen
elkander hadden gevonden, als de dwaasheid van onze ouders ons niet
had gescheiden, wie weet hoe anders ons leven was geworden..."
"Ja, 't had ten minste normaal kunnen zijn," antwoordde zij
kalm, zonder eenige ontroering, met een stem, waaruit noch spijt noch
droefheid sprak.
"Je hebt gelijk, dat is 't woord, normaal, gewoon, gelukkig...
Maar nu? Ik zal je alles zeggen, Richmonda, je dochter heeft mij gered,
ik heb haar leven gered misschien, maar zij gaf mij meer: de kracht
te weerstaan aan de bekoring, want nu weet ik het - ik heb haar lief,
zooals niets ter wereld; misschien was ik te wantrouwend, durfde ik
niet genoeg... en waren wij toch wel gelukkig geweest!"
"O, zeg het haar niet, zeg het haar niet!" riep Richmonda
smeekend uit, zoo bewogen, zoo ontroerd als Ryno haar nooit te voren
had gezien. "Je zoudt haar leven bederven; ik heb haar altijd gezegd
dat
[179:]
je niets in haar
waardeerde en bewonderde dan haar; talent; maar als zij dit wist, nu
het te laat is
"
"Wees gerust, Richmonda! Ik zal haar niets zeggen. Het mocht niet
zijn. Wij zijn veroordeeld eenzaam door 't leven te gaan. 't Zij zoo!"
En na een oogenblik:
`De man - waar is hij?"
"Hij is naar een gesticht! hij leed reeds lang aan zenuw-overspanning;
het was een knap beeldhouwer, maar zijn opgewonden gestel, zijn wilde
zenuwen, beletten hem in den laatsten tijd te werken. 't Schijnt dat
Vera zijn idée fixe was, hij volgde haar in den laatsten tijd
overal."
"Ik volgde haar ook, ik heb zoo dikwijls mij door haar laten bedaren;
hem sloeg haar spel naar het hoofd, arme kerel! Zij was mijn David."
Hij sluimerde zachtjes in.
Ondertusschen kwam Vera binnen en Riçhmonda maakte een beweging
om haar te beduiden voorzichtig te zijn voor den slapende; toen keerde
zij naar de veranda terug.
Stil zette zich Vera naast hem; zij was na het vreeselijke voorval zichzelf
niet meer. Als in een droom had zij alles doorleefd - die eerste uren
in Villa "Amphitrite", waar zij met haar zuster Taakje en
het zoontje van deze logeerde. Toen haar haastig telegram aan de freule,
die onmiddellijk overkwam, de installatie van den zieke, de benauwde
uren toen zij meende dat alles gedaan was; daarna de langzame opleving,
die in kwijnenden toestand inplaats van in beterschap overging, en nu
het einde, onverbiddelijk naderend.
"Vera!" hoorde zij hem roepen.
Zij stond snel op en boog zich over hem.
"Hoe gevoelt ge je, Ryno?"
[180:]
"O zoo goed!
Zoo dankbaar, dat alles nu spoedig gedaan zal zijn, Vera! Ik geloof,
ik vertrouw ook dat nu een betere tijd voor mij zal aanbreken, zonder
strijd, zonder lijden, zonder wroeging en wanhoop.Mijn laatste jaren
heb ik getracht beter te doen zijn, mij te verzetten tegen mijn kwaal;
ik heb hard gewerkt, misschien ben ik nuttig geweest op mijn wijze,
maar ik heb gedaan wat en zooveel ik kon; ik heb gestreden, en dat ik
er kracht toe vond - ik dankte het jou, mijn lief, goed kind!"
Zij knielde voor hem neer en hij streelde zachtkens haar lokken.
"Ik ben je dankbaar, God zond mij je gave als een boodschap van
vrede en kracht, en nu mag je mijn laatste uren nog verkwikken."
Zij barstte uit:
"Ryno! 't Is om mij dat je sterft! O, vergeef mij, ik zal 't nooit
kunnen vergeten, Was ik nooit zoo dwaas geweest om dien jongen.."
"Stil, Vera! Sti! 't Is zoo niet, Maar al ware het zoo, is 't dan
niet goed zoo, leven voor leven? Je spel is mij een redding geweest,"
"Mijn spel?" herhaalde zij teleurgesteld, en toen zijn hand
aan haar lippen drukkend, fluisterde zij: "O Ryno, nu voel ik eerst
hoe weinig mijn talent, is, hoe gaarne ik het ten offer had gebracht
- aan hem dien ik liefhad."
Een straal lichtte even in zijn oogen,
"Vera!..." 't Klonk haast als een juichkreet.
Door haar bemind te worden, nu op 't laatst de bekentenis te ontvangen
van haar liefde, ze te beantwoorden met de zijne. Maar daar herinnerde
hij zich zijn belofte; zacht maakte hij zijn hand los,
"Nog een gunst, Vera! Geef mij een laatste aal
[181:]
moes. Speel voor
mij! Je weet nu wat je kunst mij geweest is."
Zij stond op, met geweld haar tranen en snikken terugdringend.
"Ik ben hem niets," schreide het in haar, "hij heeft
in mij alleen een kind gezien, neen, een instrument en meer niet! Dit
is mijn straf, dat ik geen liefde kon of wilde geven, zelfs mijn vader
niet!"
Zij nam haar viool en speelde, en hij luisterde; groote tranen rolden
over zijn wangen, terwijl hij daar met de armen over de borst gekruist
nederlag.
Hij verstond alles wat zij hem zei de, haar smart, haar liefde, haar
verloren illusie; hij voelde hoe zij hongerde naar geluk, naar samengedragen
leed en vreugde, naar steun en troost; hij leed en bad met haar mede.
Nu verstonden zich hunne zielen, beter nog dan door woorden. Hij wist
nu waar voor hem en voor haar het geluk was geweest - hij had het verzuimd...
Hij had haar het leven gered - maar zou het nog waarde voor haar hebben?
Alleen wanneer zij niet wist wat hem het afscheid van het leven zoo
zwaar maakte, dan misschien; en onder de veranda zat ook Richmonda,
met gebogen hoofd, en luisterde naar de tonen, opwellend uit het diepst
van Vera's ziel.
Ook haar brachten zij een boodschap, die zij eindelijk, eindelijk begon
te verstaan, een boodschap van teederheid en verzoening, van onderwerping
en berusting na zwaren, bloedigen strijd - van moederliefde.