[145:] D E R D E G E D E E L T E.
[147:] I.
Freule Richmonda
ging met Colibri op reis. Na den dood van haar vader, dien Vera heftig
betreurde, was zij weer op Westringen teruggekeerd en reikte een brief
van den doode over aan haar, die zoo kort zijn vrouw was geweest.
Welken indruk deze brief op de freule gemaakt had kon het meisje niet
nagaan; zij had hem, natuurlijk alleen zijnde, gelezen, en toen Vera
haar eenige uren later weer aan tafel zag, verried niets, noch aan haar
uiterlijk noch aan haar woorden of bewegingen, dat hij eenigen indruk
had gemaakt.
Zij vroeg het meisje geen bijzonderheden naar de laatste oogenblikken
van den dood van Dirksma; zij had haar gecondoleerd zooals zij het juffrouw
Greivers in zoo'n geval zou hebben gedaan en verder bleef zij even koud
en op een afstand en veinsde Vera's bleek gelaat en roode oogen niet
te zien.
Vera stikte haast van aandoening en benauwdheid; zij had er behoefte
aan haar hart uit te storten, en zoodra zij kon, wandelde zij het Park
in, naar den
[148:]
kant van Joujou;
maar het paviljoen zag er leeg en ontruimd uit. De meubels waren weg
en de blinden halfgesloten; door de gordijnlooze ramen kon zij een blik
werpen in de leege kamers met niets anders op den vloer dan stukken
pakpapier, oude couranten, stukken tapijt.
Bitter schreiend viel Colibri op de trappen van het bordes neer; alles
ontviel haar nu ook. Bij haar stiefmoeder en zusters voelde zij zich
niet meer thuis, haar eigen moeder behandelde haar erger dan een vreemde,
haar vader had zij niet eens meer mogen spreken, hij had haar de hand
gedrukt en in zijn oogen lag een dringende bede, die zij niet verstond;
hij was heengegaan zonder een laatsten groet, zonder een laatste vermaning,
en haar vriend, wien zij zoo gaarne haar geheele vertrouwen had gegeven,
was vertrokken ook zonder een groet, zonder vaarwel! Alles om haar heen
bleef stom en dood.
Zij kwam thuis, moe, koud, moedeloos; alles was haar onverschillig,
zij had de kracht niet opnieuw haar leven op te nemen en voort te gaan
- zij wist niet waarheen - als een blinde geleid door haar moeder, wie
zij niets durfde vragen.
"Is mijnheer De Mouchy vertrokken?" vroeg zij juffrouw Greivers.
"Joujou ziet er zoo verlaten uit."
"'t Moet tegen het voorjaar worden afgebroken, dat heb ik gehoord
ten minste," zei juffrouw Greivers, zonder van haar naaiwerk op
te zien.
"En waar is mijnheer naar toe?"
"Hoe kan ik dat weten? Ik denk naar zijn huis in Brussel of Parijs;
misschien is hij ook weer naar Afrika of de Noordpool."
Juist kwam Richmonda binnen.
"Juffrouw Greivers en u ook, Vera, kom ik verzoeken
[149:]
uw koffers van
avond in te pakken. Wij gaan morgen op reis."
Beiden zagen haar verbaasd aan, maar geen durfden te vragen: Waarheen?
Eindelijk waagde het juffrouw Greivers:
"Voor lang?"
"Voor onbepaalden tijd."
"Ja maar, ik ben er niet op voorbereid, mijn kleeren..."
"Dat doet er niets toe! Wij reizen naar geen wildernis. Waar wij
heengaan, zullen wij kleeren in overvloed kunnen koopen als het noodig
is."
Zij waren 't eerst gegaan naar Parijs; de nieuwe indrukken, de schittering
der wereldstad, het ongewone leven in treinen, hotels, restaurants,
hadden weldra Colibri nieuwen levensmoed en nieuwe levenskracht geschonken.
Maar wat haar eensklaps al het oude van zich liet afschudden als een
versleten kleed, was het bezoek door de freule en haar gebracht aan
een professor van het conservatoire. Als gewoonlijk had Richmonda niets
vooruit gezegd van haar plannen en het was dus onvoorbereid dat de beroemde
man Vera een viool in de handen gaf; maar nauwelijks had zij het instrument
in handen, of de bezieling kwam over haar en zij speelde zoo, dat de
professor haar hand kuste en verklaarde dat slechts weinige lessen van
techniek voldoende waren om van haar een kunstenares van den eersten
rang te maken.
Richmonda luisterde met een gelaat, waarop angst en vrees geteekend
stonden.
Colibri zag haar smeekend aan, maar zij sprak niets; zij moest eerst
nadenken, en den volgenden morgen pas gaf zij in afgemeten termen, kort
als altijd, haar beslissing aan.
