II.
MEN IS OP REIS.
De gewichtige morgen
was aangebroken; hoewel 't nog zeer vroeg was, stonden verscheidene
Achterweienaars toevallig op de markt, waar zich het statige woonhuis
der van Breugelens verhief, om getuige te zijn van het vertrek der hooge
reizigers.
Men had het grootste rijtuig der stad afgehuurd om zich daarmede naar
het naaste station te laten brengen. De zoon in een
[76:]
grijs fantasiepak
met een reistasch, een verrekijker en een botaniseerdoos aan drie riemen
om het lijf, een rooden Baedeker en een witte parasol in de hand, was
al wel drie malen de markt overgestoken naar den winkel. Mijnheer was
twee keer aan de deur geweest, in een lichtgeel pak, dat zijn gezette
liguur in vollen omvang deed uitkomen. Op zijn hoofd droeg hij een strooien
hoed, reismodel, met breeden rand. Den eersten keer kwam hij zien of
het rijtuig in aantocht was, den tweeden of 't weer zich goed ging houden;
er waren teekenen van ongeduld op zijn gelaat te lezen.
De dames hadden ook zoo lang werk.
Daar gaat de deur open en de indrukwekkende stoet verschijnt, blijkbaar
overtuigd, dat ze nu iets gaan verrichten, waarover de stad niet alleen
vandaag, maar ook morgen en overmorgen, dagelijks, zoolang ze weg zijn,
en weken, maanden, zelfs jaren na dezen belangrijken dag zullen spreken.
Daar is madame, wier kogelrond figuurtje een microscopisch klein matrozenhoedje
draagt; 't zelfde hoofddeksel prijkt ook op tante Ko-Mie's schrale met
krulletjes bekroonde kopje, op Clarence's hooge, blonde, kunstig in
elkaar gewerkte lokkenschat, op Minette's kort geknipte, dunne haartjes;
het eenige verschil bestaat in de sluiers. Die van Ma is stemmig zwart,
van tante licht-grijs, van Clarence marine-blauwen van Minette hel-groen.
In de kleeding heerscht deze behagelijke afwisseling niet; Clarence
heeft voor het reis toilet gezorgd, van de schoenen tot den hoed. Zij
heeft woordelijk alle raadgevingen opgevolgd, die in mode-journalen
en reisgidsen aan reizigers worden gegeven en is er van overtuigd, dat
zij een recht elegante groep vormen; tenminste voor zoover het mogelijk
is, denkt zIj zuchtend - met figuren als die van ma, tante en Minette.
Allen hebben bovendien reistassch om en witte parasols in de hand. Clarence
hanteert ook nog een blauwe - dat stemt met haar voile, - Murray-gids
en haar handen zijn in zeemleer geschoeid, de schoentjes zijn geregen,
dat stond ook in den gids.
Waarlijk, Clarence heeft eer van haar werk!
Daar stappen ze in; Minette geeft een scherpen gil, papa is vrij onzacht
op haar teenen neergekomen. Clarence legt haar 't zwijgen op: men kon
het aan den overkant hooren. Albert klimt op den bok, ma en tante rijden
vooruit. Minette moet zich schikken half op papa's, half op Clarence's
knieën. De talrijke koffers worden opgeladen, de koetsier legt
de zweep over de paarden, mijnheer buigt zich groetend naar de belangstellenden,
Clarence mompelt iets van dat "nieuwsgierige canaille". Albert
heft zijn reishoed in de hoogte en verkneukelt zich van pret, omdat
die kale jonker van Hoven, die no. 1 van zijn cursus is, en dien hij
een onverdragelijken pedanten kerel vindt, juist aan het raam staat
om den triomfalen uittocht te zien.
Als ze langs den winkel rijden, groeten ma en tante even de
[77:]
beide winkelmeisjes,
den zetbaas en zijn vrouw, die met stralende gezichten hun goede reis
toewuiven en zich de handen wrijven van pret, omdat die lastige "ouwe"
in de onmogelijkheid is, hen vooreerst op de vingers te kijken.
Een oogenblik later en de vleeschwagen (zooals een grappenmaker vrij
oneerbiedig de zegekar der van Breugelens betitelde) is uit het oog
zijner bewonderende, afkeurende, benijdende stadgenooten verdwenen.
Als wij het gezelschap weer terugzien, dan is het tegen het vallen van
den avond op het dek van een Rijnboot, die kalm en waardig den stroom
tegemoet gaat. Mevrouw zit naast haar zuster, zeer behagelijk met half
gesloten oogen op een gemakkelijken stoel en wijdt aan de heerlijke
oevers niet meer belangstelling, dan ze in haar schatting waard zijn.
