[118:] VII.
Freule Richmonda
zat laat in den nacht op in haar slaapkamer. Het lange, blonde haar
hing over haar nachtgewaad neer; zij kon maar niet besluiten te gaan
slapen; nu eens draaide zij haar lamp hoog op, zoodat door de geheele
kamer het volle licht stroomde, dan weer maakte zij het geheel duister,
opende het raam en staarde naar buiten.
De lentelucht was koel, maar kalm en stil; fijn blauw nevelde het door
den tuin. Sterren flikkerden er doorheen, frissche geur van jonge bladeren
en versch doorwoelde aarde steeg tot haar op. Het nieuwe leven maakte
zich uit de aarde los, men voelde het stille werk der opstijgende sappen,
den onzichtbaren maar onvermoeiden arbeid van de naderende lente.
Zij liet de koelte den brand van haar voorhoofd blusschen, hijgend naar
frischheid ademde zij de geurige lucht in.
"Alles vergeefs! Al het werk van die jaren. Zij heeft de geesten
wakker gemaakt. Ik heb zoo vele maanden naast haar geleefd en ik moest
mij geweld
[119:]
aandoen, en nu,
nu het verleden laat zoo luid zijn stem hooren."
En toen keerde zij weer in haar kamer terug, het raam wijd open latend.
"Wat wil Ryno? Ik moet haar tegen hem verdedigen. Ziet hij in haar
alleen de kunstenares? Leeren om op te treden? Dat nooit! Daarvoor is
zij te goed. Zij mag haar ziel niet verkoopen, niet ontblooten voor
onverschilligen, voor schaamtelooze critici; maar ik mag dat talent
niet aan banden leggen. Haar vader begreep het wel, en wat heeft hij
mij; ook gezegd? O! waarom zijn die menschen teruggekeerd in mijn leven?
Ik heb met zoo veel moeite kalmte en zielevrede teruggekocht; nu sta
ik weer midden in den stroom."
Zij wierp zich op haar chaise-longue en trachtte te slapen of ten minste
tot kalmte te komen, maar zij kon niet; onophoudelijk ruischten haar
de klanken der viool voorbij, vervolgde haar het visioen van Vera; haar
ziel in tonen uitzeggend. Zij hoorde nog elke noot, zij voelde weer
elke aandoening van zooeven, alles doorleefde zij met vrees-aanjagende
intensiteit, en het was niet Vera, maar Tom die voor haar speelde, de
rattenvanger van Hameln, die haar met zijn muziek had gelokt uit de
veilige haven van haar tehuis, de wijde wereld in, waar niets dan ellende
haar wachtte, en die man, die doodgewone man, de afgod tegen wien zij
eens hoog had opgezien en die bleek niets bijzonders te zijn, had haar
dit kind opgedrongen, dat haar opnieuw uit haar heroverde wereld wegrukte
naar de sfeer, die zij verachtte, vervloekte. Maar zij kon het niet
weerstaan.
Zij sprong op, zij liet het kunstlicht weer gloeien, zij kon zich niet
inhouden. zij moest haar zien. De kaars aanstekend, ging zij de kamer
uit, de smalle
[120:]
gang door naar
het vertrekje aan het einde, waar Vera sliep. Zij lag daar zoo rustig
en vermoedde niet dat haar moeder voor haar stond, verzonken in bewondering
voor het kind, slapend met een glimlach als luisterde zij naar de harmonieën,
die de engelen haar toefluisterden.
"Mijn kind! Iedere moeder zou trotsch zijn op zoo'n dochter, zulk
een door God begenadigd schepsel, en ik - ik - mag het niet. Ik heb
afstand van haar gedaan, ik heb haar verstooten, ik heb gespot met de
stem van het bloed, en nu wreekt zich de natuur, nu straft mij God!
Anderen heb ik welgedaan, mijn eigen kind, mijn eigen man zijn mij vreemden
geworden."
Zij kon haar oogen niet afhouden van het meisje; nog nooit had zij Vera
gekust. Welke meesteres kust ooit haar ondergeschikte? Nu werd de bekoring
haar te machtig: haar voorhoofd was zoo blank en rein, haar lippen zoo
rozig, haar handjes zoo klein en aristocratisch. O, dat zij haar liefkoozen
mocht - zij zou wakker worden, zij zou haar zien. Vermoedde zij de waarheid
of wist zij die?
Maar in geen geval mocht zij, de ongenaakbare freule, iets weten of
vermoeden - neen, ook dat zelfs was haar ontzegd, haar kind te kussen,
al was het in den slaap.
En brandende tranen, de eerste in zoovele jaren, verschroeiden haar
de oogen; zij blies haar kaars uit en keerde in het donker, al tastend,
naar haar kamer terug. Daar was het licht, en tusschen de doode voorwerpen,
die zoolang haar hadden omringd, dat zij met haar samengegroeid en een
deel van haar-zelf waren geworden, kreeg zij haar bezinning terug.
