VII.
Op een guren morgen
in de regenmoesson kwam Justine zeer vroeg in de kamer harer tante,
en vond deze voor hare kast staan in de houding van iemand, die in de
grootste verslagenheid verkeert; het slot droeg sporen van opengebroken
te zijn, eenige kleeren lagen op den grond verspreid, en 't raam stond
open.
"Ze hebben gestolen; alles is weg; ik ben nu arm Justine, tobat
toch die dieven!"
En zij begon luid te weenen. Justine schrikte hevig; ze zag de kast
na, en kwam spoedig tot de overtuiging, dat alle zilveren sieraden van
de toilettafel en zelfs de beroemde geldkist, verdwenen waren.
Justine wekte haar man, deze kwam dadelijk toegeschoten; alles werd
nog eens opgenomen; men riep de bedienden, die natuurlijk van niets
afwisten, en toen er niets duidelijk werd, nam Everdijk zich voor gerechtelijk
onderzoek te laten doen naar de dieven. Hij was zeer driftig.
"Dat komt nu van dat eeuwige potterssysteem," pruttelde hij;
"in plaats er iemand plezier mee te doen, strijken de dieven met
dat geld, en niemand heeft er iets aan. Poppie, als je ooit rijk wordt,
moet je oppassen, dat de dieven niet met je geld gaan loopen."
"Ik ben bang voor de dieven. Als ze maar niet Poppie stelen!"
huilde het kind.
"Wees maar niet bang, als ze tantes poppen hebben, zullen ze Poppie
met rust laten. Maar ik weet wie er schuldig is!"
[138:]
Tante was kalm
naar omstandigheden; zij was veel minder opgewonden dan haar neef.
"Nu ben ik arm," zeide zij, "ook hoed. Nu goef niemand
te verlangen, dat ik dood haat."
"Tante," sprak Everdijk, nadat de uitkomst bewezen had, dat
al zijne pogingen vergeefsch waren geweest, "één
kan er maar zijn, die uwe kist heeft gestolen; 't moet iemand wezen,
die fameus goed met de geheimen van uwe kast bekend is. Dus ik hoop,
dat u het mij niet kwalijk zal nemen als ik het u rontuit zeg: Niemand
dan Sarilah kan het gedaan hebben."
"Astaga!" riep tante met opgeheven handen, "dat is niet
waar! Sarilah veel te eerlijk! zij geeft niet gestolen, dat weet ik
wel. Allah toch, Everdijk, je mag zoo niet denken. Sarilah is een hoed
kind, dat weet Justine wel, niet waar, Justi?"
"Goed of niet goed! We zullen de jongejuffrouw eens onderhanden
nemen."
"Niet doen toch! Dat kind is zoo klein. Ze kan niet, eens met de
hand tot het slot komen. Tobat; Everdijk, je maakt zoo'n spektakel.
Soedah, laat maar mijn held weg, nu goef je niet meer te verlangen naar
mijn dood."
Tante vond dezen volzin zeker zoo mooi, dat ze dien iederen keer ten
beste gaf.
"Allemaal praatjes! 't Hollandsche geld is veel te mooi om er een
paar vuile Javanen mee te laten pret maken. Sarilah, kom eens hier!"
't Verhoor gaf weinig resultaat; 't arme kind begon dadelijk hardop
te huilen, en antwoordde of niets op de vragen, of toonde door hare
antwoorden, dat zij ze volstrekt niet begreep. De andere bedienden werden
op hunne beurt ondervraagd.
Niets baatte, de dieven waren gevlogen, en niemand wist waarheen. Natuurlijk
baarde die geschiedenis veel opzien, doch zooals het gewoonlijk gaat
eene maand later dacht niemand er meer aan dan de betrokkenen, en Everdijk
vooral. Hij had zijne vermoedens, en gaf ze onbewimpeld aan Justine
te kennen.