't Is dien dag recht warm geweest, en haar bol gelaat draagt er nog
de sporen van in zekeren glans, die vooral in de groefjes onder de oogen
en om het diepliggende mondje zetelt. Tante Ko-Mie kijkt droomerig voor
zich uit naar de stoompijp en denkt, bij zichzelf natuurlijk en bij
niemand anders, dat het reizen toch eigenlijk de moeite niet loont,
om er zooveel gedoe voor te maken; Minette zit heel zoet naast haar
en maakt een zaag van een touwtje, dat ze opgeraapt heeft. Vader en
zoon staan over de verschansing gebogen en de eerste doet zijn zoon
allerlei vragen over de ruïnes, die men langs komt, welke deze
zoo veel mogelijk uit zijn Baedeker beantwoordt, en de elegante Clarence?
Clarence staat vóór op het uiterste punt geleund; zij
is niet in haar humeur; de reis heeft haar nog niet gebracht wat zij
zocht.
Wat dan? Ja, dat wist ze zelf niet. Maar niets buitengewoons.
't Was nog eigenlijk precies als thuis; niets is ook onhandiger dan
met zoo'n karavaan te reizen en sedert zij meer toeristen gezien had,
vond zij mama, tante en Minette allerbespottelijkst met haar kleine
hoedjes en papa in zijn kanariepak en Albert met zijn riemen, tasschen,
doozen en kijkers, allerdolst.
Zij voelde zich in zoo'n gezelschap misplaatst, want Clarence was bijzonder
ingenomen met haar slanke, buigzame figuur, niet te groot en niet te
klein, niet te mager om hoekig te zijn, juist iets wat de kleeren tot
hun volle recht deed komen. Haar gelaat vond zijzelf interessant; in
Achterwei echter ging Clarence voor leelijk door. Haar kleur scheen
ongezond en miste de frischheid, de oogen hadden bijna dezelfde onbestemde
tint, iets tusschen geel en grijs, en schenen schakeeringen van haar
gelaatskleur. Op haar trekken kon met den besten wil der wereld slechts
het woord gewoon toegepast worden. Bovendien had ze zich bij het praten
allerlei oogopslagen, gezichtsverdraaiïngen en andere kleine bewegingen
met schouders, hoofd en nek aangewend, gewoonten, die alleen een mooi
meisje zich veroorloven kan, omdat zij daardoor niet leelijker wordt,
als zij ze met tact weet uit te voeren,
[78:]
maar die bij een
leelijk gezicht als Clarence, helaas! werkelijk bezat, spoedig even
belachelijk werden als de kleine hoedjes op de hoofden harer reisgenooten.
Clarence's houding en figuur waren goed en zonder die verdraaiïngen
zou men misschien haar minder fraaie kleur voorbij hebben gezien, terwijl
nu als het ware de aandacht er op geroepen werd.
Zij mijmerde en betreurde het onophoudelijk dat de reis nog zoo weinig
bijzonders had opgeleverd. Aan de grenzen was papa op het smokkelen
van sigaren betrapt; hij had toen hooge "steuer" moeten betalen
en dankte het alleen aan een flinke fooi, dat zijn schat niet was verbeurd
verklaard. Dit bracht hem den heelen dag uit zijn humeur, wat niet verbeterde
toen zij, 's avonds om elf uur in Keulen aankomende, daar alle hotels
bezet vonden en na anderhalf uur rondrijden eindelijk een onderkomen
vonden in een logement van den 3den of 4den rang, waar zij allen te
zamen ingekwartierd werden in een kamertje, dat eerst door honderd trappen
kon bereikt-worden.
Hoe de arme mevrouw hieronder te moede was, laat zich beter gissen dan
beschrijven. Zij bracht den nacht in bittere tranen door. Waarom had
ze ooit haar vaderland verlaten en geloofd aan de verzekeringen van
man en dochter? Reeds den eersten dag moest ze zich vermoeien, zoo als
zij het nog nooit te voren had gedaan; verder reizen zou haar dood wezen;
moest dat nu alle dagen zoo gaan? Papa antwoordde hierop vrij heftig;
het gesnik werd krachtiger, bovendien deden tante en Minette in koor
mede, zoodat dus de eerste avond vrij treurig eindigde.
Den volgenden dag werd van wege den treurigen toestand der gemoederen
besloten Keulen's merkwaardigheden maar op bezichtiging te laten wachten
tot bij het naar huis gaan en door te sporen tot Rolandseck. Voor een
beklimming der Drachenfels bestond weinig geestdrift, behalve bij Albert;
men stelde hem tevreden met te zeggen dat de Rolandseck veel mooier
en veel schilderachtiger was. Beneden in het café bleven mama
en tante gemoedelijk bij hun kopje koffie zitten terwijl vader met zijn
kroost den berg beklom. Minette en Albert kwamen terug met kransen eikenloof
om de hoeden; de oude heer, wiens goed humeur gaandeweg teruggekeerd
was, had zich ook aan die buitensporigheid willen schuldig maken, maar
Clarence verzette er zich zoo sterk tegen, dat hij er zich maar bij
had neergelegd.
