IV.
In een der zijgalerijen van de societeit Concordia, waaruit men een vrij gezicht had op de groote danszaal, stonden twee heeren rustig de dansende paren aan te zien,
[128:]
en toch was het
wel te verwonderen, dat zij geen deel namen aan den dans. Zij waren
beiden nog jong, en de eene zelfs zeer knap van uiterlijk, ofschoon
er iets op zijn gelaat lag, dat men evengoed treurig als vermoeid kon
noemen.
"Kan je dat nu niet verleiden, Victor?" vroeg de andere; "jongen,
ik wou, dat ik in je plaats was,en die zeere voet me niet belette mee
te springen. Zelden waren er zoovele frissche, lieve toiletjes, en voor
zoover ik mij herinneren kan, was het nooit zoo geanimeerd. Kom, vrind,
ik deed mee, als ik jou was
"
De aangesprokene schudde het hoofd.
"Dank je, Smit; ik heb er geen lust toe
"
"En waarom niet, kerel, je zoudt goed ontvangen worden, je bent,
neem 't me niet kwalijk, dat ik't ronduit zeg, een knappe vent, en wees
verzekerd, de dames kijken nu reeds naar je
"
"'t Kan me weinig schelen; maar wanneer het hart niet tot vroolijkheid
stemt, kunnen de beenen niet dansen
"
"Ach kom! Wees zoo theatraal niet! Je wilt den romantische uithangen!"
"Neen volstrekt niet! Er is niets romantisch in hetgeen mij op
het hart drukt
"
"Wat is het dan? Heb je je hart in Karang-Gossoh gelaten?"
"Mijn hart niet, maar schulden."
"Beren! O Hemel! wie van al die vroolijk dansenden heeft ze niet!
Is dat alles, nu laat ze op hun gemak uitbrommen, en dans maar op!"
"Je neemt alles zoo lichtzinnig op, Smit, dat mij de lust vergaat,
je tot vertrouwde te maken."
"Dat weet je beter, Victor, ik kan licht schijnen als eene zeepbel,
maar daarvan ben je toch overtuigd, dat hieronder een hart zit, een
hart..., enfin! Ik wou dat ik het in volle waarde aan goud voor je kon
neerleggen en daarbij zeggen: - Zie zoo, Victor, zet dit je beren voor
en stel die lieve dames niet te leur, door hun het gemis van zulk een
goeden danser, als Hubert Smit, nog smartelijker te doen gevoelen!"
[129:]
Victor glimlachte
ondanks zich zelven, maar dadelijk weer ernstig wordend, zeide hij:
"Ik heb veel schulden, zeer veel. Zoolang mijne ouders nog leefden,
heb ik er te Djocjocarta maar luchtig op aan geleefd, zonder te denken
aan den dag van morgen. Maar op een goeden avond komt de doodstijding
van papa, en kort daarop eene afrekening van de executeurs, en het einde
van alles was, dat ik met een kleine drieduizend gulden heel tevreden
kon zijn, en. wat de rest betreft, mijne beren brommen nog, en, wanneer
ze op zullen houden, weet de duivel."
"En heb je daarom zooveel zorgen, malle jongen?"
"Dag en nacht. Ik ben nu ouder en wijzer geworden, de tijd der
dolle jeugd is voorbij. Als ik nu opnieuw moest beginnen, zou ik 't
anders aanleggen. Maar wat is daar nu aan te doen? Gedane zaken nemen
geen keer, helaas! En wat een last drukt nu op mijne schouders! Zoolang
ik niet alles heb afbetaald, beschouw ik me niet als een fatsoenlijk
man."
"Ho, ho, overdrijf bet niet!"
"Allen lust tot plezier-maken heb ik verloren; te Karang-Gossoh
vinden ze mij den vervelendsten controleur, die er ooit geweest is,
en de dokter van T. heeft me aangeraden, verlof naar Batavia te vragen,
om mij wat te verstrooien."
"De beste verstrooiing, als je mij gelooven wilt, is eene poging
te doen om van die beren bevrijd te raken."
"Dat is me ook een mooie troost! Heb je geen beteren?"
"Wacht, man! ik geef je het middel aan."
"Zeg dan op! Ik ben waarlijk nieuwsgierig."
