IX.
VEREENIGD.
In het huis Voornelust
was het nog stiller en doodscher geworden dan voorheen; tot twee keer
was de dood er in verschenen, den eersten keer had hij den kleinen Albert
weggerukt na een lang en zwaar lijden.
In Digna's armen was hij gestorven en na zijn dood was haar leven eerst
recht treurig en moeilijk geworden.
Markus Voorneman scheen overstelpt door smart, toen hij zijn eenigen
zoon verliezen moest, maar deze smart was zoo onnatuurlijk, dat Digna
weldra gegronde vrees opvatte voor zijn geestvermogens. Na
[239:]
dat Robert wederom
in haar leven was verschenen, was hij zeer prikkelbaar en lastig geworden;
zijn hartstocht voor Digna nam meer en meer toe, dien zij slechts met
warme genegenheId en diep medelijden kon beantwoorden. Dit maakte hem
hoe langer hoe onrechtvaardiger jegens haar, en zelfs haar groote zelfopoffering
en toewijding, bij de ziekte van Albert, konden bij hem het eenmaal
vastgewortelde denkbeeld niet uitroeien, dat Digna zich ongelukkig voelde,
Robert betreurde en naar zijn dood verlangde.
Eenige weken na Albert's overlijden was twijfel niet meer mogelijk,
Heer Voornemans's geestvermogens bleken gekrenkt en een zware taak wachtte
zijn vrouw; beurtelings overlaadde hij haar met de hartstochtelijkste
liefkoozingen, om haar een oogenblik later te mishandelen.
Met het grootste geduld en onbeschrijfelijke liefde bleef zij op haar
post, niemand de zorg overlatend van haar man; zij bleef haar plicht
trouw, totdat de dood aan zijn betreurenswaardig leven na een jaar een
einde maakte.
En nu was zij alleen in het groote huis!
Alleen met haar herinneringen. In een testament kort na Albert's dood
opgesteld, vermaakte Markus Voorneman zijn geheele vermogen aan zijn
echtgenoote, onder voorwaarde alleen, dat zij niet zou hertrouwen.
Deze dwang, door den stervende nog na zijn dood op haar leven uitgeoefend,
doofde de laatste vonk van liefde jegens haar gemaal in Digna's hart
uit; slechts medelijden bezielde haar meer voor hem en met grooten tegenzin
genoot zij zijn rijkdom, waarvan zij thans maar al te goed de herkomst
wist.
De Raad van Justitie, Voorneman, had niet meer of minder dan anderen
gebruik gemaakt van zijn betrekking, om een sluikhandel op naam zijner
overleden vrouw te voeren op Japan en de Molukken;
[240:]
natuurlijk durfde
niemand de eerste mevrouw Voórneman beschuldigen of haar eenigszins
belemmeren in de uitoefening harer liefhebberijen.
Het leven van Digna was treurig en stil; zij ging met niemand om dan
met haar oom en tante van Hoorn; bij hen hoorde zij dan ook, hoe een
jong militair, Robert Walter genaamd, groote diensten aan het leger
der Compagnie had bewezen en, na den gelukkigen afloop van den laatsten
veldtocht, tot luitenant was bevorderd. Als een goede dochter verheugde
zij zich in den val van Soerapati, in wien zij nog steeds den moordenaar
haars vaders zag, maar toch huiverde zij bij het vernemen van de wraak
door de Wilde op zijn gebeente uitgeoefend.
In het begin van 1708 bevond zij zich op het kasteel, toen er een jonge
officier bij haar oom, den Gouverneur-Generaal, werd binnengelaten;
het was haar, of haar bloed stilstond, want zij herkende Robert, doch
een geheel andere Robert, dan dien zij het laatst had gezien. Een man
in de volle beteekenis van het woord was luitenant Robert thans, een
man, gerijpt door vele ervaringen, die den strijd met zich zelf aangedurfd
had en daarin overwinnaar was gebleven, een ferm, krachtig man, die
eerbied wist af te dwingen en zelfs tegenover den machtigen Opperlandvoogd
zich gemakkelijk en vrij durfde bewegen.
Voor haar maakte hij een diepe buiging, maar niemand dan zij bemerkte,
hoe bleek en ontroerd hij plotseling werd.
Den volgenden morgen ontving zij een kort briefje, waarin luitenant
Robert verlof vroeg, haar dien middag een bezoek te brengen. Zij wachtte
hem in de groote zaal, gekleed in haar stemmig weduwkleed, maar uit
haar schitterende oogen en frisschen blos was elk spoor weggevaagd van
moeilijke, smartvolle dagen; nooit was zij schooner geweest dan op dien
[241:]
middag, toen luitenant
Robert met opgeheven hoofd door de groote deur het huis bihnentrad,
dat hij 't laatst tersluiks, opgejaagd als een dief, had moeten verlaten.
"Robert !"
"Digna!"
