IV.
WAAROM HET ZOO LIEF WAS.
Een allerliefst
dorp, echt Duitsch, diep tusschen de bergen, eenzaam en stil als lag
het dagreizen ver van de beschaafde wereld; een smalle, oolle weg voerde
in het dal, waar een klein diep meer In den schoot van het woud lag
als een kostbaar juweel in goud gevat.
De huizen lagen verstrooid tusschen het groen, dat de hellingen der
heuvels bedekte, of aan de oevers van het meer, waar een tiental huizen
zich om het grijze met klimop begroeide kerktorentje groepeerde.
Hier was 't; dat nu bijna drie weken geleden Otto op een voetreisje
toevallig door den nacht werd verrast; hij had zich in "Der wilde
Mann" zijn avondeten goed laten smaken, zijn kamer zindelijk en
frischgevonden en besloot nog een dag hier te blijven en die dag was
aangegroeid tot drie weken en nog kon hij de betoovering niet verbreken,
die hem aan 't stille dorp bond. Hij leefde sinds dien tijd als in een
tooversprookje; onaangenaam was het ontwaken geweest, toen hij zijn
familie daar aan moest treffen
[86:]
met haar kleinsteedsch,
burgerlijk gedoe, grenzenloos de verveling, die hij verduurd had met
gezelschap van Clarence. Zijn moeder zou hem gaarne goed getrouwd zien;
tegen Clarence had ze zeker niets; haar geld zou den jongen zoo goed
te pas komen en ook haar talrijk gezin, dat met zoo veel moeite van
het majoors-tractement van den vader leefde, en Otto had misschien wel
toegegeven, wanneer, ja wanneer hij kwam in 't dal en spoedde zich naar
zijn logement, waar hij zich dadelijk verfrischte van zijn langen tocht,
en toen dit gedaan was, opende hij het raampje van rijn kamer en staarde
naar buiten, naar het zonnige dal en het schitterende meer, waarover
de stralen door het geboomte gleden, en zilveren spiegels tooverden.
Een versterkende geur van bosschen en hars steeg tot hem op, hij ademde
die met volle teugen in en liet zijn oog dwalen over het meer naar den
tegenover hem liggenden heuvelrug.
Daar stond geleund tegen den wijnberg een soort van chalet, met een
tuintje er achter, dat trapsgewijze den heuvel opklom.
Op een plateau aan het eind daarvan stonden eenige bloeiende acacia's
als een reusachtige ruiker. Hierheen was het, dat Otto zijn zakkijkertje
richtte; iets wit schemerde tusschen het groen, en zijn aandacht werd
hoe langer hoe meer gespannen; hij zag dat witte langraam den heuvel
afzweven en eindelijk tusschen het kreupelhout onder den weg verdwijnen.
Toen was zijn besluit genomen; snel bracht hij zijn verreisde kleeding
in orde, greep zijn stroohoed, verliet de kamer, het huis en stak het
bosch in. Daar diep in het woud, waar de hitte van den dag niet kon
doordringen, waar niets aan de zon herinnerde dan de gouden loovertjes
op het hooge gras en de boomstammen, glinsterend in het zonnelicht,
daar was het koel en frisch, een lichte wind bewoog de kronen der oude
boomen. Het geheimzinnige leven van het Duitsche woud fluisterde en
murmelde op den bemosten grond tusschen de takjes en struiken. Het waren
krekels en musschen, lijsters en eekhoorntjes, maar vooral de zacht
voortvloeiende beek, die in haar diepe bedding, bijna geheel verscholen
door varens en wilde rozen, haar golfjes over vergroende steentjes rolde
en zoo haar partij speelde in het boschconcert.
Op een boven het water hangend steenblok, waarover een knoestige eik
zijn breede takken uitspreidde, juist waar de beek een kromming maakte,
zat de witte gestalte, die Otto eerst met zijn kijker, toen in persoon
gevolgd was; zij leunde tegen den eikenstam, haar wit kleed schemerde
tusschen de takken van het lage geboomte en viel in sierlijke plooien
langs de steenen zitting af.
Ademloos schoof Otto de takken ter zijde, het mos verdoofde het geluid
zijner stappen, maar de groene boomtak kraakte onder zijn voeten en
het meisje keerde zich verschrikt om.
"Herr Otto!" zeide zij half gerustgesteld, half verwonderd.
[87:]
Wie kon 't Otto
thans wraken, dat hij zoo ongevoelig bleef voor het welsprekend trekkenspel
zijner nicht, hij, die zoo diep in 't hart de herinnering bewaarde aan
zulk een helderen blik, hem uit de onschuldigste, geestigste blauwe
oogen toegeworpen? Dat hij geen oog had voor de onbeschrijfelijke, matte
kweeperen-tint der rijke Clarence, hij, die het spel der zon bewonderen
mocht op een fijne, zachte gelaatskleur, welke slechts aan een teedere
blondine kon behooren, maar toch bij de slapen en op het voorhoofd sterk
afstak tegen ondeugende, weerspannige, donkerbruine krulletjes. Haar
linkerhand hield een grooten stroohoed vast, de llldere rustte op een
reusachtigen hond, die zijn ruigen kop vertrouwelijk op haar schoot
had gelegd, en terwijl ze Otto een fijn wit handje toereikte, wierp
haar vroolijke lach nog meer glans en schittering over haar trekken
dan al de zonnestralen, die om haar dansten en flikkerden.
