[136:] X.
Het was doodsch,
stil, uitgestorven in de groote bal; alleen in het studeergedeelte was
de groote schemerlamp, met zalmkleurige kap, opgestoken en wierp mysterieus
licht over den lessenaar en over de freule, die daar op haar hoogen
gebeeldhouwden stoel zat, doodsbleek in haar donkerste toilet, de handen
wit en gevoelloos in den schoot gevouwen. Tegenover haar had zij Ryno
gewenkt plaats te nemen en hij wachtte af, wat zij zeggen zou.
Eindelijk begon zij met kleurlooze, bleeke stem:
"Vera's vader is een uur na haar aankomst overleden."
"Heeft zij u getelegrafeerd?"
Zij reikte hem het telegram over en hij sprak, om iets te zeggen:
"Arm kind! Zij heeft immers nog maar een stiefmoeder?"
"Heeft zij u dat gezegd?"
"Misschien - ik verbeeld het mij zoo - eigenlijk weet ik het niet!"
Zij zweeg een oogenblik en sprak toen als tot zichzelf:
[137:]
"'t Zou mij
veel waard zijn te weten wat zij over haar eigenaardigen familietoestand
vermoedt of weet."
Hij bleef haar weer afwachtend aanzien; toen zag zij hem strak, in het
gezicht en zeide kort en beslist:
"En ik ben weduwe geworden!"
Zij verwachtte een uitroep of ten minste een gebaar van verbazing, maar
Ryno bleef onbeweeglijk en zijn gelaat vertrok zich niet, terwijl hij
antwoordde zonder eenige ontroering:
"Ik vermoedde het!"
"Wat vermoedde je?"
Als een albasten vaas, waarin men een licht ontsteekt, kleurde zich
haar gelaat zachtrood en glansden haar oogen.
"Dat Vera uw dochter was!"
"En haar vader mijn man?"
"Ik hoor het nu en 't verwondert mij niets, als ik alle omstandigheden
samenvat."
"Wij zijn toen gevlucht naar Engeland; iedereen dacht dat ik er
op een pensionaat was. Ik was nog zoo bitter jong, zijn viool had mij
bekoord; daarom haat ik muziek, en vooral haar muziek."
Hij luisterde gespannen.
"Wij zijn daar getrouwd, zoo maar in een Registry, ik onder een
valschen naam, zonder te onderzoeken of dit huwelijk wettig was in Holland
of niet - arme kinderen die wij waren. Ik had geld meegenomen, wat mij
nog toekwam van moeders erfdeel. Zoolang wij 't hadden, waren wij tamelijk
gelukkig, maar toen kwam de ontgoocheling: Vera's geboorte en het voorstel
van vader alles als ongedaan te beschouwen, mits ik mijn man en ons
kind verliet."
"Schande!" riep hij vol verontwaardiging.
"Ik was arm en verbitterd, en de stem van het
[138:]
bloed sprak niet
in mijn kinderachtige, romaneske liefde; maar toch, ik heb niet gekozen.
Tom verliet mij met het kind en toen keerde ik naar vader terug. Later
is Dirksma hertrouwd. Ik heb mij beschouwd als aan hem verbonden tot
vandaag, nu God zelf den band verbreekt."
"En ge hebt hem verlaten!"
"Ik hoorde niets meer van hem. Ik heb getracht dat jaar van mijn
leven te vergeten, totdat hij liet vorige jaar onverwacht verscheen
en mij de zorg voor ons kind opdroeg. Ik voelde dat het mijn plicht
was haar te onttrekken aan die omgeving, en daarom heb ik ze hier gebracht."
"En haar behandeld als een loontrekkende, een kind waarop een koningin
jaloersch kan zijn!"
Zij haalde de schouders op in gemaakte onverschilligheid, maar Ryno
merkte op hoe haar wenkbrauwen zich fronsten en hoe haar stem verdacht
trilde.
"Ik kon, ik mocht niet anders, na die eerste, groote trouweloosheid
aan eigen plicht. 't Was in haar belang vooral."
"Maar nu verandert alles!"
"Ik weet niet hoe hij de zaak geregeld heeft, aan wie hij haar
toevertrouwde. Een stiefmoeder mag geen voogdes zijn, dus in geen geval
aan die vrouw. Dirksma sukkelde al lang; hij leed aan bloedspuwingen.