En beider handen rustten ineen, beider oogen staarden in elkander; zij
begrepen, dat de een den ander opnieuw toebehoorde en nu voorgoed, maar
toch veel moest uitgesproken worden, vóór het beslissende
woord tusschen hen viel.
"Digna?" sprak hij, toen hij eindelijk zijn ontroering meester
werd en naast haar plaats nam, met zijn hand nog steeds de hare omklemmend,
"er is veel gebeurd, sinds we elkander hier het; laatst zagen,
meer dan gij vermoedt, maar ik heb mijn woord jegens u gehouden."
"Dat begreep ik gisteren reeds dadelijk Robert!"
"'t Heeft mij staande gehouden in een zware verzoeking, het deed
mij een kroon afwijzen."
Zij zag hem vragend aan.
"En nu Digna, wat nu?"
Zij wendde blozend haar hoofd af, en zuchtte.
Hij vervolgde:
"Ik heb het recht u thans te vragen de mijne te worden, als gij
vergeten wilt, dat ik geen naam bezit: uw woorden van vroeger, die ik
allen in mijn hart bewaar, geven mij moed, maar er zijn andere bezwaren.
Uw fortuin. . . ."
Zegepralend hief zij het gelaat naar hem op, en zich zelf verradend,
wierp zij den scheidsmuur tusschen hen plotseling neer:
"Ik heb geen fortuin, Robert, anders dan dat mijner ouders, want
zoodra ik trouw, met wien ook, verlies ik alle aanspraak op dat van
mijn overleden echtgenoot."
Juichend sloot hij. haar in de armen en zij liet haar hoofd aan zijn
borst rusten, blijde, dat het nu
[242:]
voortaan haar vrijstond,
zich over te geven aan het gevoel, dat zij zoo langen tijd moedig had
bestreden.
Maar hij liet haar eensklaps los en riep uit:
"Ik vergat er is meer. . . . Digna, gij hebt mij uitgezonden. .
.. om Soerapati te bestrijden en den dood uws vaders te wreken op hem,
in wien gij zijn moordenaar zaagt. . . ."
"En mijn opdracht heeft u eer en roem bezorgd, mijn geliefde!"
"Ge vergist u, Digna, ik heb Soerapati niet bestreden, integendeel,
ik heb hem alles te danken, ik vereer zijn nagedachtenis en ik betreur
zijn dood, want hij was mijn vader."
"Uw vader!" riep Digna verschrikt uit.
Robert verhaalde haar alles, wat hij doorleefd had, zonderlinge opheldering
van het geheim zijner geboorte, zijn kortstondige glorie, zijn beproeving
en wat daarna geschiedde.
"En nu, Digna," sprak hij, "nu weet ge alles! Beslis,
maar voor één zaak blijf ,ik u borg. Slechts wettige tegenweer
dwong mijn vader tegen den uwe op te rukken en zijn hand heeft hem niet
gedood!"
Digna sloeg haar schoone oogen naar hem op en fluisterde:
"Niets kan ons meer scheiden, Robert, dus ook geen herinnering!"
Eenige weken later had in alle stilte het huwelijk van luitenant Robert
en de weduwe Voorneman plaats; natuurlijk vond de Bataviasche wereld
veel op hun besluit aan te merken; maar het gelukkige paar bekommerde
zich niet om het oordeel der wereld, ook niet om het verlies van Digna's
groot fortuin; zij waren te blijde elkander eindelijk te mogen toebehooren.
Kort na hun huwelijk vertrokken zij naar Amboina, waar Robert het kommando
over een klein fort had verkregen. De plaats was stil en afgelegen,
maar
[243:]
overal, waar Digna
vertoefde, bracht zij den zegen van echte vrouwelijkheid een innerlijke
beschaving met zich mede en zoo gelukte het haar, zelfs een wildernis
in een paradijs te herscheppen.
Lange, gelukkige jaren wachtten beiden; Robert was een trouw, eerlijk
dienaar der Compagnie, en deze wist zijn verdiensten ook na!ir waarde
te beloonen. Toch, wanneer hij de kleingeestige, inhalige wijze zag,
waarop de grootere en kleinere Hollandsche beambten de Inlanders behandelden,
met geen ander doel, dan hen uit te zuigen en zich zelf te verrijken,
bekroop hem soms een twijfel, of hij in zijn jeugd niet al te edelmoedig
en teer van geweten was geweest, toen hij het rijk, dat aan zijn voeten
was neergelegd, had versmaad; maar als hij Digna deelgenoot van zijn
twijfel maakte,. dan drukte zij vriendelijk zijn hand en sprak:
"Mijn goede Robert, gij hebt gedaan, wat gij toen voor uw plicht
hieldt. Wees gerust, dat was het beste!"
Toen Digna en Robert stierven, lieten zij hun kinderen geen groot vermogen
na; dat was de beste lof, de welsprekendste lijkrede, welke men een
dienaar der Compagnie uit die dagen kon nageven.
EINDE