VII
SOERAPATI's DOOD.
De gewonde vorst
was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte
niet anders, dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou
opgeven, maar voortrukken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet
naar zijn kraton te brengen, maar naar het twee uur van Bangil verwijderde
plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.
Zijn wonde, vooral die aan de zijde, was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden
avond openbaarden zich hevige wondkoortsen; verscheidene doekons werden
bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.
[226:]
Hij viel telkens
in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik, of hij vroeg:
"Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding
geheim dat niemand in Pasoeroean het wete!"
Zijn omgeving trachtte zijn wenschen zooveel mogelijk te eerbiedigen,
daar ieder begreep, van hoeveel gewicht het was, zijn verdwijning verborgen
te houden.
Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya, kwam men hem de
heuglijke tijding brengen; hij glimlachte, ondanks zijne pijnen.
"De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het
nu verlaten. Als ik beter ben, hoe duur zal ik hun mijn wond en de nederlaag
van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden."
Een tweede bode kwam melden, dat ook de aanval op Kediri mislukt was
en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naar Karta Soera.
"Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!"
sprak hij.
Nu maakte hij geen bezwaren meer, om naar Pasoeroean te worden gebracht,
waar hem in de kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid
werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst
der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar
droeg men hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in 't werk gesteld
werd, men kon 't niet verhoeden, dat de beweging een hevige koorts ten
gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar
men nog niets vermoedde van zijn verwonding. Zelfs de Radhen Ajbe wist
er niets van; zij had gemeend, dat haar man zich met haar zoon, Lembono,
aan het hoofd der troepen bevond die een inval deden in Soerabaya.
Toen men haar meldde, dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos
in de kraton was aan
[227:]
gekomen, verschrikte
zij hevig; de oude liefde, zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd,
ontwaakte, en met verwarde haren, luid gillend en jammerend, snelde
zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.
Opgeschrikt door haar kreten, hief Soerapati de moede oogen op:
"Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!" fluisterde hij.
"Gij en uw zoons zullen weldra meesters zijn! 't Was niet noodig,
dat gij u samen tegen mij verbondt."
"Wie heeft u dat gezegd?" snikte zij. "O Soerapati, is
dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd."
"Was dat ook laster?" vroeg hij met moeite, "het aandeel,
dat gij op u hebt genomen; om mijn hart los te rukken van Suzanna? Werd
die leugen niet door u verzonnen en bekrachtigd?"
"Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik hadu zoo lief!"
"En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,
Kousouma, uw liefde was een noodlottig geschenk."
"Vergeef mij!" ging zij schreiend voort, "vergeef mij!
Ik haatte haar, die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten
wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij
zult genezen en dan, ik zweer 't u, al begrijpen we u niet, wij zullen
u blindelings gehoorzamen!"
"Waar is Lembono?" vroeg hij.
"Hij is in Soerabaya en vernielt daar alles te vuur en te zwaard
j misschien zal hij nog het Hollandsche fort binnenrukken."
Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen
hij haperend de woorden uitstiet:
"Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen
trouwsten vriend en bondgenoot.
[228:]
"De Depati
zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe 't zal gaan na
mijn dood. Onverstand en kleinzielige hartstocht komen aan 't bestuur!"
En de handen voor het gelaat drukkende, brak hij in luide wanhoopskreten
los.
"Alles vergeefs! alles!" klaagde hij "'t is of ik niet
geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter. De Hadji wordt opnieuw
meester. Ga heen, vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn
einde met schande en smart."
Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn
ingevallen, vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:
"Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en
breng hem hier!"
"Wat is uw voornemen?" vroeg Radhen Goesik.
"Kouscuma," sprak hij, en legde zijn handen op de hare, "belooft
ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge mij gehoorzaamheid
in naam ook van onze kinderen?"
"Ja, ik beloof 't u," antwoordde zij weenend.
"Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt,
laat ons alleen!"
Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis, hoewel
beter dan die hij verlaten had, was een treurig, somber verblijf, des
te treuriger door het contrast met de schitterende dagen, die hij achter
zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn, dat
hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en
aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die
ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid, dat zijn karakter
gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen,
herwon hem de achting voor zichzelf en schonk hem een zoete voldoening,
die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker
met geduld deed dragen.
[229:]
Hij wist niets
van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had; hij vermoedde
niets van het lot der Hollandsche wapenen, op het oogenblik toen men
hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.
Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge, niet
donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde
liggen, de gitzwarte haren verward over haar lendenen vallend; maar
op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.
"Robert," zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen.
Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde
man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden
schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen
Wiro Negoro zijn, die bij eIken stap zich als vorst deed kennen?
"Kom nader, Robert, schrik niet!" ging hij bijna fluisterend
voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.
Voor het eerst voelde Robert in volle kracht, dat de sterkste van alle
banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles, om zich alleen te
herinneren, dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.
Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.
"Vader, arme vader!" vleide hij, "wat deert u?"
Soerapati trok hem dichter naar zich toe.
"Het zijn uw vrienden, die mij in dezen toestand hebben gebracht,"
zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, "ge weet nog
van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als
ik was staande gebleven, maar helaas! de goden hebben het niet gewild.
Zij hebben hun voordeelen opgegeven en niets is verloren, maar welhaast
zal 't met mij gedaan zijn, Robert!"
De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere
bezorgdheid aan.
[230:]
"Waar zijt
gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O, wat gloeit uw hoofd!"
"Ja, kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd,
arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk.
Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn
vraag?"
Robert sloeg de oogen ter aarde. en zweeg.
"Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher
taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt,
wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert,
heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik
u schenk. Nog is 't tijd; morgen, wellicht van avond is het te laat!"
"O vader" riep de jonge man zielsbedroefd uit, "kwel
mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!"
"Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?"
"Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!"
"Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren; onverzettelijken
wil; hij ziet, wat zijn plicht is en, noch beloften, noch bedreigingen,
noch kwellingen kunnen hem overwinnen. Hem juist had ik noodig. Hij
zou alles veel beter dan ik hebben gedaan, maar hij wil niet."
"Ik kan niet, vader!"
"Kind, zal niets u overtuigen? Zijn die mannen, wien gij zooveel
offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden, dan
te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken
zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben, sluiten
zij voor ons nijdig af, uit vreeze, dat zij dan niet meer zullen vinden,
waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal
mijn Balineezen laten roepen, zij zul
[231:]
len uw trouw zweren,
in u hun aanvoerder erkennen; mijn Raden Ajoe wil u gehoorzamen en steunen
en ook uw broeders zal ik Ieeren in u hun eenigen redder te zien. Gij
zult hen behandelen, zoo als zij 't verdienen, en geen onrecht aandoen.
O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk,
dat ook het uwe is. . . ."
Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning en de opwinding; vermoeid
sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.
Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de
handen en dacht:
"O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!"
"Antwoord!" lispelde de zieke schier onhoorbaar.
"Vader, ik zou mijn land verraden. Mag, kan ik het? Uit vrijen
wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenbroeders
ten strijde trekken?"
"Is 't vrees. die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te
zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?"
"Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als
ge wist, hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor
mij opent, mij verleidelijk voorkomt."
"En toch weigert ge?"
"Ik mag niet anders."
"Dan is alles gedaan, alles voorbij!"
Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos
bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat
alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij
nog leefde en dacht.
Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat
was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef
echter zwijgen. Ook Pengantin en Nitro verschenen, maakten groot misbaar
en wierpen wantrouwende
[232:]
blikken op den
vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.
Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk
zijn oude krijgsmakker, de regent van Kediri, zich over hem boog en
met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden, hem het voorhoofd
bevochtigde.
"Wirajoeda," sprak hij zacht, "heb ik 't niet gezegd,
kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij
zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor- uw vriendschap, uw toewijding.
Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens
de hand!"
