III.
EEN ONTMOETING.
Bij een der dorpjes
kort voor Coblentz naderde een schuitje; waarin een paar personen zaten,
de stoomboot, en deze werden daarin gastvrij opgenomen.
Even matigde het groote schip zijn vaart, een trap werd uitgezet en
bijna dadelijk was het aantal passagiers met een drie of viertal vermeerderd.
Een daarvan, een jongmensch in zomerkostuum met een stroohoed op, in
theorie geheel gekleed als van Breugelen Senior en Junior, maar in praktijk
meer van hen verschillend dan iemand in rok met een andere in ulster,
kwam dadelijk voordeks.
"Hé, Otto," zei het benauwde stemmetje van Minette
plotseling.
"Goede gut, ja Otto," herhaalde tante Ko-Mie.
"Wie?" vroeg opschrikkend moeder van Breugelen en wreef zich
met de korte, dikke vingertjes den slaap uit de oogen.
"Tante Mie! hè, hoe komt u hier?" vroeg het jongmensch
op een toon, waaruit niet blijken kon of de verrassing hem al dan niet
aangenaam was.
Een oogenblik later stonden de beide heeren en Clarence voor den nieuwaangekomene.
Zij spraken allen even luid en tegelijk.
"Ik vind 't allemachtig aardig, hoor," zeide papa, "je
hier te treffen; 't doet zoo goed weer Hollandsch te hooren in het vreemde
land."
De goede man had nog bijna niets ander gesproken dan zijn eigen taal,
want Clarence en Albert spraken gewoonlijk met de kellners en de afwezigheid
van het dierbare land duurde eerst vier dagen.
[81:]
"Ik wist niet
dat je ook op reis was," zei Clarence met zoo'n vroom, onnoozel
gezichtje, dat scherpzinniger geesten dan die haar omringden wel op
't denkbeeld moesten komen, dat het met die onwetendheid zoo heel zuiver
niet gesteld was.
"En deze kanten uit, dat treft toevallig, waar ga je heen? Wij
gaan naar Wiesbaden, kamers besteld, niet waar Klaar, in een hotel eerste
rang, daar is men het beste, al die kleine kroegjes, bah! Betalen moet
je toch, wat blief?"
"Maar waar logeer je eigenlijk?" vroeg Albert.
"O, niet in een hotel eerste rang, ook met in een kroeg; ik houd
niet van dat jagen op reis."
"Juist als ik," en Clarence sloeg haar geelgrijze oogen ten
hemel.
"Je hebt dus een hoofdkwartier; waar, in Ems misschien of in Kreuznach?"
"O neen! u zal het nooit vinden, een paar uur achter die bergen
in een heel eenzaam landelijk dorpje, dat tot nu toe verschoond werd
van toeristenbezoek en hotels eersten rang, van kellners, portiers en
hausknechten, een heel eenvoudig dorp, met een boerenherberg, waarin
ik een zolderkamertje betrokken heb en mij nu in "Hochsommer"
voeden moet met Sauerkraut und Schweinefleisch."
"Groote hemel, Otto, je bent toch niet aan lager wal, je hebt het
erfdeel van je vader, dat ik met zoo veel zorg heb geadministreerd tot
je meerderjarigheid, toch niet verkwist?"
"Maak je niet ongerust, oom; zoo ver is 't niet, want ik kan nog
wel paté de foie gras eten, als 't mij belieft."
"En leid je zoo'n leven dan uit preferentie, zal ik maar zeggen?"
"Wel zeker, oom, waarom anders? 't Is het beste middel om volop
van de heerlijke natuur en mijn vacantie te genieten."
"Och ja, 't is goddelijk," en een fijn aetherisch zuchtje
steeg uit Clarence's boezem naar boven en vermengde zich met de ropk
uit de stoompijp.
"Ik maak schetsen; u weet schilderen is altijd een liefhebberij
van mij geweest," (die laatste woorden klonken wat bitte'r).
"Ja, ja, ik weet dat was eens je stokpaardje, voor dat ik...."
"Nu ja, oom, 't verleden is voorbij. In 't najaar hoop ik te promoveeren
en dan...."
Clarence keek ver in "das Blaue hinein" en drukte de linkerhand
op het hart, als wilde zij het publiek beletten het kloppen van dat
instrumentje te hooren.
"En dan?"
"En dan ga ik naar Indië of blijf hier zooals mijn gesternte
het wil."
Clarence, die veel verbeeldingskracht bezat, verbeeldde zich dat Otto
nu naar haar keek, en ook dat zij een kleur kreeg: maar geen van beiden
bestond ergens anders dan in die verbeelding.
[82:]
"En nu studeer
je door zeker in dat dorpje; jongen, kom mee naar Wiesbaden, daar is
het veel aardiger. Ns je ergens een pied-à-terre wil hebben,
moet je iets kiezen, waar een koertuin is en een redoet, waar je menschen
ziet. Nu, Clarence hield het geen dag uit in zoo'n nest als dat, waar
je woont. 't Is niets beter dan Achterwei zou ze zeggen."
