[182:] VI.
Moeder en dochter
waren alleen in de groote hal van Westringa. Freule Richmonda schreef
druk; Vera lag op het haardkleedje, de oogen in het vroolijke vuur starend.
Beiden waren somber gekleed, en het flauwe winterlicht liet slechts
schemeringen naar binnen dringen; buiten woedde de storm, de sneeuw
joeg tegen de ruiten en zware, dikke wolken pakten zich boven het huis
te zamen.
"Kind," vroeg de freule, "verveelt het je hier?"
Zij schudde het hoofd.
"Neen moeder, laat mij hier blijven. Ik schrik nog terug voor de
wereld, mijn ziel is nog zoo pijnlijk, ik hoor niets dan doodenmarschen
en treurzangen; later misschien, later zal ik moed hebben mijn weg te
vervolgen - nu kan ik het nog niet."
"Hier is ook je plaats," fluisterde haar moeder.
"Blijf hier zoolang je wilt en kunt. Je boeit hier geen vreemden
meer door je spel, maar je doet mij zoo goed, je bent mij zooveel!"
't Was of een ander sprak dan de freule met haar
[183:]
besliste spraak,
haar zakelijk optreden van vroeger; week klonk nu haar stem, of er tranen
in lagen.
Vera schoof een weinig vooruit, totdat zij aan de voeten harer moeder
zat; met een beweging van liefkoozing legde zij haar hoofd op Richmonda's
schoot en fluisterde:
"Moeder, zoo is het goed, laten wij elkanders leven licht maken.
Ik zal u helpen in uw werk, en ik zal u geven wat ik kan van mijn talent,
het beste wat in mij is. Dan nog vervul ik een mooie roeping; maar och!
tracht mij lief te hebben. Ik dorst zoo naar liefde."
En Richmonda boog zich over haar en kuste haar lang en innig, zooals
zij zeker in jaren niemand ooit kuste.
"Mijn kind, mijn lieveling! Hoe zal ik God genoeg danken dat Hij
je mij geschonken heeft en nu ook eindelijk Zijn gave leerde waardeeren.
Ik zocht het geluk en de voldoening op allerlei zijpaden en ik zag niet
hoe heerlijk het voor mij opbloeide - zoo dichtbij."