[150:]
Zij moest terugkeeren
naar Holland, maar wilde juffrouw Greivers met Vera achterlaten in Parijs;
er moest een goed pension voor haar beiden gezocht worden, en toen zij
geslaagd was, regelde zij alles voor de lessen, zocht een andere huishoudster
voor zichzelf en hernam haar oude leven weer op Westringen, waar door
de afbraak van Joujou nieuwe bezigheden haar wachtten.
Er gingen drie jaren voorbij. Reeds dikwijls was Vera in kleine gezelschappen
opgetreden, overal haar toehoorders in verrukking brengend. Haar vacantiën
had zij in Westringen doorgebracht, met uitzondering van eenige dagen,
die zij aan haar stiefmoeder en zusters wijdde.
Mevrouw de weduwe Dirksma bevond zich nu, dank de hulp van freule Richmonda,
in zeer goeden doen.
Zij kreeg van haar een voldoend jaargeld. Taakje stond op het trouwen
met haar Obbe, voor wien de freule een apotheek had gekocht, en Jetske
woonde met moeder in een friesche stad van den tweeden rang, waar zij
een atelier had opgezet.
In Amsterdam zou zij misschien moeite hebben gehad in de klanten te
komen, want zij had geen bijzonderen smaak en begrip van chic, maar
in deze eenigszins stijve omgeving verwierf zij spoedig reputatie om
haar degelijk, sekuur werken, ook om haar betrekkelijk elegante coupe,
en kreeg weldra flinke klandizie.
Vera was haar eigen moeder in al die jaren nog niets nader gekomen;
steeds bleef de freule op denzelfden afstand. Zij vroeg weinig of niets
naar haar studiën en bleef alleen door correspondentie met Vera's
leeraren op de hoogte.
Nu eerst kwam het meisje tot volle ontwikkeling;
[151:]
het was haar talent
niet alleen, maar haar geheele persoonlijkheid, die zich heerlijk ontplooide.
Alles wat achter haar lag, scheen een droom, die haar soms onaangename
of zoete herinneringen gaf, maar verder geen invloed uitoefende op haar
denken en doen van heden.
Eén ding bestond slechts voor haar: haar kunst.
Als zij de viool in de hand hield en de macht voelde, haar gegeven op
de zielen harer toehoorders, dan werd zij geheel en al zichzelf, dan
kon zij zich geven, dan kon zij haar ziel verlossen uit alle banden,
dan dacht zij er niet meer aan hoe eenzaam, hoe liefdeloos haar leven
eigenlijk was - zonder vader, zonder moeder of zusters, zelfs zonder
vriendin, want Vera kon zich niet met haar mede-leerlingen, artistieke
Parisiennes met wat al te vrije opvatting van het leven, vereenigen.
Zij kwam hier voor de muziek; muziek alleen, daar dorstte haar ziel
naar, die vervulde haar geheel, dat was de koningin die zij diende en
die haar beheerschte, en slechts in enkele oogenblikken van gedwongen
rust kwam in haar een smachtend verlangen naar haar vaders goedkeurenden
kus, naar zijn woord van bewondering en waardeering.
Hoe zou hij nu haar spel vinden, nu het geen wildzang meer was, maar
de hoogste uiting van kunst?
En bijna onmiddellijk dacht zij dan aan Ryno de Mouchy. Waarom was hij
zoo plotseling uit haar leven verdwenen? Zóó had niemand
nog geluisterd naar haar spel, zóó dankbaar was niemand
haar ooit geweest. En zij dacht terug aan dien morgen in het bosch,
waarvan de weemoedig zoete herinnering plotselIng was weggevaagd door
de pijnlijke herinneringen aan vaders ziekte en dood. Waarom was hij
toen
[152:]
heengegaan zonder
een groet, zonder een woord van deelneming?
En hoe verder Vera steeg in roem, hoe meer zij, nu zij niet meer kon
spelen voor haar vader, verlangde, dat hij haar eens hooren mocht. Zij
wilde voor hem zoo goed, zoo rijk mogelijk haar ziel uitstorten; zijn
blik van innige, van dankbare vreugde zou haar meer waard zijn dan die
van een geheel publiek.
Het verleden bestond nog slechts vaag voor haar; alleen deze ééne
schakel reikte over het tegenwoordige naar de toekomst.
Zij had spoedig slechts één doel, nadat deze gedachte
zich bij haar had vastgezet: haar nieuwe kunst weer beproeven op hem,
die haar voor 't eerst had doen vermoeden hoe groot de gave was, haar
geschonken.
Maar waar was hij? Leefde hij nog of was hij gestorven?
Niemand kon haar antwoord geven; juffrouw Greivers wist het niet en
gaf er ook niets om het te weten.
Freule Richmonda, wie zij na lang aarzelen en tongbijten er naar vroeg,
antwoordde onverschillig dat zij het niet precies wist. Hij was weer
op reis gegaan, maar of het was naar Japan of naar Canada had zij vergeten.
Maar toch bleef in haar de hoop leven, dat eens het oogenblik komen
zou, om opnieuw haar toovermacht uit te oefenen op zijn gecompliceerde
ziel.