"Lijdt ge veel, Meester?" vroeg Wirajoeda snikkend.
"Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had
u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door
u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner
drie zonen staan?"
"Zij verschillen zooveel van u!"
"Maar deze zoon van mij!" en hij nam Roberts hand in de zijne,
"was ten volle uw onderwerping waardig. Hij kon dit rijk tot hooger
bloei brengen, als hij slechts wilde."
Verbaasd zag Wirajoeda, den jongen man aan, toen wierp hij zich voor
zijn voeten en smeekte:
"Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en
verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet, dat alles
wat hij wenscht goed, ja, het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn
laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde
trouw, die ik hem sinds dertig jaar bewees!"
"O, kon ik 't maar!" zuchtte Robert.
"'t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan
mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen,
Wirajoeda! ik
[233:]
heb nog slechts
enkele woorden te spreken met mijn zoon. Zijn leven vertrouw ik u toe!"
"Ik blijf met het mijne daarvoor borg."
En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht
Robert met de oogen.
"Het schildpadden kistje; de kamer hier naast," stamelde hij,
met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen
van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.
"'t portret uwer moeder!" fluisterde de zieke, en toen Robert
hem Suzanne's beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna
legde hij 't weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met
buitengewoon grooten diamant.
"Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis,
maar verkoop den steen, uw erfdeel!"
"O mijn vader, mijn arme vader!" snikte Robert.
"Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen.
Voor zulk een zoon was het goed
een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij
zijn meer dan wij, verlaat hen niet, 't is beter blank te zijn, 't zij
zoo. . . . keer terug naar het volk uwer moeder. . .. dit rijk zakt
in elkander. . . liever het bestuur der Compagnie, dan de regeering
der inlanders. . . . ge moogt hun alles zeggen, wat ge weet. . . . ik
wensch den zegepraal niet van mijn zonen. . . . nu gij hen niet aanvoert
. . . . laat hen vallen. . . . en word gelukkig bij uw volk!"
Hij zweeg, overmand door aandoening en uitputting.
"Vlucht dadelijk vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen
u niet deren, zoolang ik nog adem!"
"Neen vadér, ik verlaat u niet!" riep Robert uit.
"Het moet, maar wacht nog even! Roep uw God voor mij aan, den gekruisten
God der Christe
[234:]
nen, dien Suzanna
aanbad. . . . Ik had Hem lief. . . . liever dan Batoro Shiwa, Bouddha
of Allah. . . . maar Hij wilde mijn vereering niet."
"O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal
voor u bidden, het gebed, dat Hij zelf ons leerde."
Robert knielde neder en bad:
"Onze Vader, die in den hemel zijt,. . ."
"Onze Vader," lispelde de stervende stem, "ja, dat is
het; zoo moest het zijn. . . . ons aller Vader kinderen van één
vader, blank en bruin. . .. de kinderen vergeten het. . .. maar Hij,
Hij weet het. . . . Hij kent ze allen. . . . Onze Vader "
Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst lag onbeweeglijk,
de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt de lippen half geopend. . .
. nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds
ter ruste gegaan.
Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op
het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch, zijn zorg
betrof alleen denlevende.
"Vertrek spoedig, neem mede wat van u is," drong hij aan,
"de zonen van Soerapati hebben 't op uw leven gemunt. Volg mij
spoedig!"
Werktuiglijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg,
door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een
poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.
"Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig,
spoedig naar Tosari."
Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige
bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi,nu een
gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp,
bij het vernemen van Soerapati's dood.
[235:]
"Wat zal nu
ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?" vroegen zij zich angstig
af.
Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet
Robert vermomd als Tengarees, met eenige zijner vriendelijke gastheeren
het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf
zijns vaders. Daai' vernam hij, dat de drie broeders nu reeds elkander
op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten. Het onreine bloempje
van Pengantin's liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat
bloed gelukkig verwelkt.
Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert Pasoeroean te verlaten
en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den
dood verrezen ontvingen.