V.
Op den volgenden Woensdag huurden Smit en Everdijk samen een rijtuig en reden naar Kramat, waar het huis der Van Weijnen's in zijn schitterenden glans van glaslicht prijkte. Leonie nam de honneurs waar, lief en naïef als altijd; Justine stond haar ter zijde, terwijl papa alle huishoudelijke beslommeringen aan de whist-tafel vergat. Tante Jet was bij zulke gelegenheden gewoonlijk niet te zien. De recepties van mevrouw Van Weijnen hadden, niettegenstaande zij nog zoo kort bestonden, reeds eene reputatie verworven.
[132:]
Leonie verstond
uitnemend de moeilijke kunst der causerie; ze sprak even gemakkelijk
en over alles met den ontwikkelden heer als met de onbeduidendste dames,
Justine was een goede musicienne; mijnheer won aller harten door zijne
jovialiteit, en wat niet het minste was, er werden goede thee, fijne
dranken en Manilla-sigaren gepresenteerd; dikwijls kwam een fijn soupé
de gasten verrassen, en al deze voorrechten maakten het huis der Van
Weijnen's tot eene zeer geliefkoosde plaats voor hunne talrijke kennissen,
met dezer kennissen, want nergens wordt het spreekwoord: Les amies de
mes amis sont mes amis [De vrienden van mijn vrienden zijn mijne vrienden]
) zoo tot waarheid gemaakt als in onze goede Oost.
Everdijk was dien avond het middelpunt: hij musiceerde met Justine;
hij gaf zelf eene prachtige solo ten beste; hij sprak met Leonie over
Fransche en Duitsche litteratuur; hij vertoonde nieuwe kunstjes met
de kaarten, - in één woord: hij was allerbeminnelijkst
voor iedereen, maar voor Justine het meest. Zij vond hem dan ook zooals
hij zich voordeed, een aangenaam jong mensch, en, voor het eerst van
haar leven klopte iets daar binnen ten gunste van den geestigen controleur.
En hij?
Smit zweeg met voordracht over hetgeen op 't bal gesproken was; hij
liet zelfs niet uit de verste verte merken, dat hij nog eenige herinnering
daaraan had bewaard; slechts toen Everdijk hem aan zijn huis afzette,
om alleen verder naar zijn logement te rijden, zeide Smit:
"Jammer, dat je niet met de tante hebt kennis gemaakt! Een lief
mensch, o zoo lief, maar in plaats van op hare tong of haar gezicht,
bewaart zij die liefheid in het geldtrommeltje
"
Nauwelijks was Everdijk alleen, of hij bedekte zich het gelaat met de
handen. Hij schaamde zich voor zich zelven:
"Onder alle meisjes zou ik haar juist hebben uitgekozen, maar kan,
mag ik haar, die ik hoogacht en misschien spoedig innig zal liefhebben,
mijne hand aanbieden, omdat zij bij den dood van hare tante rijk zal
zijn? Smit zou zeggen, dat ik al te romantisch ben, en dat het juist
goed
[133:]
uitvalt in het
meisje van mijne keuze het noodzakelijkste te vinden; doch dit neemt
niet weg, dat ik Justine alleen zou trouwen om het geld, en het meisje
verdient beter. O, hoe waar is het, dat elke fout hare straf na zich
sleept!"
Niettegenstaande deze wijsgeerige gevolgtrekking, trok Everdijk eenige
weken later de stoute schoenen aan. Hij vroeg bij Leonie om Justine's
hand, en toen deze, over het voorstel verrukt, hare stiefdochter liet
roepen, las Victor in dezer oogen, wat hij vreesde en hoopte te gelijk.
Zij had hem hare liefde geschonken, de eerste liefde van haar warmgevoelig
hart. En hij, in plaats van het op die wijze te beantwoorden, hij gehoorzaamde
slechts aan een koud eigenbelang. Fijngevoelig en prikkelbaar als hij
was, kwetste deze gedachte hem in het diepste van zijn werkelijk edel
gemoed, maar slechts één weg stond hem open. Hij kon niets
anders handelen,- vervolgd als hij onophoudelijk werd door de schaduw
van zijn berg schulden. Het strikte geheim, dat hij hierover moest houden
gedurende den korten tijd van hun engagement, deed hem de gevolgen van
zijn stap nog donkerder inzien, en gaf hem soms iets treurigs dat de
helderziende Justine tot nadenken stemde.