"Schon zu Hause?" klonk haar muzikale stem en Otto vond nog
niet dadelijk iets om te antwoorden.
"Ja," zelde hij eindelijk ook in 't Duitsch, "waar ik
ook geweest ben, 't was nergens zoo heerlijk zoo "wonnevoll"
als hier zu Hause!"
"Zu Hause." Zij lachte helder en trok haar kleed wat dichter
naar zich toe, om Otto gelegenheid te geven, tegenover haar op een der
wortels van den eik plaats te nemen.
De hond richtte zich even op en staarde met zijn goedige, slaperige
oogen den nieuwaangekomene aan, doch scheen in hem een bekende te zien,
want hij bromde een weinig, bij wijze van begroeting en zocht zijn koningsplaatsje
weer op.
"Ik verbeeld me hier "zu Hause" te zijn," sprak
ze verder, "en daarom spreek ik alsof het met u ook zoo was. En
toch wat zal uw "Heim" geheel verschillend zijn van "Der
wilde Mann"?"
"En 't uwe dan?"
"O 't mijne?"
Iets als een scnaduw viel op het zonnige gelaat vóór hem.
Otto voelde zich een weinig het hart beklemmen of verruimen, u naarmate
haar oogen schaduw of zonneschijn weerkaatsten.
"'t Uwe, Gretchen, waarom het mij niet ronduit gezegd? Ik weet,
dat "Heim" is niet van het aangenaamste, vele kinderen, vele
zorgen, en gij de oudste."
Zij hield, het hoofd gebogen en haar vingertjes speelden met de haren
van haar lieveling's kop.
"En nu, Gretchen, en nu. . .. antwoord me, speel niet langer met
mij; wilt ge mij volgen over de zee, naar het vreemde land? Ik zal u
alles zijn, alles; wat deert het u dan of ge uw Heimat verlaat als ge
een eigen Heim hebt gevestigd? Hier zult ge altijd moeten leven tusschen
vreemden, werken voor uw onderhoud. Al hebt ge het mij nooit gezegd,
ik begreep het dadelijk, Gretchen, reeds den eersten keer dat ik u kwam
bezoeken na onze kennismaking in het bosch."
[88:]
Zij hield nu haar
gelaat diep gebogen, zoodat Otto noch den zonneschijn, noch de schaduw
zien kon, die zijn woorden misschien er op brachten.
"Gretchen, antwoord mij!" drong hij aan, "'t is een ernstige
vraag, die ik tot u richt."
"Lieber Freund," en een vochtige glans maakte haar wonderschoone
oogen nog schitterender, "waarom vergeet ge uw belofte? Drie weken
nog mag ik hier blijven en dan begint een nieuw leven voor mij, een
leven waarin geen plaatsje voor u is; ik heb 't u reeds gezegd. Wanneer
ik tante Bertha verhaalde van wat ge mij al drie malen hebt gevraagd,
dan zou ik niet meer hier in het bosch alleen met mijn Fido mogen wandelen,
ja, ze zou U zelfs ons huis verbieden."
"Me t welk recht, Gretchen? Als gij het mij toestaat, als gij mij.."
"Ik ben niet vrij, ik mag niets toestaan, niets!" en een bittere
trek, die niet op dat lieve kinderlijke gezichtje thuis hoorde, speelde
om haar lippen.
"Zijt ge dan geen meesteres meer van uw lot, is uw hand, uw hart
niet meer vrij?"
Zij had een tak wilde rozen naar zich toe gebogen en ontbladerde de
bloemen onbarmhartig één voor één.
"Mijn leven is vastgesteld. Ik kan er niets aan veranderen!"
"Een arme Lehrerin, een gouvernante bij de adellijke familie, waarvan
ge toen die brieven ontvingt?"
Zij zag naar boven naar den donkerblauwen hemel, die tusschen het gebladerte
,schemerde als een kostbaar kleed onder fijn kantwerk, en twee groote
tranen ontsprongen haar oogen.
Dit was Otto te veel; hij nam hare beide handen in de zijne en drukte
ze vol vuur aan de lippen.
"Mijn Gretchen, gij weent; het treurige leven dat u wacht schrikt
u af, en ik heb u zoo lief; die liefde kan u omringen met alles wat
uw hart begeert en gij wilt me niet antwoorden. Voelt ge dan werkelijk
niets voor mij?"
Zij trok snel haar handen uit de zijne, streek er even mee langs de
oogen en richtte zich toen snel op.