Zij zag alles niet meer zooals daareven door een
[121:]
tooverfloers; zij
maakte het raam dicht en sloot de lente buiten. Nu was zij weer zichzelf,
nu kon zij het verleden en het heden vergeten en alleen denken aan de
toekomst.
Zou Ryno Vera tot vrouw wenschen, dan moest zij hem alles zeggen. Welnu,
het zij zoo! Zij zou moed vinden voor die bekentenis, als het Vera's
geluk gold.
Maar een andere vraag drong zich in haar op: wat had hij bedoeld met
zijn verzoek?
Waarom noemde hij zich ellendig, ongelukkig? Zij was geheel van hem
vervreemd; zij wist ook niet wat hij al die jaren had gedaan, waar hij
geweest was, wat hij op zijn geweten had misschien; zou hij haar wel
waardig zijn, haar onschuldig, rein, geniaal kind?
Als hij haar trouwen wilde, dan was het een oplossing, die zij gisteren
nog met blijdschap, als een uitkomst had begroet; nu rilde zij er voor,
zij vreesde zelfs zijn macht op haar jonge verbeelding - neen, zij moest
haar beschermen, zooals zijzelf niet beschermd was geworden, zij, die
geen moeder meer had gehad, niets dan een stiefmoeder, erger dan een
geheel vreemde.
Hoe klein, hoe nietig schenen haar nu al haar bemoeiingen, haar zorgen,
haar hoofdbreken met de zaken van anderen, naast den nieuwen plicht,
waarvan zij nu eerst de volle verantwoordelijkheid voelde en ook de
geheele zwaarte.
Was het werkelijk haar plicht de wonderbare gave, aan het kind geschonken,
te ontwikkelen? Haar vader had het háár overgelaten te
doen, wat h ij niet kon.
"Het kind lijdt gebrek," had hij gezegd, "niet lichamelijk,
maar geestelijk;" zij had niets gedaan om dit gebrek te doen ophouden,
en toch zij had nu kunnen zien hoe groot haar honger geweest was naar
[122:]
muziek, hoe zij
alleen ten volle leefde als zij haar viool kon laten zeggen, wat in
haar omging.
En hoe rijk was haar zieleieven, hoe vol haar hart.
Zij zou niets liever willen dan haar moederliefde geven; maar zij had
den afstand tusschen haar dadelijk zoo groot gemaakt, dat aan geen overbruggen
meer te denken viel; en toch hoevelen zouden haar het bezit van zulk
een kind benijden. "Talent en ras!"
Uiterlijk stond zij gelijk met welke jonkvrouw van hooge geboorte ook,
maar wie onder haar gelijken was als de dochter van freule Van Westringa;
zoo hoogbegaafd?
O, wat zou zij niet geven om haar dochter den rang te geven, die haar
toekwam; als zij vroeger den moed had gehad de gevolgen te dragen van
haar dwaasheid, dan was haar ook het recht gebleven zich mevrouw Dirksma
te noemen, en haar dochter te brengen in haar kring, dien zij nu uit
eigen beweging verlaten had. Maar het was nu te laat!
Zij kon haar kind niet meer den stand geven, waaruit zij haar ontrukt
had. Zij moest haar tevreden doen zijn met de bescheiden levensomstandigheden
waarin haar vader verkeerde, maar haar andere voorrechten kon zij nog
recht doen wedervaren; het was haar toegestaan ten minste iets te doen
voor haar kind.
Dat zij hier bij raar woonde, verhoogde haar eigen levensgeluk niet,
integendeel. Vera's tegenwoordigheid was haar een gedurige kwelling,
een herinnering aan het verleden, dat zij met geweld had willen dooden,
wat haar bijna gelukt was, naar zij meende.
Het meisje dagelijks te hooren spelen, daarvoor schoten haar krachten
tekort; zij moest haar wegzenden naar het conservatoire van Amsterdam,
naar haar vaders familie terug -, neen, dat kon niet. Onwille
[123:]
keurig kwam haar
moederjaloezie in opstand tegen het weten, dat Vera een andere vrouw
moeder kon en moest noemen, terwijl zij nog leefde. - Naar Brussel,
naar Leipzig - maar hoe kon zij haar daar alleen zenden met haar rein
hart, haar gloeiend artisten-temperament?
Zij moest haar vergezellen; maar dat beteekende breken met haar lievelingsgewoonten,
haar zaken verlaten, haar weldadigheidssport opgeven. Het viel haar
hard, zeer hard, maar sedert Richmonda haar leven naar bepaalde grondbeginselen
regelde, week zij niet terug zoodra zij haar plicht duidelijk afgebakend
zag.
Voor haar dochter was het niet noodig in het publiek op te treden; zij
kon haar talent ontwikkelen voor zich zelf, zij kon genieten van haar
kunst en van de kunst van anderen. Dat moest zij haar moeder danken.
En na dit te hebben vastgesteld, ging freule Richmonda na dezen ongewonen
dag eindelijk ter ruste.