VIII.
DE WRAAK OP DEN DOODE.
Hoewel de dood van
Soerapati der Compagnie een zucht van verlichting deed slaken, zoo was
't er nog ver af, dat de oorlog een einde had genomen. Te Batavia nam
men het den veldheer Govert Knol ten hoogste kwalijk, dat bij zijn troepen
bevel had gegeven naar Soerabaya terug te keeren, in plaats van hen
te doen voortrukken naar Pasoeroean; maar nog grooter was de verontwaardiging
tegen Depati Soerabaya, wiens dubbele rol men nu duidelijk doorzag,
maar wiens verraad althans voorloopig niet gestraft kon worden.
De drie broeders begonnen onmiddellijk na des vaders dood hevig te twisten,
terwijl de prins van Balembangan, die gewillig het bestuur van zijn
land had overgelaten aan Radhen Wiro Negoro, wiens
[236:]
meerderheid hij
erkende, nu de teugels van het bewind zelf in handen nam; om hem vereenigden
zich de Balineezen, terwijl de Javaansche Mahomehanen zich rond de zonen
van Soerapati schaarden.
Radhen Goesik gelukte het door middel van Sheik Abdoelah den vrede onder
de broeders te herstellen; hij ging met hen naar Kediri en haalde hen
over zich aan Soenan Mas schijnbaar te onderwerpen; deze nam hun hulde
aan en beleende Pengantin, liet de opvolging van zijn vader, alsof deze
den keizer ooit als leenheer had erkend; ook de andere zonen kregen
een gedeelte van het land onder hun gebied.
Door deze plechtigheid werd de zedelijke kracht der jonge mannen niet
weinig vermeerderd. Sheik Albdoelah vuurde de godsdienstige hartstochten
van het volk nog meer aan en met vol vertrouwen wachtte nu de geheele
Oostkust van Java den nieuwen veldtocht af, welke in het volgende jaar
(1707) tegen hen ondernomen werd.
Deze stond echter nIet onder het bevel van Govert Knol, maar ondet dat
van Herman de Wilde, die door den dood van zijn vijand nog niet bevredigd,
van verlangen brandde zijn rijk te vernietigen.
Den 18den Juli begon de veldtocht van uit Karta-Soera, over de Solo
rivier en de Brantas naar Kediri, dat echter reeds door den heldhaftigen
Adipati Anoem ontruimd was, en dan verder naar Tjarit, waar de beslissende
slag geleverd en de vijand op de vlucht gedreven werd.
Intusschen was ook de legerafdeeling uit Soerabaya onder kapitein Sergeant
op marsch gegaan en vereenigde zich met de hoofdmacht; gezamenlijk rukte
men nu op naar Pasoeroean, dat zonder slag of stoot genomen werd.
Groote diensten had Robert in deze expeditie berezen; hij kende het
land door en door, wist vele bijzonderheden, die Soerapati hem zelf
had mede
[237:]
gedeeld en maakte
daarvan gebruik om de bevelhebbers in te lichten. Ook zijn dapperheid
bleef niet onopgemerkt; vóór dat echter de zegevierende
troepen Pasoeroean binnentrokken, werd hij ernstig ziek ten gevolge
van verwaarloosde wonden en moest dus naar Soerabaya terugkeeren; zoo
was hij geen getuige van de onedele wraakoefening, die de Wilde op het
graf zijns vaders nam.
Herman de Wilde liet Soerapati's gebeente opgraven en het op den aloen-aloen
verbranden.
Met over elkander geslagen armen en een lach van zelfvoldoening op de
bleeke lippen, staarde hij de vlammen aan, die het overschot verteerden
van den man, dien hij zoo fel gehaat en zoo vurig benijd had, en toen
van het lichaam, dat eenmaal door zulk een krachtigen adem bezield was
geweest, niets meer overbleef dan een hoopje asch, gebood hij ook dit
weg te strooien in de wateren der zee.
Nu alles, wat dus aan zijn vijand herinnerde, van het aanschijn der
aarde verdwenen was, achtte hij zijn levenstaak geëindigd; niets
bleef hem meer te doen over, zijn doel was bereikt, zijn wraak volvoerd.
Snel bracht hij de regeling der onderworpen landen ten uitvoer, deed
de regenten aanzeggen, dat zij zich onderwerpen moesten aan Pakoe Boewana,
den keizer, en tevens Adipati Anoem ten doode vervolgen. De regent van
Kediri was er echter niet meer; hij keerde terug naar Bali, kort vóór
dat de veldtocht begon, daar hij zijn schoonzoon niet kon vergeven,
dat deze zich in de armen der Mahomedanen had geworpen. Zijn dochter,
Lembono's gemalin, nam hij met zich mede; wellicht trok hij zich in
het gebergte terug, om daar het leven van een kluizenaar te voeren.
Soenan Mas echter voegde zich bij de zonen van Soerapati, die zich in
het Malangsche gebergte hadden verscholen en nog maar een geschikt oogenblik
[238:]
afwachtten, om
de vijandelijkheden opnieuw te beginnen.
Zoodra in Pasoeroean alles geregeld was, vertrok de Wilde van Soerabaya
naar Samarang. Hij was doodziek en afgemat; nog vele zaken had hij te
voleindigen, en daartoe was het noodzakelijk, dat hij den Soesoehoenan
sprak, maar hij was te zwak om naar Karta-Soera te gaan, en de keizer
kwam dus naar Samarang. Nog stervend leidde hij de onderhandelingen,
die de macht der Compagnie bevestigden, de rechten en verplichtingen
des keizers omschreven en dus aan den gespannen toestand, die reeds
sinds zoovele jaren op Java heerschte, een einde maakten.
Hij keerde na de sluiting van het contract naar Batavia terug en overleed
daar weldra, omstreeks een jaar na den slaaf, dien hij zoo bitter gehaat.