"Behalve de natuur, die gaat bij mij boven alles," lispelde
Clarence en zag misschien voor 't eerst met verstand naar de heuvels,
ten minste zij zette er haar lorgnet voor op en keek naar de wijnbergen
als waren het de decors van een tooneelstuk.
"Ja, natuur ontbreekt daar natuurlijk niet. 't Is niets dan natuur."
"Kom, je hebt daar een trekpleister," schertste Albert op
den toon van iemand die 't weten kon en ook wist, bij ondervinding natuurlijk.
"Wat?" vroeg Otto; de ondergaande zon kleurde zijn wangen
geheel rood en hij zag er - vond Clarence - allerliefst uit.
"Een trekpleister."
"Of spaansche vlieg hé, heb je daar op de burgerschool reeds
kennis mee gemaakt, vrindje? Nu ik hoop dat je nek van zulke oplegsels
verschoond mag blijven."
"Bij jou liggen ze op 't hart en dringen in de hartkamers door
eIk van daar uit... ."
"Moet je weer naar dat dorp - hoe heet het óok - terug?"
"Zeker oom; van avond nog ga ik inkoopen doen in Coblentz en morgen
heel vroeg wandel ik naar Rathemhausen terug."
"Wat een naam, o die moffen, moffen; je moest met ons mee gaan,
weet je, ik houd je vrij; we kunnen niet best met Duitsch overweg, Clarence
nog wel, maar toch 't is 'm dat niet; en ik vind 't zoo prettig op reis
als je zoo heelemaal op iemand vertrouwen kunt."
"Me dunkt, oom, u heeft toch keus genoeg," en Otto keek het
reisgezelschap stuk voor stuk aan, "en daarbij met een zoon die
al zoolang zich gevoed heeft met de melk van onze middelbare wetenschap."
"Och, Wim, Wim," riep de klagende stem van Ko-Mie, "onze
Roos wordt niet goed."
Werkelijk. zag mevrouw doodsbleek; haar hoofd hing op de borst, zij
trok akelig met de onderlip; groote verwarring! Men hief haar op en
liet haar eenige stappen gaan, toen kwam er reactie. . .. het goede
mensch bleek zee. . .. neen rivierziek te zijn. .
De passagiers wendden zich met eerbiedige schuw links en rechts van
haar af; de dames, langs wier kleederen de beide zusters moesten passeeren,
sprongen op, drukten haar rokken dicht tegen de voeten en zoodra de
zieke zoo goed als kwaad mogelijk bij de verschansing gearriveerd was,
waarover zij zich diep boog,
[83:]
vluchtten de reizigers
met zakdoeken voor het gezicht naar den anderen kant van het dek. Ko-Mie
en Minette stonden de zieke vrouw in dit moeilijk oogenblik trouw ter
zijde; de vader had een kenner aangeklampt en "Eih glaser Madera"
gevraagd; Albert, de nieuw aangetroffen neef en Clarence, die werkelijk
een beetje rood was van schaamte en ergernis, voegden zich. bij de andere
toeristen als ging het heele geval hen niet aan.
Eerst toen men in Coblentz aangekomen was en mevrouw bleek, met flauwe
oogjes, machteloos aan den arm van haar echtgenoot hangend, zich gereed
maakte de boot te verlaten, kwam het drietal de anderen weer eens opzoeken.
"Is 't wat beter, tante?" vroeg Otto belangstellend, "'t
is zeker de eerste keer dat u op een stoomboot vaart?"
"Dank je wel, neef, ja, 't is de eerste keer. O foei, ik dacht
dat mijn laatste uurtje gekomen was, zoo ver van mijn land te sterven,
ach!"
"Ja tante, zee- of rivierziekte is een nare kwaal, maar er is een
radikaal geneesmiddel voor; zoodra u aan land komt, is 't direkt over."
"En dan eet je een biefstukje en je bent klaar," troostte
haar man.
"Belieft u ook wat eau-de-cologne, moesje?" vroeg Clarence
heel lief.
"Daar hadt je wel eerder mee voor den dag kunnen komen," bromde
papa, "waar was je heen gestoven?"
"Och, Ik was zoo erg geschrikt, niet waar, Otto, ik dacht zeker,
dat ik ook niet goed zou worden."
"Ik heb er niets van gemerkt, jij hebt niets gedaan dan met Otto
te lachen en te praten."
Albert sprak deze woorden echter met zoo'n diepe basstem uit, in zijn
baard zou men gezegd hebben als hij er reeds een bezat, dat niemand
ze hoorde dan Clarence, die hem meer dan ooit een allernaarste jongen
vond.
Zij was in deze oogenblikken van verwarring achter vele dingen gekomen,
die ze weten wilde; zij wist nu zeker; dat Otto niet mee naar Wiesbaden
zou gaan, dat hij in Rathemhausen in het hotel "Der Wilde Mann"
logeerde, dat hij redenen had om aan 't plaatsje gehecht te zijn, dat
hij niet bijster ingenomen was met de ontmoeting der familie van zijn
oom en ex-voogd, wat Clarence hem niet kwalijk nam, want zij leed niet
aan zelfverblinding en vond ook dat die familie, op één
lid na, niet van dien aard was om zich over zulk reisgezelschap te verheugen.