In zoo iets is hij zeker gebleven..."
Het was of in die sombere ruimte een dubbele schaduw van dood hing,
van Tom Dirksma en van haar doode liefde.
Ryno huiverde. Welk verschil voor Vera en haar zonnigen levenslust,
haar dartelheid van jonge godin van dezen morgen - nu zat zij te weenen
in een sombere Amsterdamsche sterfkamer inplaats van te
[139:]
juichen in de lentevreugde
- en hier sprak haar moeder koud en onverschillig over den geliefde
en de liefde van haar jeugd.
Die atmosfeer van koude en trots, dat verschil tusschen zon en dood,
wierp zich met geweld op zijn ziel, en nog vóórdat hij
zich beheerschen kon, liet hij het hoofd op zijn handen vallen en barstte
in snikken los.
"Ryno," riep zij verschrikt, een weinig uit haar russtende
houding oprijzend, "wat scheelt er aan? Je doet mij schrikken."
't Duurde eenige oogenblikken vóór hij zijn aandoening
genoeg meester wvas om te antwoorden.
"Niets, niets, laat mij begaan! 't Kwam zoo plotseling over mij,
zonder dat ik er iets aan doen kon. 't Is zoo diep treurig wat wij van
ons leven hebben gemaakt, Richmonda, 't hlad zoo anders kunnen zijn,
als, als..."
"Je hoeft niet om mij te schreien," zeide zij bijna spottend,
"ik doe het ook niet."
"En dat vind ik juist zoo bitter treurig, dat een gevoel zoo sterven
kan. als dat, waaraan jij je leven en dat van nog twee anderen ten offer
bracht."
"'t Is voorbij, 't is dood."
Maar tegelijk was het of zij Tom hoorde:
"Neen, liet verleden is niet dood. Het leeft op tusschen ons, vol
kracht en schoonheid!"
"Ik zal alles voor Vera doen, wat mijn plicht is," ging zij
voort, "en daarom juist wilde ik je spreken."
Hij was geheel weer zichzelf geworden, alleen trilden zijn neusvleugels
en zijn handen nog.
"Ik luister, want ik stel veel, heel veel belang in haar."
"Dat weet ik, dat heb ik reeds lang geraden. Maar van welken aard
is die belangstelling?"
[140:]
Hij stond op en
liep eenige keeren op en neer; toen antwoordde hij vastbesloten:
"Ik zou niets liever willen dan je in plaats van de hand van de
moeder, die je mij eens niet in de gelegenheid stelde te vragen, die
te vragen van de dochter, maar ik mag niet."
"Wie wil het dan niet?"
"Ik zelf, het zou een misdaad zijn als ik haar frissche jeugd,
haar heerlijke onschuld en groot talent verbond aan mijn ellende..."
Zij zag hem ademloos, bijna angstig aan.
"Ik ben morphinist!" zeide hij.
"O," riep zij vol afschuw, met de handen hem afwerend, "maar
dat is schrikkelijk! En je wilt, je kunt je niet overwinnen, je niet
beteren?"
"Sedert ik haar dien morgen ontmoette in het bosch, haar zang hoorde,
heb ik geen enkelen keer mij schuldig gemaakt aan mijn hartstocht, maar
vandaag ben ik er weer in vervallen, dat is mijn zwakheid, mijn ellende!"
"En hoe ben je er toe gekomen?"
"Van jongsaf leed ik aan vlagen van melancholie; er zijn dagen
dat niets mij daaraan onttrekken kan, dat ik vervolgd word door de zucht
tot zelfmoord. Om dien duivel van spleen te ontgaan, heb ik emoties
gezocht, reisde ik de wereld door, heb ik in kloosters den vrede gezocht,
heb ik gewerkt als gewoon werkman, mij verkleed als bedelaar; als detective,
heb ik het avontuurlijkste leven geleid dat maar mogelijk was. Zoodra
het een poos geduurd had en de opwinding der nieuwigheid verdween, verviel
ik weer in die buien van hopeloosheid. Toen heb ik in China voor 't
eerst de verboden vrucht gegeten en na dien tijd was ik verloren; eerst
gebruikte ik het spuitje
[141:]
alleen in oogenblikken
van vertwijfeling, later werd het mijn dagelijksche behoefte. Om ongestoord
mij daaraan over te geven, vluchtte ik soms hierheen als de bekoring
te onweerstaanbaar werd, en nog vóór ik mij de eerste
inspuiting had gegeven, ontmoette ik Vera, en toen was mijn besluit
genomen. Ik wilde hier blijven, van haar spel genieten, dat op mij werkt
als de harp van David op Saul; en nu weet je ook waarom ik je Joujou
heb gegeven."
