V.
DE DOCHTER VAN JEPHTA.
De kamer op het
grootste balkon van het chàlet uitkomend, was die, door Gretchen
en haar tante Bertha bewoond. Het was een vroolijk, frisch vertrek,
met groote glazen deuren, waardoor de schaduw der met klimplanten begroeide
balkonstijlen op het tapijt viel.
Het chàlet was gemeubeld verhuurd maar de smaak eener fijn voelende
vrouw had echter aan 't vertrek den indruk van 't gehuurde en conventioneele
ontnomen en er den stempel van haar eigen persoonlijkheid op gedrukt.
De meubels waren met eenvoudige cretonne overtrokken, doch bloemen op
kleine tafeltjes, in hangende en staande jardinières, terra-cotta-beelden,
een paar goede copieën van beroemde schilderijen, een piano met
uitgezochte muziek, waren alle zoovele teekenen, die de aanwezigheid
eener kunstlievende, beschaafde meesteres verrieden.
Tante Bertha zat op de sofa, een waaier in de hand, en verdiept in de
lezing van een franschen roman; haar nicht had een tafel bij 't open
raam geschoven en deze met bloemen overdekt, waaruit ze echter slechts
eenige had gekozen, die ze met veel zorg en ijver op grauw papier naschilderde,
terwijl ze zacht een tyroolsch liedje joedelde.
Zij had nu haar frisch morgenkleed niet aan, maar een eenvoudig modisch
blauw kostuum; haar mooie lokken waren niet als dezen morgen in een
buitengewoon lange, dikke vlecht ver
[91:]
eenigd, maar op
het achterhoofd met een zilveren pijl vastgestoken; toch zag zij er
even lief, even zonnig uit als in haar Elfen-kleeding.
Soms lichtte zij de oogen van 't werk op en liet ze zwerven ,naar beneden
in het dal, vanwaar de zonnestralen langzaam terugweken en waar het
blauwe meer hier en daar tusschen het groen llikkerde. Die oogen schenen
zelfs daar iets te zoeken en juist zulk een oogenblik trof tante Bertha
toen ze verbaasd door de onverwachte wending, welke het boeiende verhaal
genomen had, even wilde uitrusten om haar gedachten te verzamelen, opkeek
en haar nichtje zag staren naar iets, wat niet kwam.
"Hebt ge mij niet gezegd, dat uw meester teruggekeerd is?"
vroeg zij.
"Ik heb hem van morgen gezien en. . . . daar komt hij toevallig
den heuvel op."
"Om ons een bezoek te brengen?"
Een schalksch lachje plooide Gretchen's lippen, terwijl ze antwoordde:
"Ik denk van ja; hij zal toch niet de oude Kaat gaan opzoeken."
Tante Bertha zuchtte, nam haar gouden lorgnet van den neus, sloeg haar
boek dicht en zag het nichtje doordringend aan.
"Margarethe," sprak zij angstig, "ge kunt er niet over
klagen, dat ik een lastige duenna ben; ik laat u vrijheid zooveel ge
verlangt en ik u geven kan, met de zware verantwoordelijkheid die op
mij drukt, maar sinds lang ben ik ongerust over de houding van dien
jongen artist."
"Ik niet," zeide Gretchen doorschilderend.
"Ik ben ook jong geweest, ik weet waaraan een jong meisjeshart
behoefte heeft en ik weet ook, dat, hoe ons lot ook worden moge, niets
gevaarlijker is voor de gemoedsrust in het latere leven dan onbevredigde
wenschen, dan onvoldane illusiën. Ik geloof dus niets kwaads te
doen, wanneer ik u hier onder mijn streng opzicht laat leven in rozengeur
en poëzie, mits ge verstandig zijt, mits wat ge hier ondervindt
slechts een droom blijft, een aangename herinnering voor uw volgend
leven, maar daarop in geen geval invloed mag uitoefenen. Deze voorwaarde
heb ik u in 't begin gesteld, belooft ge nog eens die te zullen nakomen?"
