III.
Toch werd Leonie
Derks twee maanden later mevrouw Van Weijnen. Het plan, dat zij zich
gevormd had, reeds voor haar examen, was goed gelukt. Oudste dochter
van een groot gezin, had zij van jongs af moeten studeeren om op haar
achttiende jaar verschillende examens af leggen, niet voor de eer, zooals
menige deftige jonge dame die in hare wijsgeerigheid niet weet wat er
later zal gebeuren, en het dus altijd eene heele gerustheid vindt, wanneer
ze het gedaan heeft, - doch alleen om met die diploma's te woekeren.
Daar zij zeer goed beslagen en wel bij de hand was, bleef ze geen oogenblik
op den glibberigen weg der examens stilstaan. Zij struikelde geen enkelen
keer; integendeel bijna altijd kreeg zij een komplimentje mee naar huis.
Reeds toen bestond bij haar het plan, dat zij naar de Oost, El Dorado
der oude en jonge vrijsters; zou gaan, maar door verschillende omstandigheden
ging dit vooreerst niet, en Leonie bracht zes van hare beste jaren als
secondante op een meisjesinstituut door. Toevallig viel zij zeer in
smaak bij eene der pensionaires, het dochtertje van Indischen majoor
De Lance, die door zijn huwelijk rijker was dan menigeen van zijn rang;
deze sloeg haar voor zijne familie naar de Oost te vergezellen; de voorwaarden
waren aannemelijk, de vooruitzichten goed: Leonie bedacht zich niet
lang, en stemde toe. Ze was nu drie jaar
[124:]
in het land; de
betrekking beviel haar goed; zij was na mevrouw de eerste in huis. Op
recepties en bals werd zij zeer gezocht; de dames waren wel wat jaloersch
op hare weinig kostbare, maar altijd even frissche en nieuwmodische
kleeding, doeh dit prikkelde haar te meer. Ze had verscheidene partijen
kunnen doen, maar geene beviel haar geheel. In hare eerste jeugd had
zij veel fantaisieën gehad, en, zooals iedereen, fraaie luchtkasteelen
gebouwd. Een hart, dat geheel met het hare overeenstemde, een man, die
door zijne persoonlijkheid overwicht op haar bezat, een musicus, een
groote geest, een dichter, of anders niemand.
Van Weijnen was niets van dit alles, en niemand er meer van overtuigd
dan Leonie, maar geen der jongelui, die haar het hof hadden gemaakt,
beantwoordde aan dit iedeaal; één was er geweest, die
het zeer nabij kwam, en hem ontbrak juist het gene wat Van Weijnen ruim
bezat.
Tot de mooie tafereelen, die Leonie zich in de toekomst vormde, behoorde
ook - wel is waar meer tot het decorratief dan het eigenlijk fond -
goede inkomsten, vele juweelen, fraaie équipage en talrijke slaven
(zoo dacht zij er in Holland over). Door haar huwelijk met Van Weijnen
verkreeg ze dit alles, en dan, zij werd al acht en twintig en naderde
de gevreesde dertig jaren. Bedaard stapte zij dus over de schaduwzijde
heen, over Van Weijnen's gevorderden leeftijd, over zijne vier kinderen,
zijn alles behalve dichterlijk voorkomen en na de toestemming van hare
ouders te hebben ontvangen, legde zij kalm haar wit handje in zijn breeden
vlakken palm, om zoo met hem hand in hand den weg des levens af te wandelen.
Zij was zeer lief jegens de kinderen, vooral jegens Nonnie gaf haar
een geheel nieuw toilet, precies volgens een modeplaatje, en won zoo
al dadelijk het hart van het moeilijkst der vier. Tante vroeg zij op
allerliefst naïeven toon, haar te willen helpen in de huishouding;
zij kon nog zoo slecht Maleisch spreken en in het geheel niet koken.
En, o wonder! Tante bleef; Leonie bemoeide zich nooit met de huishouding.
Twee- of driemalen had ze dit gedaan maar toen tante haar hierop den
bos sleutels toewierp met de woorden: - "Als u zoo hoed ken, moet
u maar ze
[125:]
doen, ik verlang
niet te werken als een koelie [Sjouwerman], raapte zij ze zeer bedaard
op en gaf ze tante terug, zeggende:
"Zoo meende ik het niet, tante, ik ben te veel overtuigd van uw
goed beheer."
Maar bij haar man begon zij een beetje te schreien, en klaagde, dat
zij zoo weinig te zeggen had in haar eigen huis, waarop Van Weijnen
heftig vroeg, of zij dan verlangde, dat tante Jet het huis zou ruimen.
't Kostte hem slechts een woord, dat wist Leonie wel. 't Jonge vrouwtje
droogde hare tranen, verzocht haar man het nog wat aan te zien, en begaf
zich weer naar de kamer, waar zij Nonnie, Jakob en Poppie dagelijks
les gaf.
Tegenover Justine was mevrouw Van Weijnen koel; Justine was zeer mooi
en zeer lief, wel wat stil en stijf tegen over menschen, die ze niet
goed kende, maar onwillekeurig werd zij op receptiën het middelpunt
van het gezelschap, en hare eigene persoonlijkheid leed er min of meer
door. Leonie kon ijverzuchtig wezen, en de dag waarop zij bemerkt dat
Justine, die aan de kunst geen middelen leende om er jong en frisch
uit te zien, haar eenigszins in de schaduw stelde, was ook die, waarop
de jonge stiefmoeder het besluit nam, Justine, met haar tante Jet, op
een fatsoenlijke manier het huis te doen verlaten.