Zij had eindelijk haar neef zoo ver gebracht, dat hij uit zijn eigen
haar voorgesteld had, dien avond met hem in Coblentz uit te gaan.
Dus was Clarence spoedig zeer ongevoelig zoowel voor ma's ongesteldheid,
als voor pa's minder goed humeur en Alberts steken onder en boven water.
[84:]
Clarence had Otto
altijd graag mogen lijden, heel graag zelfs, ofschoon (of liever juist
omdat) hij slechts een verre neef van haar was. Maar hij was papa's
pupil geweest, toen zijn eigen vader jong stierf en zijn moeder hertrouwde
met een officier, die weinig verstand van geldzaken had en van Breugelen
maar voor de materieele zijde van Otto's opvoeding liet zorgen. Met
liefde nam hij echter het andere gedeelte op en slechts eens had van
Breugelen gelegenheid zich met Otto te bemoeien; het was toen deze zijn
verlangen kenbaar maakte schilder te worden. De stiefvader had gaarne
zijn wensch ingewilligd, maar toen kwam de voogd er tusschen, betoogde
en bewees met zooveel welsprekendheid, dat Otto geen talent genoeg bezat
en geen wilskracht, dat schilder zijn niets deugde voor den zoon van
zijn vader, dat hij advocaat moest worden, enz. De waarheid was misschien
dat van Breugelen er sinds lang op rekende, dat Otto zijn schoonzoon
zou worden en hij liever een advocaat dan een schilder die benijdbare
plaats zag innemen. Hoe 't ook zij, de ouders zwichtten en Otto ging
naar de Akademie, zag weldra in dat zijn tegenwoordige bestemming veel
geschikter voor hem was dan de moeilijke kunstenaars-loopbaan, maar
behield toch altijd zekeren wrok in het hart tegen den man, die zoo
ongeroepen in zijn leven getast en er een andere richting aan gegeven
had. Hij kwam zelden meer in Achterwei, ook niet nadat Clarence van
het pension terug was en alle wapenen van haar artillerie-magazijn:
pijltjes, piekjes, oogenvuur, aan 't werk zette om zijn anders nogal
licht te treffen hart, al was 't maar eenigszins, te verwonden.
En nu, arme Clarence! Zij was dien avond nu eens neerslachtig dan vroolijk,
zelfs deed zij heel lief tegen Albert, die volstrekt mee had willen
gaan; zij was bang dat hij koude zou vatten en toen men Mei-wijn dronk
in een tuin aan een aan den Rijn gelegen café; ried ze hem telkens
aan toch niet te lang in de avondlucht te zitten, want zijn reispak
was bijzonder dun en aan den waterkant is 't altijd vochtig; wat rondloopen
zou beter zijn.
De ondankbare, in plaats van haar zorg te waardeeren, sprong na een
derde of vierde waarschuwing knorrig van zijn stoel op en snauwde zijn
zuster toe:
"Nu, maak je maar zoo moe niet! Ik zal je aangenaam tête
à tête met Otto niet storen."
En hij ging alleen aan een tafeltje zijn Schoppen bier drinken, terwijl
Clarence altijd zoet bleef glimlachen tegenover Otto, die het uitschaterde
en vroeg of Albert aan de Duitschers wilde leeren, hoe Jong Holland
de beleefdheid tegenover bezorgde zusters in acht nam.
En Clarence met een vriendelijk gelaat, maar met een hart, vol bitterheid,
lispelde zacht:
"Och, ik neem 't hem niet kwalijk, Otto, Je weet, jongens op dien
leeftijd. . . ."
[85:]
"Ja, Clarence,
dat weet ik nog heel goed en ik geloof, dat ik uit dien tijd ook nog
't een en ander tegen je in mijn schuldboek heb."
"O neen, Otto, je was zoo heel, heel anders. Je bent altijd erg
beleefd geweest, erg!"
Albert bleef aan zijn tafel de eene Schoppen voor, de andere na drinken
en toen eindelijk Otto en Clarence opstonden om huiswaarts te keeren,
bleef hij altijd op eerbiedigen afstand van het gearmde paar loopen,
druk rookend van zijn op eigen rekening binnengesmokkelde sigaren.
"'t Schijnt dat mijn gezelschap ongeluk aanbrengt, Clarence,"
zei Otto lachend, "eerst de ongesteldheid van je ma en nu de twist
met je broer."
"Dat beteekent ook nogal wat!" luidde het antwoord, bitser
dan Otto van haar gewoon was.
"Neen, 't is daarom beter dat ik niet mee ga naar Wiesbaden."
"Niet, 't was toch je aanvankelijk plan?"
"Mijn plan, hoe weet je dat?"
Clarence's eene hand trilde op Otto's arm en zij trok met de andere
aan de volle.
"Ja, ik dacht. . . . ik dacht, je hadt het geschreven of je zuster
Louise, liever."
"Zoo? Ja, 't is waar, 't was eerst mijn plan, maar er is iets tusschen
gekomen
Rathemhausen is zoo'n lief plaatsje."