Zij had onbeweeglijk geluisterd met iets als medelijden in de metaalkoude
oogen.
"Nu begin ik alles te begrijpen. Maar wat zijn je plannen?"
"Heengaan nog vóórdat zij terug is - ik hoop vóórdat
het al te laat is
Of ik haar hart heb gewonnen, weet ik niet,
maar haar verbeelding is reeds getroffen. Hoe minder zij mij ziet en
hoort, hoe beter, want ik mag niet blijven; vind je ook niet, Richmonda,
je durft immers je kind niet aan mij vertrouwen?"
"Ten minste, als je zelf niet durft!"
"O, neen! Ik ben zoo bang dat de verzoeking, die wegvlucht als
zij bij mij is, wanneer zij voor mij speelt, zal terugkeeren als ik
haar altijd bij mij heb, en is 't dan geen misdaad haar te hebben misleid,
kan dan al mijn geld goedmaken, wat ik aan haar zondigde?"
Nu sprongen eindelijk de tranen in Richmonda's oogen, er was iets in
haar gesmolten. Zij reikte hem de hand en zeide:
"Je doet goed, Ryno, Ik dank je in naam van mijn kind."
Hij rilde onder haar blik en wendde de oogen af; hij verdiende haar
lof niet en herinnerde zich het tooneel van dezen morgen uit het bosch,
toen hij te
[142:]
ver was gegaan,
te ver misschien om zich nog te kunnen terugtrekken.
"Ja, 't is goed gedaan; als ik het moet rekenen aan de pijn die
ik er van voel, dan is het heel goed. Sedert van morgen was het ondraaglijk
wat ik leed; mijn geheele ziel dorst naar haar. Ik zou het liefst haar
in mijn armen willen nemen, haar wegdragen ver van hier, haar altijd
zien en niets anders dan haar, alleen voor haar leven, haar alles geven
wat zij wenscht. Maar wat zou het baten? het einde van alles is toch
bittere ontgoocheling, onherstelbare ellende! En nu weet je, Richmonda,
waarom ik zoo even in tranen uitbarstte om jou ongeluk en om het mijne."
Haar stem klonk nu hopeloos treurig.
"Ik kan je niet troosten en raden, Ryno! Ik geloof ook, dat zij
op het oogenblik innig van je houdt of het zich verbeeldt ten minste,
dit komt op hetzelfde neer wanneer men achttien jaar is. Later weet
men eerst, en dan is het te laat!"
"Onherstelbaar te laat!"
"Dus Ryno, dat weet ik: Van u heeft Vera's toekomst niets te wachten.
Maar wat moet ik nu doen?"
"Laat haar het geluk zoeken in datgene wat niet voorbijgaat, in
de gave die God haar schonk, in haar kunst."
"En ik moet haar die laten ontwikkelen?"
"Ja, dat is voor 't oogenblik je eerste plicht."
Zij haalde diep adem.
"'t Is een zwaar offer!"
"Wees blijde dat je het haar brengen kunt, dat je iets moogt doen
voor haar geluk. Ik kan niets, ik moet toezien en mijzelf zeggen dat
hoe minder zij mij ontmoet, hoe beter het is voor haar."
Zij stond op en zeide op haar toon van jong meisje,
[143:]
die hem even deed
opschrikken en zoo geheel verschilde van haar aangeleerde stem vol zakelijkheid
en energie:
"Ik dank je, Ryno. Je wijst mij den weg. Ik zal dien volgen. God
zegen je en geve je sterkte! Misschien kan je het nog overwinnen door
Zijn hulp."
Hij schudde treurig het hoofd.
"Ik twijfel aan mijzelf, en daarom is er geen redding mogelijk!
Vaarwel, Richmonda, wij zien mekaar misschien nooit weer! Als je wist
hoe ik je je levenstaak benijd!"
En zoo scheidden zij.