IX.
Een week lang bleef
Victor's toestand bedenkelijk; toen kwam de crisis, waarna de beterschap
merkbaar werd. Justine had al dien tijd trouw aan zijne zijde gewaakt,
en nu eerst, nu het gevaar geheel geweken was, liet zij zich overhalen
eenige rust te nemen.
"Ge hebt een schat in uw vrouwtje," zei de dokter tot den
zieke. "Ge kunt haar niet genoeg op prijs stellen."
"Daarvan ben ik maar al te goed overtuigd, ik ben niet waard haar
te bezitten," en vol schaamte bedekte hij zich het gelaat.
"Kom kom, geen sentimentaliteit, vriend! Houd je bedaard, dat is
het voornaamste."
"En te denken dat ik haar diep ongelukkig maak," vervolgde
Everdijk als tot zich zelven.
"Ongelukkig? zoo'n flinke kerel als gij zijt, een lief
[144:]
vrouwtje ongelukkig
maken, ik zie daar de noodzakelijkheid niet van in! Hoor eens, Everdijk,"
ging de dokter fluisterend voort, "lig nu niet te tobben over dingen,
die je ziek hebben gemaakt. Alles is in orde, je schuld is betaald."
"Dokter, wat zegt u daar? Weet u van iets?"
"Wel neen, zorg maar dat je beter wordt, en dan kun je weer met
frisschen moed aan het werk gaan; maar nu rust, volmaakte rust!"
Vermoeid sloot de zieke zijne oogen, en viel in slaap.
Toen hij wakker werd scheen het gesprokene met den dokter hem als een
droom toe, maar hij trachtte er zijn geest niet mee bezig te houden.
Zijne gezondheid ging snel vooruit en reeds eenige dagen later kon hij
in de achtergalerij op een leuningstoel zitten.
Justine zat naast hem, en las hem de courant voor. Hij hield zijne oogen
gesloten, en sprak niets dan het hoognoodige. Toen zij opstond om hem
medicijn in te geven, sloeg hij den blik op, en bemerkte, dat zij, in
plaats van den gouden band, die haar sarong vasthield, een roode shawl
om had.
"Justine, waar is je pending?" vroeg hij.
"In de kast," was haar antwoord.
"En je diamanten oorringen?"
"Maar, Vik; je wilt toch niet hebben, dat ik 's morgens alle juweelen
op mijn sarong en kabaja [Indisch négligé] draag."
Doch ze werd zoo rood, zoo rood, dat Everdijk er geheel van ontstelde.
"Justine," sprak hij, zich oprichtende, "er zit meer
achter. Zeg mij de waarheid; nooit heb ik je zonder oorringen en pending
gezien. Zijn ze ook gestolen of...?" en hij zag haar angstig aan.
"O, Victor, wees niet boos, dat ik zoo onbescheiden ben geweest;"
- zij zette zich op de leuning van zijn stoel neer en nam zijne hand
in de hare, -"ik deed het met goede bedoelingen. Ik heb gemerkt.
dat er iets was, dat je belette jegens mij te zijn, zooals je het zelf
wildet, en omdat
[145:]
je niets wildet
zeggen, ben ik aan het onderzoeken gegaan. Daags na je vertrek opende
ik je secretaire,... ach! Victor, wordt niet kwaad!"
"Ga voort, Justine, en toen?"
"Toen vond ik een paar brieven van zekeren Louts uit Samarang,
en eene quitantie; je moest zeker die schuld betaald hebben, maar hoe,
wist ik niet
Ik kwam op het idée uwe verantwoordingen na
te zien."
"Maar Justine..."
"Ja, ik heb er zoo'n beetje verstand van; te huis moest ik ook
boekhouden - en ik bemerkte, hoe ver gij gekomen waart."
Everdijk wendde het hoofd af; de schaamte verteerde hem.
"Ik besloot alles te verhelpen, zonder dat je het merktet, en daar
ik te dom ben alléén te handelen, heb ik den dokter in
het geheim genomen, en alleen gezegd, dat je schulden hadt; door zijne
tusschenkomst heb ik mijne bijouterieën aan een paar radhen-ajoes
[Javaansche prinsessen] verkocht en er veel geld voor gekregen, Ik wist
niet, dat ze zooveel waard waren. Maar hij zal haar wat voorgepraat
hebben, Ziet ge, Vik, dat is nu de heele geschiedenis. Heb ik goed gehandeld
of niet?"
"Justine,- mijne Justine!" riep hij hartstochtelijk uit, en
sloot haar in zijne armen en zeide alles, wat hem op het hart lag, in
korte, onzamenhangende woorden die voor niemand waarde hadden, dan voor
haar, die ze met een blij kloppend hart opving.
"En nu," zeide hij, toen de eerste aandoening voorbij was,
"wat zal nu je familie zeggen, als ze weten, dat je om mijnentwille
van je juweelen beroofd zijt?"