"Je hebt eene mooie positie, een goed gezicht, fatsoenlijke manieren,
alle dingen, die je tot een goede partij maken."
"En vele scbulden."
"Laat die vooreerst rusten! Welnu, onder al de bloemen, die in
dat park met elkander in schoonheid wedijveren, zullen er genoeg zijn
die
"
"Mij hebben willen! Maar dat is niet voldoende, Smit:
[130:]
zeker zijn er tal
van mooie, lieve meisjes bij, maar leelijke ook, en ik, arme sukkel!
ik zal nu aan zoo'n lomp schepsel, als daar op de canapé zit,
omdat zij vol diamanten is, de voorkeur moeten geven, boven die lieve
meid met hare prachtige krullen. Is dat geene onteerende gedachte, Smit?"
"Alle geëxalteerde praatjes op een stokje, Vik! je hebt een
goed neusje, hoor! Vindt je dat meisje zoo mooi, die daar met dien blonden
officier danst? Hoor nu naar mijn zeggen: dat meisje is de dochter van
een hoofdambtenaar, die zeer veel geur maakt, en pas met een jong vrouwtje
is hertrouwd, daar, die nu juist op- en neerloopt, in de groene japon;
zie je? Of ze rijk zijn, weet ik niet. 't Zal één van
die huishondens zijn, welke met den man staan of vallen. Haar moeder
had nog wat diamanten, maar ze heeft eene tante, een rijke weduwe, wier
eenige erfgenaam zij is."
"Hoe weet je dat?"
"Omdat ik een neefje ken van den klerk van een notaris, en daardoor
weet, dat juffrouw Justine van Weijnen eenige erfgename is van alle
roerende en onroerende goederen van Henriëtte Zanger."
"'t Geeft wat, eene tante, die misschien ouder wordt dan hare nicht!"
"Begrijpt ge dat niet, wat het beteekent erfgenaam te zijn van
eene rijke Indische tante? Dit beteekent dat die tante niets liever
ziet, dan dat haar nichtje eene goede partij doet. Gebeurt dat, dan
kan ze rekenen op een mooie uitzet, en een hoop diamanten..."
"En mijne schulden?"
"Die eeuwige schulden! Men moet slim zijn! kort na het huwelijk
kom je met eene roerende bekentenis eerst een heel kleine rekening,
mevrouw vleit hare tante, die er geen bezwaar in ziet, ze voor te schieten;
dan eene grootere, en zoo gaat het door totdat ze allen betaald zijn..."
"O, wat eene koude redeneering! Er zit geen greintje poëzie
in je; een meisje huwen omdat zij eene rijke tante heeft! Dat is laag,
dat is de schending van den heiligsten band, waarmede God twee harten
verbindt. Neen, Smit,
[131:]
zoo diep ben ik
niet gezonken, dat ik in staat zou zijn tot zulk eene daad!"
"Wat groote woorden! Geloof me, Vik, met zulke idées raak
je nooit je beertjes kwijt. Kom, wees verstandig. ik zal, zeer langzaam
de zaal doorhinkende, je aan juffrouw Van Weijnen voorstellen, wil je?"
"Als 't je verveelt hier toe te kijken, dan met pleizier."
"Of het mij verveelt? Dat kun je denken. Kom maar mee, hierheen;
oef! wat doet me dat been zeer!"
Justine zat naast Leonie op de canapé, tot groote vreugde van
Smit, die deze gelegenheid met genoegen aangreep om zijn vriend Everdijk
aan moeder en dochter voor te stellen.
Als Victor wilde, kon hij een allergalantst cavalier zijn; Justine schonk
hem de tweede wals, en terwijl het tweetal zich verwijderde, bleef Smit
met mevrouw Van Weijnen, die niet walsen kon, op de canapé praten,
en verhaalde haar alle mogelijke goeds van Victor Everdijk.
"We zullen dat onthouden," dacht Leonie, en toen Victor haar
om een dans vroeg was zij allervriendelijkst en noodigde hem met zijn
vriend Smit op den eerstvolgenden Woensdag, haar receptieavond, te haren
huize.
"Alles gaat goed," zeide Smit in zich zelven bij het naar
huis gaan; "Viktor zal wel den verstandigsten weg kiezen."