[124:] VIII.
Het verkeer tusschen
Westringen en Joujou werd na dezen avond veel drukker; Ryno kwam bijna
alle middagen en avonden op het huis, en als het dan gebeurde, dat de
freule uit was, hetzij naar Heide-oord, hetzij naar de naaste stad,
dan speelde Vera voor hem op de viool, die hij haar nu voorgoed had
gebracht.
De freule stond het oogluikend toe, maar zij had juffrouw Greivers opgedragen
nooit te ontbreken als die twee bij elkander waren. Er viel echter niets
op te merken; zij spraken haast niets met elkander, zeide zij haar meesteres.
Van een taal, die uit iets anders dan woorden bestond, had het goede
mensch geen begrip; van de tweespraak tusschen het spel van het meisje
en den blik van den aandachtig luisterenden man vermoedde zij niet,
terwijl zij rustig over haar naaiwerk gebogen zat.
Als Vera met gloeiende wangen en schitterende oogen eindigde, dan kwam
hij naar haar toe, vroeg iets over muziek of een componist en drukte
intusschen haar handen warm in de zijne, en fluisterde haar toe:
"Mijn weldoenster, hoe kan ik je danken!"
[125:]
Zij begreep niet
in hoeverre zij hem weldeed en waarom; maar het vervulde haar met trots
en voldoening, te weten dat hij haar dankbaar was, dat zij op een man,
die zooveel van de wereld had gezien en genoten, zulk een invloed had.
Hij kwam gewoonlijk binnen, bleek, vermoeid, met holle oogen; maar nauwelijks
begon zij voor hem te spelen of de slappe trekken spanden zich weer,
er kwam leven in zijn blik, rust om zijn mond; hij leunde achterover
en scheen de betoovering te ondergaan van haar tooverviool.
's Avonds, als de freule thuis was, kwam hij vertellen van zijn reizen
en zwerftochten; meest bracht hij boeken en plaatwerken mee, die hij
Evert had laten halen uit zijn kwartier in Brussel, en die hij aan de
dames uitlegde.
Of de freule op deze afwisseling gesteld was, bleek uit niets; zij noodigde
hem niet te komen, maar stiet hem ook niet terug.
Vera leefde geheel op; dat was het juist waarnaar zij in de benauwde
omgeving van moeke Dirksma zoo dikwijls had gezucht; te weten wat de
wereld voor moois en heerlijks bevatte, wat de menschen er in deden,
wat men moest doen om gerekend te worden onder de meest ontwikkelden.
Haar opvoeding was hoogst eenvoudig geweest, zij kende niet dan wat
men op de lagere school leert, geen vreemde talen, zelfs geen Fransch;
haar vader had er niet aan gedacht haar meer te laten leeren dan haar
zusters, en Moeke zou het als een groote on billijkheid hebben beschouwd
als het vreemde vogeltje meer voorrechten genoot dan haar eigen dochters.
In haar gewilde onverschilligheid voor het haar opgedrongen kind, had
freule Richmonda niet eens
[126:]
onderzoek gedaan
naar haar kundigheden. Zij liet haar schrijven, zonder op haar minder
mooie hand te letten; verder rekenen of brieven copieeren. Zij liet
haar optellen en knorde soms als zij fouten van onoplettendheid maakte,
maar zij dacht er niet aan, haar meer te laten leeren of zelfs door
lectuur haar geest te ontwikkelen.
Door Ryno begon zij in te zien hoe het kind naar kennis dorstte en naïef
haar blijdschap te kennen gaf als zij weer wat nieuws had geleerd. Zij
genoot van zijn verhalen, zooals hij genoot van haar spel. Het was een
geheel andere Vera die zich openbaarde als Ryno er was, een levendig
kind, belangstellend in alles, ongekunsteld, natuurlijk, onbedorven.
Nu en dan kwam zij tot bezinning, voelde dat zij hier niets was dan
een ondergeschikte als juffrouw Greivers, zonder eenige rechten, met
niets anders dan verplichtingen, en zij trachtte weer te worden zooals
zij haar best deed te zijn wanneer hij er niet bij was, een tweede juffrouw
Greivers, bescheiden, stil, gedwongen, zich met geweld op den achtergrond
houdend.
Met haar helder verstand zag Richmonda wel in dat Ryno noch voor haar,
noch voor juffrouw Greivers zoolang talmde op Joujou en zijn avonden
in haar huiselijken kring doorbracht. Zij vergenoegde zich echter met
toezien en in de grootst mogelijke stilte haar opmerkingen te maken,
die niet altijd even aangenaam waren.