Voor het eerst zou Leonie als mevrouw Van Weijnen op een bal in de Concordia
verschijnen. Reeds lang had zij verlangend naar dezen avond uitgezien,
waarop zij eindelijk ten volle kon triomfeeren over menigeen, die vroeger
de gouvernante met zekere geringschatting had aangezien. De gloeilampen
waren aangestoken en kaatsten zich in de breede, tegenover elkander
hangende, spiegels verscheidene malen terug. Mevrouw Van Weijnen stond
in het midden, en wierp een laatsten blik op haar schitterend toilet.
En wel was dit dit goedkeurenden blik waard; de zware lichtgroene zijde
door wolken van tulle en kant half bedekt; witte bloemen tusschen zacht
fijn loof, waren met zekere nonchalance tusschen de blonde haren of
liever de hooge chignon van valse vlechten en krullen gestoken; om haren,
door poudre-de-riz;
[126:]
nog blanker geworden
hals, prijkte een zware gouden ketting, en aan hare ooren diamanten
van ongewone grootte.
Bijna onmiddellijk na haar huwelijk had Leonie al de kostbare, maar
ouderwetsch gezette, juweelen der eerste mevrouw Van Weijnen opnieuw
doen monteeren, tot groote ergernis van tante Jet, die hierin een soort
van heiligschennis zag; de haarspelden waren oorknoppen geworden; de
pending [Gouden of zilveren centuur] had al zijne diamanten voor de
leontine moeten afstaan; de lompe broche was in een eleganten vlinder
voor het haar veranderd; de armbanden herkenden zichzelf niet meer als
de elegante braceletten, die nu Leonie's arm versierden. Tante Jet had
er over geschreid, maar Leonie zag de zaken van een veel te hoog standpunt,
om hierop te letten. Met een glimlach van voldoening zag Leonie Van
Weijnen naderen.
"Vindt je deze japon niet beeldig, Weijnen," vroeg ze op kinderlijk
naïeven toon.
"Ik weet niet hoe het komt, Leonie," zei Van Weijnen geheel
door de allerliefste verschijning betooverd, "maar alles wat je
aan hebt, staat je allerkeurigst."
"Behalve sarong-kabaja,' mompelde tante Jet, die deze laatste woorden
in de aangrenzende kamer had opgevangen; "dan, ze is zeker mooi,
met gaar, zoo lang als een boentoet babi [Varkensstaart]."
En meteen opende zij de deur, om Justine in de voorgalerij te laten.
Leonie keerde zich om, en kon een onaangenaam gevoel niet onderdrukken.
Justine was toch zoo eenvoudig gekleed, een wit tarlatane japon, met
een roode ceinture, een ketting van bloedkoralen om den hals, en in
de zwarte krullen niets dan een paar roode rozen, maar toch bezat zij
zoo geheel, wat Leonie miste en haar benijdde: natuurlijke frischheid
en jeugd. Zij had die lichtbruine kleur, welke, gevoegd bij de prachtige
donkere oogen met hun lange wimpers, en het lieve mondje, aan weerszijden
door kuiltjes verfraaid, aan hare eenigszins onregelmatige trekken het
eigenaardig schoone gaf, op Java gewoonlijk
[127:]
aangeduid door
de benaming ietam-manies [Letterlijk: lieve zwarte]. Tante Jet zag met
een groot welbehagen op haar nichtje neer, en bekeek Leonie een weinig
spottend, toen deze meer met de lippen dan het hart zeide:
"Heel netjes, Justi, tante heeft er eer van."
Van Weijnen drukte een kus op het voorhoofd zijner dochter, en toen
in een zelfden blik haar en zijne vrouw omvattende, sprak hij in een
aanval van dichterlijkheid:
"Wie had ooit kunnen denken, dat een oude stam als ik nog eens
twee zulke mooie bloemen zou dragen!"
"Weijnen wat ben je weer ondeugend!" schertste Leonie, en
tikte met de punt van hare waaier op zijne vingers. "Hadt je wel
gedacht, Justi, dat papa zoo dichterlijk kon zijn? Och toe maak dit
knoopje dicht, wil je?"
"Allah, tienka nja [Heer wat een grillen], ik kan niet verdragen,"
mompelde tante Jet sotto voce.
"Tante, zou u geen trek hebben mee te gaan?" vroeg zij vleiend.
"Ik bedank, verlang niet;" en door dit norsch antwoord een
weinig uit het veld geslagen, vroeg Leonie haar man, of hij toch eindelijk
eens naar het rijtuig wilde zien. Nonnie kwam aanloopen, en hare bewondering
van mama was zoo oprecht, dat deze zich voorzichtig boog, om de kleine
meid een nachtkusje te geven. Weinige oogenblikken later reed het drietal
weg, en tante bleef alleen mijmerend over de dwaasheid van oude mannen,
die zich de weelde veroorloven met eene mooie toktok te trouwen, en
over het onverdragelijke gedrag van Nonnie, die hare stiefmoeder zoo
mooi en zoo lief vond!