VIII.
Viktor Everdijk zat alleen in zijn kantoor. In zijne hand hield hij een brief, en las dien herhaaldelijk over, als om er
[141:]
het een of ander
lichtpunt in te zoeken. Het schrijven kwam van zijn voornaamsten schuldeischer,
een rijken heer op Samarang, van wien hij tegen hooge rente een aanmerkelijke
som had geleend.
De brief sprak van rechterlijke vervolging; van korting op zijn traktement,
van verkoopen der pretentie; alle verschrikkelijke dreigementen, die
de schulden achter zich voeren.
Menig ander dan Everwijk had die zaak meer philosophisch opgenomen,
en zich daarover niet bekommerd, maar aan zijne schuldeischers de zorg
overgelaten, ze met het Gouvernement af te maken, daarvoor had hij nog
te veel eergevoel; hij schaamde zich voor zijn schoonvader, voor zijne
vrouw, te moeten bekennen, dat hij haar enkel had getrouwd omdat zij
eene rijke erfenis te wachten had, dit denkbeeld alléén
maakte hem duizelig. Tot nu toe was alles, dank dezen geldschieter vooral,
goed geheim gebleven, maar nu dreigde hij met openbaarmaking; en dan?
Er lag veel geld voor hem in het laadje zijner secretaire: de schuld
was er slechts een klem gedeelte van; o, wat verleidde hem we schat,
hoe gemakkelijk zou het zijn de hand daarnaar uit te steken, en alle
mogelijke schulden daarmee te betalen! Het was de gouvernementskas;
lang kon het duren voor ze geïnspecteerd werd, indien tusschentijd
zou alles geregeld kunnen worden; hij kon, zoo hem de tijd daartoe gegund
werd, zoo regelen dat nooit iemand iets van het bedrog te weten zou
komen. Waarom zou hij dan aarzelen?
De vrees voor een slechte daad hield hem eenigen tijd terug; de strijd
was hevig, maar de brief die uittartend voor hem lag, overwon; snel
nam hij een groote som uit de kas, gelijkstaande met het driekwart zijner
schuld, sloot deze in eene enveloppe, schreef het adres, en zonder eenige
verdere voorzorgen legde hij het stuk tusschen de andere brieven, die
op verzending wachtten.
Hij was doodsbleek geworden; elk geritsel deed hem opspringen; een oogenblik
was voldoende geweest om hem schuldig te maken, en hij sidderde voor
de verschrikkelijke verantwoordelijkheid, die hij op zich had geladen
tegenover God en de menschen.
[142:]
Dien middag sprak
hij geen woord aan tafel, vergat zijn gewoon middagslaapje, deed later
niets dan brommen op de bedienden, en trachtte alzoo het vuur, dat hem
inwendig verteerde, te blusschen. Eenige dagen later, toen de quitantie
reeds in zijn bezit was, verliet hij Karang-Gossoh om een dienstreis
te ondernemen, en liet Justine met Poppie alleen achter.
Hij bleef twee weken weg, en in de diepe eenzaamheid van het gebergte
nam zijn onrustige, verbitterde stemming eenigszins af. Het was dus
met veel zachtere gevoelens, dat hij op een avond weer in zijn woning
terugkwam. Justine zat in de achtergalerij te naaien, terwijl kleine
Poppie huisjes en boomen uit een speelgoeddoos op de tafel rangeerde.
"Nu al terug, Vik? Dat had ik niet verwacht," zeide zij, en
ging hem blijmoedig te gemoet.
Hij omhelsde haar en Poppie, en vroeg bijna onmiddellijk, of er niets
nieuws was voorgevallen.
"Niets," antwoordde Justine; doch zoo hij haar oplettend had
bezien, zou hij gemerkt hebben, dat zij de volle waarheid niet zeide.
Men zette zich aan tafel; Everdijk verhaalde over zijne reis, Justine
over brieven die zij uit Batavia had ontvangen, waar de familie zeer
verheugd was door de komst van een kleinen wereldburger, en zoo verliep
een aangenaam uurtje.
Het dessert was juist opgebracht, toen Justine opeens, als had ze er
pas aangedacht, zeide:
"A propos, Victor, je klerk zal je wel veel te vertellen hebben;
gisteren is de Inspecteur van Financiën op je bureau geweest."
"En dat zegt ge nu pas?" riep hij opstuivend, "en
en wat
!"
Hij was lijkkleurig geworden, vloog de kamer uit, zijn kantoor in.
"Victor trek het je niet zoo aan, alles is goed afgeloopen!"
riep de verschrikte Justine.
Hij hoorde niet, stak de petroleumlamp op zijn lessenaar aan, sloot
de deur achter zich, en nam zijne boeken op, maar hij zag, hij las niets:
de letters en cijfers dansten voor
[143:]
zijne oogen, de
gedachten dwarrelden door zijn hoofd rond zijn gelaat gloeide, zijn
lichaam was koud als ijs; alle pogingen om bedaard de kolommen na te
zien waren vergeefs, zijne krachten begaven hem. Hij gleed van den stoel
op den grond, en zoo vond hem een uur later de ongeruste Justine, die,
na vruchteloos kloppen op de deur, het raam had laten openbreken. Zij
riep hem bij den naam, maar hij verstond haar niet, en kermde onophoudelijk.
Hij leed aan eene hevige koorts. Met veel moeite bracht zij hem te bed,
waar hij den geheelen nacht door bleef ijlen. De lang ingehouden aandoeningen
gaven zich eindelijk lucht; als Justine hem eenige uitleggingen gaf,
wilde hij van niets hooren, of; liever hij verstond haar niet.
Het was een schrikkelijke nacht voor het jonge vrouwtje.
Zij had een bediende naar den dokter gezonden, maar deze woonde tien
paal verder en het was reeds ochtend toen hij kwam. Justine kende den
achtenswaardigen man goed; tante Jet had hem vroeger dikwijls noodig
gehad, en deze, die zoo zelden met een tottok ingenomen was, schonk
den dokter van T. haar vertrouwen.