"Och, Vik, dat behoeven ze nooit te weten. Tegenwoordig zijn fantaisie-stelletjes
erg in de mode, en ze zijn eigenlijk veel eleganter dan die lompe Indische
bijouterieën."
"Wat kunt ge je toch troosten! Maar hebt je waarlijk geen verdriet
van het verlies?"
[146:]
"Welneen,
Victor, beter zonder bijouterieën te loopen, dan beladen te zijn
met een menigte schulden. Doch indien je mij voor dit verlies wilt schadeloos
stellen, Victor, ach, beloof mij dan, nooit meer zoo alléén
te lijden als nu. Laat mij geen vreemdelinge wezen in uwe zorgen, maar
zeg me alles. Hadt ge dit vroeger gedaan, wat zoudt gij u veel smart
hebben bespaard!"
"Ik zweer het je, Justine, ik zweer het je," en hij verhaalde
haar de geheele geschiedenis van zijn hart, van het eerste oogenblik
af dat hij haar in de Concordia had zien dansen.
Een paard hield voor de deur stil; de dokter steeg er af, met een soort
van valies in de hand. Hij begaf zich dadelijk naar de achtergalerij.
"Wel zoo," riep hij vroolijk, "hoe gaat het? Ja ik zie
't wel; 't gaat flink vooruit. Je pols! Mooi, niets geen koorts, maar
het had leelijk kunnen afloopen. En mevrouw, braaf uitgerust?"
"Dokter," zeide Everdijk uit de volheid van zijn hart, "u
hadt gelijk mijn vrouw is een engel."
"Ja, een engel, en ben ik nu geen duivel, dat ik het mijn geheele
leven zal moeten aanzien, dat zij nog eenvoudiger zal gekleed moeten
gaan, dan de vrouw van mijn klerk?"
"Ach kom, het kwaad is zoo groot niet; als men zijn goud en diamanten
in 't hart draagt, dan kan men ze op het kleed wel ontberen, maar het
oog wil ook wat hebben, en hierin hebt ge gelijk" - langzaam maakte
hij zijn valies open -- "mevrouw zal er nog liever uitzien, als
ze die lieve belletjes aan hare ooren steekt, en deze broche
En
hij legde één voor één, Justine's eigen
juweelen vóór haar op het tafeltje neer.
"Maar dokter!" riepen man en vrouw verbaasd, "wat beteekent
dit?"
"En nu maar gauw verlof gevraagd naar Batavia, en dit kistje teruggebracht
aan wie het toekomt!"
En de beroemde kist van tante Jet kwam van onder het valies te voorschijn!
[147:]
"Dokter, ik
verwacht eene explicatie," sprak Everdijk in gespannen verwachting.
"Och, die is doodeenvoudig."
"O, ik raad het al," zei Justine, in tranen uitbrekend. "Ik
begrijp het nu."
"Mevrouw Zanger, uwe geachte tante, die laat me dit ronduit zeggen,
veel meer doorzicht en oordeel heeft, dan ze wel kan zeggen, begreep,
dat er iets bestond (vergeef mij, dat ik onwillekeurig in zaken kom,
waarmede ik mij eigenlijk nooit had moeten bemoeien,) iets, waardoor
gij niet volmaakt gelukkig waart. Ze kon het denkbeeld niet verdragen,
dat men naar haar dood verlangde, en strooide dus het praatje rond,
dat men haar vermogen had gestolen, terwijl zij het in waarheid aan
mij vertrouwde
"
"Ik vermoedde het wel," dacht Everdijk.
"En te gelijk opdroeg, om wanneer ik zien mocht, dat gij in zeer
moeielijke omstandigheden kwaamt, u buiten haar om te helpen. Toen mevrouw
Everdijk dus mijne hulp inriep om hare bijouterieën te verkoopen,
begreep ik, dat het oogenblik gekomen was aan haar wensch gehoor te
geven. En om nu vrij spel te hebben, kom ik u alles zeggen."
"Duizendmaal dank, dokter! Ik weet niet wie van drieën ik
het meest moet danken, tante Jet, Justine of u."
"Wat heb ik gedaan? Ik was maar het werktuig dier dames en niets
meer. Nu is de zaak tot ieders genoegen geëindigd. Zorg maar, dat
ge in geene aanraking meer komt met zulke akelige roofdieren als de
beren zijn, en voor het overige, basta!"
"Nog niet, dokter! Tante moet niet door ons weten, wat er gebeurd
is; ik weet, dat het haar erg hinderen zou als ze hoorde, dat we alles
wisten; daarom rust op u de zorg, de zaak met haar af te maken. Maar
voor vandaag spreken wij er niet meer van. U blijft bij ons eten."
"Nu, mevrouw, het zou al te onoprecht zijn, wanneer ik u bedankte
voor die eer."