VI.
Eenige dagen na
de bruiloft van Victor Everdijk en Justine van Weijnen verscheen een
groote reis wagen op het erf van haar vader. Eene menigte doozen en
pakjes werden er ingedragen; het pleegkind van Tante Jet klom op den
bok, een zeker teeken, dat de oude dame het bruidspaar vergezelde; eindelijk
kwam de geheele familie in de voorgalerij. Nonnie en Jakob huilden hardop.
Justine zag er ernstig uit; Leonie was druk in de weer: zij dacht om
alles, zorgde voor alles, en uitte soms op haar gewone, naïeve
wijze het gevoelen van hare onmacht, om nu alleen zulk een groot huishouden
te dirigeeren, waarop tante niet veel anwoordde. Ze wilde veel liever
haar nichtje helpen dan een vreemde toktok. Poppie ging mee; dat zou
voor Justine een heele afleiding in Karang-Gossoh zijn.
Eindelijk was het oogenblik van vertrek gekomen; nu eerst
[134:]
verloor Justine
haar bedaardheid, zij wierp zich aan haar vaders borst, luid snikkende:
"Ach, papa, lieve papa!"
Ook Van Weijnen was ontroerd.
"God zegene u, mijn beste kind," zeide hij, "wees voor
je man eene even goede vrouw als je voor mij eene dochter geweest zijt;
en gij, Everdijk," ging hij voort, zich tot den controleur richtend,
"waardeer haar goed, want ik vertrouw u een schat toe."
Everdijk beloofde dit, maar hij werd bleek; niettegenstaande hij zich
in den grond van zijn hart voornam, die belofte getrouw te blijven,
kwam de geheime drijfveer van al zijn daden hem luide verwijten, dat
hij vader en dochter bedrogen had. Tante Jet's afscheid van haar zwager
en diens vrouw was niet bijzonder roerend, maar bij Jakob gekomen, kreeg
zij een aanval van sentimentaliteit, en toen ieder zijne beurt had gehad,
stapten allen in het ruime rijtuig.
Het portier werd gesloten; de loopers zetten de paarden aan, de koetsier
deed zijne zweep klappen; men boog zich nogmaals om met zakdoeken te
zwaaien, en voort ging het gevaarte den langen weg af, het zinnebeeld
van hun levensbaan.
"Zie zoo," dacht Leonie, "nu eerst ben ik in waarheid
mevrouw Van Weijnen."
De controleurswoning van Karang-Gossoh was een aardig huis; het lag
schuins tegenover de Regentswoning, door een tuin van den grooten weg
gescheiden. Voor een jonge-mans-verblijf zag het er netjes uit; in den
tijd van zijn engagement had Everdijk er eenige veranderingen in laten
maken; en tante Jet had voor gerieflijk meubilair gezorgd.
"Het ziet er allerliefst uit," zei Justine tevreden.
"Vindt ge dat? Ik voor mij vrees dat jij, die aan het levendige
Batavia gewoon zijt. Karang-Gossoh schrikkelijk eenzaam zult vinden,
en dan met zulk een droog mensch als ik."
"Als jij, Vik? Kom dat meen je niet."
"Toch wel, Justi, ik
" Hij had eene bekentenis op de
lippen, maar de schaamte legde hem 't stilzwijgen op.
[135:]
Niets brengt zulk
een dwang tusschen twee personen, dan wanneer één hunner
in 't bezit is van een geheim dat hem geheel vervult, en dat hij niet
aan de andere kan of wil mededeelen. Jnstine bemerkte dat Victor's ziel
niet voor haar blootlag, ze was te kiesch om hierover eene vraag te
doen, maar zij leed er toch door.
Eenige dagen na hunne aankomst kwam Everdijk kort voór het ontbijt
bij zijne vrouw, met een briefje in de hand.
"Och, Just," vroeg hij, "ik heb daar een rekeningetje
gevonden, dat nog op betaling wacht. Ik ben op 't oogenblik slecht bij
kas; zou je tante me die 300 niet willen voorschieten?"