Ofschoon zij dit niet bekende, was ze van het eerste
[139:]
oogenblik af van
zijn gevoelen geweest. Hij kon tante Jet niet goed meer zien; alles
wat zij deed hinderde hem; ze kon niets meer doen wat hem beviel, en
zelfs Justines tegenwoordigheid belette hem niet, om nu en dan aan zijn
gevoel lucht te geven. Hij geraakte hoe langer hoe meer in eene spanning,
die hem verbitterde; en al zijne goede gevoelens zoo niet doodde, dan
ten minste in slaap suste.
Gelukkig voor allen kwam er een brief uit Batavia.
Leonie had leeren inzien, dat het beheer van een groot Indisch huishouden
heel iets anders is dan dat van een Europeesch bovenhuis gedurende de
wittebroodsweken.
Het bestier kostte haar zeer veel hoofdbreken en, wat het ergste was,
Van Weijnen merkte, dat de daling van zijn maandelijksch saldo volstrekt
niet in evenredigheid stond met de verbeteringen van tafel en bediening.
Na lang en rijp beraad vond Leonie, dat zij voorbarig had gehandeld,
en het toch beter was, zich zelve geheel aan de kinderen en haar toilet
te wijden, en voor het overige maar het juk van tante Jet te dragen.
Er werd dus een heel vleienden brief geschreven, waarin Leonie op alle
mogelijke wijzen bewees, dat Justine toch niet half al de zorgen had
harer ouders, en dus tante te Batavia veel noodiger was dan te Karang-Gossoh.
"Geel hoed!" zei tante. "Gierzoo ik ben toch maar last;
daarzoo ook toktok, overal toktok, maar daar ze vragen mij, en gier
nu ik arm ben, ze geb niet meer noodig met mij."
En zij vertrok naar Batavia, tot groote verlichting van Everdijk, en
alleen betreurd door de arme Justine, die zich thans zoo eenzaam en
treurig gevoelde, als ware ze alleen op de wereld.
"Justine," zei Everdijk haar eens, "ik maak je ongelukkig."
"O neen, Victor!" antwoordde zij.
"Ontken het niet, ik zie 't aan je gezicht, je hebt in mij den
man niet gevonden dien je tot echtgenoot hebt gekozen."
"En jij ook niet in mij, Victor?"
[140:]
"Justine,
zeg dat niet! Wat zou ik je verwijten! Ik wilde dat ik anders was, ik
zou u zoo gaarne willen vergoeden, wat je ginds hebt achtergelaten,
maar - "
"Er is iets dat je hindert, Victor, ik weet niet wat het is. Zeg
het mij ronduit! Geloof me, het zal beter zijn wanneer je niets voor
mij verbergt, dan op deze wijze."
"Neen, Justine, ik kan het je niet zeggen, je kunt er niets aan
doen en, geloof me, er zou eene grooter verwijdering tusschen ons ontstaan,
wanneer ik zulk eene nuttelooze bekentënis deed."
"Zeg me ronduit Vik, is het iets onteerends?"
"Je wilt me uitvragen Justine, en ik zeg je vooraf, dat ik op niets
antwoord. Alles of niets! Weet echter, dat ik meer ongelukkig, dan slecht
ben."
"O foei, en ik kan je niet helpen, niet troosten! Waarom ben ik
dan je vrouw, als het niet is om lief en leed met je te deelen?"
"Later als het voorbij is, maar wanneer en hoe dit gebeuren zal
weet God alleen."
"Ach, Victor, is ons huwelijk er oorzaak van; is het je in eenig
opzicht tegengevallen?"
Hij verbleekte.
"Justine, ik had nimmer te Batavia moeten komen, het ware voor
jou en voor mij beter geweest."
En hij verliet de galerij.
Met grenzenlooze onbedachtzaamheid had hij hier eenige van zijne gedachten
opengelegd, zonder er aan te denken, hoe Justine ze duizend en duizendmaal
in haar geest zou herhalen en gevolgtrekkingen maken, die verre van
de waarheid verwijderd waren, en misschien niet tot zijn eer strekten.
Zij besloot eindelijk, het kostte wat het wilde, achter Everdijk's geheim
te komen, en stelde daartoe al hare aangeboren vrouwelijke listigheid
in het werk.