Alles had er trouwens toe bijgedragen hem te versterken in zijn reeds
sinds lang vastgewortelde overtuiging dat Clarence bijzonder bij de
hand was en een scherpen blik bezat. 't Was goed van haar gezien dat
hij zich een witte parsol had moeten, aanschaffen, en dat hij zijn sigaren
niet had behoeven binnen te smokkelen, maar royaal aangeven; wat gaf
hij om een paar thaIers? Goed gezien, haar waarschuwing toch vooruit
logies in Keulen te bestellen en niet rond te jagen in korten tijd,
aleen om merkwaardigheden te zien, waaraan men eigenlijk niets
[79:]
heeft, maar zich
ergens te vestigen waar men de oude dames rustig bij haar kopje koffie
kon deponeeren; goed gezien eindelijk, dat het voor 't algemeen genoegen
veel wenschelijker ware geweest, als men mama, tante en Minette stil
thuis had gelaten.
Maar gedane zaken nemen geen keer, men schikte zich zoo goed mogelijk,
bleef dien nacht over in Remagen, waar mevrouw een kamer gelijkvloers
kreeg en een behoorlijke kan vol thee, die zij desnoods tot den bodem
toe mocht opdrinken, hetgeen haar de bekentenis ontlokte, dat het reuen
ook wel zijn aangename zijde had.
Den volgenden dag werd een uitstapje gemaakt naar het Ahrdal in een
flink open rijtuig, niets vermoeiend. In Altenahr nam men deel aan de
table d'hóte en deden mijnheer, mevrouwen de zoon, kellners en
oberkellner verbaasd staan over de hoeveelheid schinken, forellen, roastbeef,
pudding, enz. die zij van hun borden in hun magen deden verdwijnen.
In Neuenahr, de badplaats, was er concert in de Kurarten.
Clarence had daar gaarne den avond doorgebracht, maar mama had slaap
en papa verlangde naar de post uit Holland en dien avond begon Clarence's
neerslachtigheid. Aan de table d'hóte had zij naast een jongen,
engelschen dominé gezeten, die zoo goed als niets at en nog veel
minder sprak. Later was een Duitscher tegenover haar een gesprek begonnen
en toen kwam zij tot de ontdekking, dat haar kostschool-duitsch nog
veel te wenschen overliet, ofschoon zij geen domheden zeide als haar
vader, die een "baussenlandsche Postsegel" vroeg en haar broer
de hoogerburger, die gaarne met "kalte kip entbeiste." Liever
dan zich belachelijk te maken zweeg Clarence en deed alleen gelaat en
oogen spreken; later had ze er minder berouw van de kennis met den spraakzamen
gast niet te hebben voortgezet, toen zij merkte dat hij tot het ras
der commis-voyageurs behoorde, waarvoor de preutsche winkeliersdochter
een instinctmatigen afkeer koesterde.
Aan deze en soortgelijke herinneringen wijdde Clarence zich thans,terwijl
zij zoo goed als geen oog had voor den heerlijken aanblik, die beide
oevers boden.
't Was een prachtige avond, de ondergaande zon kleur de met een zacht
rood de heuvels, die zich in den statigen stroom spiegelden, terwijl
de oude stadspoorten, de grijze kerkjes en de met klimop begroeide vervallen
burchten lange schaduwen wierpen op de wijnbergen van de eene zijde
en de rotsen van de andere.
Kalmte en vrede stegen op uit die kleine in 't groen verscholen dorpjes,
die frissche villa's en hagelwitte hotels; het water flikkerde in goud
en purperglans, de wijngaarden schenen soms in vuur te staan en de ramen
der huizen glinsterden als zoovele zonnen, terwijl zij de stralen der
ondergaande zon weerkaatsten.
En mevrouw van Breugelen dronk kalm en vredig haar kogelfleschje limonade,
tante Ko-Mie dacht aan haar kanarievogel en
[80:]
haar poes en betreurde
haar breikous. Minette maakte nu frivolité met een draadje, dat
ze gevonden had, papa was in de kajuit een maderatje gaan drinken. Albert
zat gebogen over zijn panorama, van den Rijn en zag nauwelijks op. Juist
had hij besloten aan zijn schoolkameraden te vertellen dat hij de rivier
niet onaardig vond en Clarence noemde dat varen toch eigenlijk vervelend
en verheugde er zich in dat ze van Keulen uit in Wiesbaden kamers hadden
besteld, zoodat men daar eindelijk eens genieten kon van het reizen.
Hoe goed dat papa naar haar geluisterd had na het treurige leergeld,
dat ze in Keulen moesten betalen!
Wat weten we toch weinig af van onze toekomstige gedachten en gevoelens!
Nog geen kwartier later zou Clarence deze daad bitter betreuren en uit
alle krachten wenschen dat zij ze kon te niet doen.