"Zeker, wel Vik, ik zal 't haar vragen
"
Tante voldeed dadelijk aan Justine's verzoek; maar toen zij veertien
dagen later met hetzelfde verzoek aankwam, begon zij iets te brommen
over menschen, die niet konden wachten tot haar dood, om haar dan voorgoed
uit te kleeden.
"Laat dit nu voor het laatst zijn, Vik," verzocht Justine.
"Tante is een beetje houvast en ik kan de gedachten niet verdragen,
dat wij nu reeds op haar erfenis willen teren
"
"Dat zou bespottelijk zijn," mompelde Everdijk; "maar
ik vind het alles behalve lief, dat ze om zoo'n kleinigheid reeds pruttelt;
dat mag ze toch wel voor je overhebben."
En na dien tijd was Victor tamelijk koel tegen tante, tot grooten spijt
der arme Justine die beurtelings de klachten van beiden over elkander
moest hooren, zonder voor één hunner partij te mogen kiezen.
Had Everdijk kunnen veinzen, dan zou hij zich zoo lief mogelijk tegenover
tante Jet hebben voorgedaan, maar dit ging hem slecht af en hij koos
de slechtste partij. Op die manier baatte het hem niets, een lief vrouwtje
als het zijne aan hare familie ontnomen, en in de wildernis overgebracht
te hebben: de beren bromden luider dan ooit; er moest een eind aan komen.
"Justine," zeide hij eens, na langen strijd met zich zelven,
"ik geraak bepaald in moeilijkheden, zoo deze re
[136:]
kening niet betaald
wordt. 't is maar 470, doch ik heb niets in kas; voor je tante
is het eene kleinigheid. Heeft zij dat nu niet eens over voor je man?
Ik kan dat egoïsme van die Indischen niet verdragen."
Justine kleurde; elk woord ten nadeele harer landgenooten gezegd, rekende
zij als tot haar persoonlijk gericht.
"Zijn de Hollanders het nooit, Vik?" vroeg zij.
"Wat bedoel je?"
"Of die nooit egoïstisch zijn?"
"Ziet dat op mij?"
"Volstrekt niet op u, in 't bijzonder; je zegt van tante, dat zij
egoïstisch is, ofschoon zij dit nooit heeft getoond. Integendeel,
altijd heeft ze alle mogelijke zorgen voor onze familie gehad, en nu
zelfs..."
"Wat nu? Is 't dan zoo'n opoffering om hier den baas te spelen,
wanneer ze genoeg merken kan, dat ze haar te Batavia meer dan moe waren?
Voor mijn part
Zeg eens, Justine, wil je het nog eens probeeren?"
"Neen, man, ik doe het niet! Ik wil me niet ten tweeden male aan
eene weigering blootstellen
"
"Zal ik het dan doen?"
"Ach, Victor, dat gaat nog minder. Geloof mij, als tante eens neen
heeft gezegd, dan blijft ze er bij
"
"Wat doet dat mensch toch met al haar geld? Het laten roesten in
de trommel, terwijl het mij uit de verlegenheid zou redden. Ik kan me
van zulk een zotheid geen begrip vormen. Niets is onverdragelijker dan
zulk onvruchtbaar geld. Ze verdient het niet te hebben
"
"Als je er zoo over denkt, Victor," zei Justine half schertsend,
"had je beter gedaan met tante, in plaats van met mij te trouwen.
Dan had je zeker meer invloed op haar gehad dan nu."
Op zulk eene verandering, als er thans in Victor's trekken plaats had,
was Justine niet voorbereid. Hij verbleekte, stond schielijk op, wierp
de deur met geweld achter zich toe, en liet Justine gedurende den geheelen
dag alleen.
Het was regenachtig, somber weer, alles stemde tot melancholie, en Justine
bleef in hare kamer schreien. Tante
[137:]
kwam er bij, en
na lang vragen bekende Justine eindelijk dat Everdijk in zorgvolle omstandigheden
verkeerde wegens die schuld. Zonder een woord te spreken, haalde tante
Jet haar kistje voor den dag, en legde het geld in één
pakje bankbiljetten op de tafel.
"Goede, lieve tante," snikte Justine, en het deed haar pijn
in 't hart, dat de man, dien zij innig, zelfs hartstochtelijk, liefhad,
toch nog slecht dacht over hare tweede moeder.