"'t Is genoeg, Herr Otto," sprak zij ernstig, bijna streng,
"of liever te veel. Toen gij 't eerst over liefde hebt gesproken,
zeide ik het U reeds: Gij verstoort moedwillig een zoeten droom. Denk
aan de fabel van Psyché en Amor! Gij speelt echter haar rol;
geloof mij, zoo ge nog eens dit onderwerp aanroert, dan zult ge tante
Bertha en mij verplichten heen te gaan en nooit, nooit nimmer zult ge
iets van ons,... van mij hooren."
"Maar waarom dan dat geheimzinnige waas? Gretchen, twijfelt ge
aan mij? Een woord slechts: mag ik hopen? Na drie weken of morgen, zal
ik dan hooren wat ge besluit; als ge ja zegt, zal ik zwijgen."
"Otto," en zij streek weer met haar zachte hand langs Fido's
haren, "ge weet niet welke gunst ik van u vraag! Kom, als voor
[89:]
heen, toen ge verstandig
waart bij ons op de chàlet; we zullen in den tuin schilderen
en in het meer hengelen. Als tante lust heeft, zullen we samen wandelingen
maken, laat ons spreken over alles. . . ."
"Maar over 't geen mij alleen bezighoudt niet, bedoelt ge dat?"
"Ja, dat vraag ik u, of liever ik stel het tot voorwaarde van onzen
omgang, anders. . . ."
"Anders wordt mij de deur gewezen. Ik begrijp u, Gretchen; ik weet
wat ik nu zou moeten doen als ik verstandig was, maar ik ben het niet
en kan het niet zijn. Ik moet mij met die broodkruimels tevreden stellen.
Ach, ik weet het wel, na drie weken is 't nieuwe teleurstelling."
"Neemt ge mijn voorwaarde aan?"
"Daar is mijn hand er op."
En zij legde de hare even in de zijne, maar trok ze dadelijk terug,
toen Otto ze langer dan noodig was, wilde houden.
"Zoo, nu is 't goed. Drie weken is een lange tijd, niet waar, heel
lang?"
"Vooral als ze een herinnering moeten worden, waaraan men zich
zijn geheele leven lang wil te goed doen."
"St, dat we verleden en toekomst laten waar ze zijn; en leve het
tegenwoordige!"
"'t Is goed, Gretchen! Ik zal 't beproeven. Ga weer zitten en laat
ons "plauderen"." .
"Neen, tante Bertha weet niet dat ge terug zijt, ondeugende man.
Ik mag haar niet bedriegen."
"Altijd tante Bertha, wat deert ze ons."
"U misschien niet, maar mij heel veel. Kom, Fido, je hebt me lief
en volgt mij zeker."
"O, als 't daarvan afhangt, Gretchen."
"Alweer, maar straks noemt ge mij deftig Fräulein, begrepen?
Wat hier toegestaan is, onder de hooge boomen, is ginds verboden waar!"
"Daar ben ik uw leermeester, natuurlijk."
Samen gingen ze naast elkander voort over het smalle woudpad en ze spraken
vroolijk en opgewekt; beiden schenen tevreden met de gesloten overeenkomst.
Daar kwamen ze aan een kruispad en Gretchen stond stil.
"Nu. gaat gij rechts," zeide zij, "en ik links."
"En we komen aan één doel?"
"Langs een omweg, gij ten minste."
"Moge dat een voorteeken zijn, Gretchen."
Zij glimlachte en ging de landelijke brug over, die de oevers der beek
vereenigde.
Otto zag haar na; op die door wilden wijnrank begroeide brug tusschen
hemel en aarde was zij hem 't eerst verschenen op den onvergetelijken
morgen, toen woud en dal getooid schenen als voor die bruiloft eener
boschkoningin en zij zelf de bruid geleek
[90:]
in haar wit gewaad,
op dien natuurlijken troon met de bloemen die haar hoofd versierden
als een diadeem.
Plotseling joeg toen een wind vlaag door de hoornen en nam haar hoed
weg, en wierp dien voor Otto's voeten Dat was 't begin geweest en nu
moest Otto daar weer aan denken, toen hij haar zag met Fido, haar trouwen
gezel, zonder dat zij hem een blik tot afscheid toewierp.
"Ware 't beter geweest als ik toen heengegaan was en slechts de
herinner:ing in mijn hart had bewaard van die witte Nixe, geheimzinnig
als haar lang gestorven zusters?" vroeg hij zich af.
Maar hij schudde dadelijk het hoofd.
"Neen, de boschnimf moet de mijne worden, al zou ik haar tooversluier
ook weg moeten rooven, om haar 't ontvluchten te beletten. Drie weken,
Gretchen heeft gelijk, 't is lang genoeg om te beslissen over een geheel
menschenleven. Ik zal strijden en overwinnen! Ja, ten minste als ik
met menschen en niet met geesten te doen heb."