[169:] IV.
Vera zat in haar
badstoel op het Scheveningsche strand. Den vorigen avond had zij een
schitterend succes behaald in het Kurhaus; meer dan ooit had zij zich
gegeven, kracht was van haar uitgegaan en zij voelde zich nog moede
en mat. Zij had niet kunnen slapen en nu liet zij het gedruisch en gewoel
der badplaats langs haar heen gaan en leunde achterover, de oogen gesloten,
de handen op den schoot neergevallen.
Het klotsen der golven was het eenige geluid dat zij hoorde, zelfs haar
melodieën, haar stemmen zwegen nu. Het was vroeg in den morgen
en Vanity fair nog niet begonnen. Kinderen speelden bij de zee, de vloed
ebde langzaam weg, hier en daar plasjes achterlatend tusschen het zand.
Een paar dames kwamen nader, en na eenig beraadslagen zetten zij zich
in het zand naast Vera's stoel. Zij spraken over allerlei en zij luisterde
niet, totdat haar aandacht getrokken werd door meer bekende woorden;
"Kurhaus, Concert, Colbli."
"Wat 'n snoes, vond je niet," zei er een, "en zoo elegant!
Heb je haar voetjes gezien?"
[170:]
"Haar handen
dan, ik heb naar niets anders gezien dan haar handen. Jacques zei ook,
dat hij al haar spel er aan gaf, alleen maar als hij naar die mooie
armen en handen mocht kijken."
"O, Jacques is gewoon doodelijk van haar, zooals alle jongelui.
Maar zij moet zeer geretireerd zijn; zij beantwoordt geen brief, draagt
nooit iemands bloemen."
"Wie zij is? Ze zeggen de dochter van een aartshertog of van een
romeinschen prins, daar wil ik af zijn. Zij heeft uit liefde voor de
kunst van al haar rechten afstand gedaan."
"Kom, wie gelooft dat nu? 't Publiek amuseeren, 't is me wat prettigs!
Ik kan me voorstellen dat je het doet om geld of uit plezier, maar om
de eer - ze moest eens weten hoe weinig de menschen eigenlijk naar haar
luisteren. De meesten adoreeren haar zoo, alleen omdat zij een lieve,
gracieuse verschijning is."
"Dat moet je niet zeggen! Ze speelt prachtig."
"Dat weet ik niet. Ik had wel wat anders te doen dan er naar te
luisteren. We hadden zoo'n typisch plekje gevonden, Charley en ik, daar
kon je zoo leuk samen praten, zonder dat de muziek je hinderde."
"En heb je gepraat terwijl Colbri speelde? Hoe durfde je? En het
nog te bekennen!"
"Nu ja, ik ben oprecht; ik zou ze niet kunnen tellen die evenals
ik. niets gevat hebben van haar muziek; maar natuurlijk, die bekennen
het niet. Die applaudisseeren 't hardste en roepen: goddelijk mooi!
eenig! Vraag hun wat ze gehoord hebben! Colbri heeft het voorrecht dat
ze mooi is, - de andere juffrouw, die van de week zong, was foei leelijk.
Wie heeft bij haar genoten? Toch ging ze ook door voor een ster."
[171:]
"Heb je dat
jongmensch gezien, op een van de fauteuils? Ze zeggen dat die haar overal
volgt."
"Neen, dat is hij niet; 't is die mijnheer daar, heel achteraan,
vertellen ze, met zoo'n bleek, lijdend gezicht. Die reist haar overal
na en spreekt nooit met haar. Misschien kent zij hem niet eens."
"Nu ja, maar dat jongmensch met zijn interessanten kop is ook zeker
een adorateur van haar. Je hadt moeten zien hoe hij luisterde of ten
minste haar intens aankeek."
"Ik kon mijn nieuwe blouse ook wel garneeren zooals haar corsage,
vind je niet?"
"Wat heb je genomen, crêpe de chine?"
't Gesprek verliep in allerlei praatjes over toilet en kennissen, en
Vera stond langzaam op om heen te gaan; zij zorgde dat de meisjes haar
niet opmerkten.
Langzaam ging zij het strand langs naar haar kleine villa in het Belgische
park terug.
Zij voelde zich nog matter en moedeloozer dan zooeven. Zou het dan waar
zijn dat roem niets is dan een zeepbel, dan de grafsteen van vrouwengeluk?
Maar zij zocht immers geen roem; zij wilde niets anders dan der wereld
geluk, vreugde geven door haar talent, en nu hoorde zij van deze onbeduidende
schepsels hoe weinig men haar begreep, hoe weinig zij van haar ontvingen.
Eenige enkelen luisterden met genot naar haar, maar dadelijk was de
indruk weer vergeten. "Zij speelt snoezig, lief!" werd er
gezegd, en waar bleef haar invloed, waar haar roeping?
Hoogere gedachten, schooner idealen, edele gevoelens in haar gehoor
wakker roepen, ach, kon ze dat! Was het niet beter zooals freule Richmonda,
zich maar aan het practische, het uiterlijke te
[172:]
wijden, op deze
manier den armen wel te doen?
Zou het niet 't beste zijn als zij zich bij haar aansloot en haar hielp
sokken te breien, plannen te maken voor heide-ontginning, voor het bouwen
van arbeiderswoningen en het stichten van landbouwkoloniën, of,
zou ze in kleiner kring trachten geluk te stichten? Neen, zij kon het
niet. Zij was niets zonder haar viool. Waarom was haar die zeldzame
gave geschonken, als zij die niet gebruiken wilde?