Het begon haar te hinderen dat Ryno's wegblijven of komen bij Vera regen
of mooi weer te voorschijn riep, dat het meisje, als zij met hem sprak
of zelfs maar mocht toeluisteren, zichzelf geheel scheen te zijn, terwijl
zij in háár aanwezigheid altijd zich min of meer teruggetrokken
en schuw toonde.
[127:]
Nooit glansden haar
oogen, nooit straalde haar lach - al was het dan maar in een kort onbewaakt
oogenblik - zóó, als wanneer Ryno binnenkwam of iets vertelde.
Zij ontwikkelde ook in schoonheid en gezondheid buitengewoon.
Richmonda kon haar niet genoeg aanzien; in deze laatste weken was zij
van kind geheel en al jonkvrouw geworden; al het teere, spichtige, bloedarmoedige
van vroeger was verdwenen en maakte plaats voor veerkracht en bloeiende
jeugd.
Haar kleeren pasten haar niet meer en Richmonda moest met haar naar
de stad gaan om haar een nieuw kostuum te laten aanmaken, een heel eenvoudig,
kleurloos grijsje. Maar van haar eigen spaarpenningen kocht Vera wat
kant, wat linten, een lapje blauwe surah, en 's avonds in haar kamer
maakte zij er iets van zoo elegant, dat èn de freule èn
juffrouw Greivers, toen zij er voor 't eerst mede aan tafel kwam, uitriepen:
"Maar wat bezielt je toch, kind! Wat 'n toilet! Moet je naar een
bal?"
"En dat kost - dat kost nog geen twee gulden," juichte zij
van plezier.
"Me dunkt, het geld doet er niets toe," merkte de freule ijskoud
op, "maar 't ding staat veel te opgeschikt voor dagelijksch gebruik.
Houd het nu maar aan, maar ik wil niet, dat ge je zoo opdirkt voor de
boeren."
Vera beet zich op de lippen en trachtte over die vinnigheid heen te
komen; zij vermoedde niet hoe diezelfde strenge vrouw haar oogen niet
van haar kon afhouden, zoo onuitsprekelijk lief en bekoorlijk zag zij
er uit, en daarbij zoo echt gedistingeerd. Zij kon niet begrijpen wat
een storm opstak in het kille hart der freule, hoe alles in haar luide
jubelde van trots en
[128:]
bewondering voor
haar mooi, geniaal kind, hoe zij ernaar smachtte haar te kussen, als
elke gewone moeder haar kind, haar liefkoozingen te ontvangen, haar
voor iedereen te doen bewonderen als - haar dochter, en zij mocht niet.
Zij droeg de gevolgen van haar groote zonde - haar stand, haar rijkdom,
haar adellijken naam had zij verkozen boven man en kind.
En nu was het een andere, een vreemde - want de verre familiebetrekking
rekende zij niet - die haar wekte tot nieuw leven, die haar al het eenvoudige
en burgerlijke van haar eerste opvoeding deed afschudden om van haar
een vrouw te maken volgens haar eigen rang.
Zij kon er Ryno om haten; hij ontstal haar hare dochter, met of zonder
bedoeling, zij kon het niet zeggen, want zij zag hem nooit als Vera
speelde; zij ontvluchtte nog steeds de macht en bekoring der muziek,
dat maakte haar te week en zij voelde zich bij den dag zwakker van hart
en zelfs van karakter worden. De gedachte aan Vera verliet haar geen
oogenblik; als zij haar in eenige uren niet had gezien, begon zij naar
haar te verlangen. Zij kon het niet langer ontkennen, zij kon niet meer
buiten de tegenwoordigheid van haar kind.
"De stem des bloeds is een dwaasheid," zeide zij dan tot zichzelf;
"maandenlang heb ik naast dit kind geleefd en alleen mijn verstand
zeide mij dat zij mijn kind was, Nu leer ik haar beter kennen en ik
krijg haar daarom lief."
Toen na het eten Ryno kwam, zag hij haar ook verbaasd aan.
"Concert-kostuum!" riep hij, "Nicht, dan zal ik toch
van avond de artiste willen zien niet alleen, maar
[129:]
ook hooren! Och,
breng dit kleine offer, u zal vinden, dat het ruimschoots beloond wordt."
En zij gaf haar toestemming, en Vera speelde zooals zij misschien nog
nooit had gespeeld. Maar dien nacht, toen zij rustig sliep en droomde
van alles wat schitterde en mooi was in de haar nog onbekende wereld,
waren er twee die geen oog sloten: freule Richmonda en Ryno.