"'t Helpt immers niets; ik moet mijn lot ondergaan."
Een onbeschrijfelijke blik werd door Gretchen op de oude dame geworpen;
dadehjk echter wendde zij de oogen af, vouwde de handen en zeg naar
buiten naar den hemel, die door de ter kimme nijgende zon in vurigen
gloed werd gezet, naar het dal, waarover kalm en vredig de rook zweefde,
die aan de schoorsteenen ontsnapte, en naar beneden in den tuin, waar
zij Otto's slanke gestalte ontwaarde.
Doch zij zag niets van dit alles; haar gedachten waren verre van daar.
Zij vergeleek twee wegen, twee lotsbestemmingen. Wat had Otto gegeven
als hij mocht zien, wat zij nu aanschouwde?
[92:]
Plots schudde zij
het hoofd en nam snel het penseel weer op.
"Ik weet mijn plicht, Bertha," sprak zij met een droevigen
glimlach, "u weet, ik ben niet sentimenteel en ik zou 't ook niet
durven zijn, maar aan Jephta's dochter werden twee maanden geschonken,
vóór zij werd geofferd. Ik vraag maar drie weken."
"Wanneer ik op u vertrouwen kan, mijn lieve, ge weet hoe gaarne
ik u een genoegen gun."
"Ja, gij weet ook welk leven mij wacht."
"Een leven, o Margerethe. . . . "
"Stil, hij komt er aan."
"Nog een woord! Kind, er zijn drie dingen, waarmede men niet spelen
moet: het vuur, den leeuw en de liefde."
"O vrees niet, ik zal zorgen dat het slechts een spel blijft."
Haar gelaat tintelde weer van opgewektheid en levenslust, toen Otto,
die de trap, van het balkon naar den tuin leidend, opgeklommen was,
voor de open deur verscheen.
De oude dame begroette hem minder vriendelijk dan haar nichtje, maar
toch beleefd; spoedig was ze in haar lectuur verdiept en de pseudo-meester
zag het werk zijner leerling na, maakte aanmerkingen, ot prees, totdat
het te donker begon te worden om de kleuren te onderscheiden; toen begon
de muziekles.
Gretchen zong en Otto accompagneerde, of Otto zong en Gretchen speelde,
of ze zongen beiden; een knecht kwam waarschuwen dat het souper in de
"Laube" was opgediend. Die "Laube" was boven in
den tuin onder de hooge acacia's; men wandelde daar heen en tante Bertha
deed nu druk mede met hun praten, lachen en schertsen.
't Was misschien wel zeer onverstandig van de grijze dame, maar zij
had, hoe wijs ook in anderj opzïchten, een zwak punt, aan duitsche
vrouwen van haar soort meer eigen; zij zag zoo gaarne een flinken jongen
en een mooi meisje met elkaar praten, zingen, ja desnoods een beetje
over "Liebe schwärmen". 't Was zoo lang geleden, dat
zij 't gedaan had en 't deed haar oud hart goed het van anderen te zien,
vooral wanneer zij het aan haar dankten en zij begon dan weer in 't
verleden te leven en dacht aan den "schönen Heinrich",
die ook eens op zoo'n heerlijken zomeravond naast haar gezeten was en
met wien ze gezongen had van Wald en Blume en Liebe. Ach, waar was Heinrich
nu?
't Zou Margaretha over dertig, veertig jaar nog goed doen, als ze zich
dezen avond kon herinneren en als in haar nabijheid anderen op hun beurt
dat oude en toch steeds nieuwe spel speelden, zij kon denken: Ik heb
het ook eens ondervonden en dankte het tante Bertha.
Te vreezen had ze niets; ze kon op Gretchen vertrouwen en daarbij zich
ontworstelen aan één eenmaal vastgesteld lot, wie zou
het wagen?