Zoo ging zij langzaam voort, de oogen neergeslagen, verdiept in haar
gedachten, en schrikte op toen zij naast zich haar naam hoorde noemen.
"Vera."
Een hand had zich op haar arm gelegd, en meer geschrikt dan verontwaardigd
keek zij om; die haar zoo durfde aanhouden was een jongmensch met wilde
oogen, bleek, verward in kleeding en uiterlijk.
"Max!" riep zij ontzet, "wat scheelt je?"
"Wat mij scheelt? Niets, niets dan jou! O, Vera. ik kan het niet
langer dragen! De victoria staat daar en wacht ons - kom, stap in, dan
rijden wij heen -; dan - dan worden wij man en vrouw, wij zijn beiden
beroemd, wat belet je mij te volgen? 't Was toch afgesproken!"
"Max! Je vergeet waar je bent, met wie je spreekt. Ik heb je niets
beloofd. Ga nu heen!"
Zij rilde, duidelijk las zij waanzin in zijn oogen en hoorde dien in
zijn stem.
"Neen, neen! Ik ga niet heen, ik blijf bij je, waar je ook gaat.
Zooveel jaren heb ik gewerkt voor dit loon, en nu ontzeg je het mij.
Gisteravond heb ik je hooren spelen en het maakte mij dol, jou daar
te zien terwijl ieder over je spreekt en ieder je bewon
[173:]
dert en prijst en,
en - dingen zegt die, die - o, ik had ze kunnen doodslaan."
Zijn stem ging in krijschen over. Vera keek angstig rond of niemand
hen volgde, maar zij stonden alleen op eenigen afstand van de badstoelen.
"Je moet met mij mede, je moet!" ging hij voort, haar polsen
als in een schroef omknellend; "kom je, je moet, je moet! Daarvoor
heb ik gewerkt, armoe en gebrek geleden al die jaren lang, alleen omdat
ik de Colibri wilde vangen, en nu, nu ontsnapt zij mij toch! Je hebt
gisteren gespeeld van den Erlkönig, je hebt mij geroepen, ik hoorde
het duidelijk, en nu volg ik je, ik laat je niet alleen, hoor je dat!"
Zij rukte zich eindelijk los uit zijn omklemming en vluchtte weg, maar
hij had haar in een oogenblik ingehaald.
"Goedschiks of kwaadschiks! Je zult mij volgen," brulde hij,
en haalde haar in; zijn arm greep haar om het middel, zijn andere hand
wierp haar den hoed van het hoofd en boog haar achterover, tegen hem
aan; hij wilde haar optillen, en toen zij om hulp begon te roepen, drukte
hij haar met kracht tegen zijn schouder.
Eenige badgasten zagen het aan en snelden toe; hij vluchtte den kant
van de duinen op, met het meisje in de armen; beider hoeden waren door
de worsteling in het zand gevallen. Men zette hun na, maar de afstand
bleef tusschen haar en hen, die tot redding toeschoten, nog al te groot.
"'t Is een gek !" riepen zij, "houdt hem!"
"Man en vrouw, die twist hadden!"
"Neen, 't is juffrouw Colbri, de violiste!"
Wat er toen gebeurde, kon men niet goed zien, maar het scheen dat van
uit het Oranjehotel iemand
[174:]
het geheele tooneel
had aangezien; hij trad de twee in den weg en een oogenblik later zag
men de mannen tegenover elkander staan; de waanzinnige werd gedwongen
zijn last te laten ontglippen.
Toen nog een worsteling - daar ging een schot af, rook omhulde het geheele
tooneel, alles vloog naar de plek en vond daar Signora Colbri, neergeknield
voor hem, die haar had willen redden en nu bebloed in het zand was gestort.
Max was weggevlucht en stond op een der duinen, zwaaiend met zijn armen
en onverstaanbare klanken uitgillend.
"Hij is gewond, brengt hem naar Villa "Amphitrite", hij
is mijn bloed-verwant..." stamelde Vera.
Zij was doodsbleek maar toch geheel zich zelf meester; haar lippen alleen
trilden en haar handen droegen nog de sporen van het geweld daaraan
gepleegd.
"En u zelf dan?"
"Mij deert niets. De schrik alleen. Die man is krankzinnig; maakt
hem onschadelijk; maar deze is bewusteloos - o God, misschien dood!"
Een dokter, die zich onder het snel toestroomend publiek bevond, knielde
neer bij den gewonde en onderzocht zijn wond; de kogel was hem door
den schouder gegaan.
"Hij leeft nog, maar overbrenging naar een ziekenhuis is noodzakelijk.
U weet zijn naam?"
"Jonkheer De Mouchy," antwoordde Vera, nog altijd sidderend
en zich met moeite ophoudend. Angstig zag zij telkens naar boven, waar
Max zich nog steeds als een dolle gedroeg.
Dames namen haar onder hun zorg en zij liet zich gedwee door haar medenemen.
"Naar Villa "Amphitrite"!" smeekte zij, "daar
moet
[175:]
hij verpleegd worden.
O God, alles om mij en ik heb mij toch niets te verwijten."
Zij sloot de oogen en liep met moeite den korten weg die haar van het
hotel scheidde, waar men haar trachtte bij te brengen, terwijl daar
beneden de gewonde vervoerd werd en men den moordenaar trachtte meester
te worden.