[220:]
VI.
VOOR BANGIL.
Het leger der Hollanders
lag in de rijstvelden van Derma gekampeerd; deze vruchtbare vlakte strekt
zich tusschen een dicht woud en het stadje Bangil uit, dat geducht versterkt
was en eIken verderen doortocht belette.
Een zwaren, moeilijken tijd had de vereenigde legermacht der Hollanders,
Madureezen en Soerabayers doorstaan.
De weg voerde over den vochtigen, moerassigen bodem van de Delta der
Kalimas of Brantasrivier, door talrijke riviertakken besproeid, die
het leger moest doorwaden of overbruggen; de zware hitte, de schadelijke
uitwasemingen van den grond, het gebrek aan water en welhaast aan levensmiddelen,
brachten het leger spoedig in betreurenswaardigen toestand.
Bij het dorp Penangoengan lag de vijand achter een verschansing; het
gelukte den kommandant Knol hem van hieruit te verdfijven, nadat hij
over de rivieren, welke er voor lagen, met de grootst mogelijke inspanning
eenige bruggen had laten slaan.
In plaats echter, dat deze overwinning den moed onder de manschappen
opwekte; werd de stemming hoe langer hoe treuriger; met moeite rukte
men in den vroegen morgen voort, het aantal zieken nam steeds toe; de
lastdragers, Javaansche koelies van het minste soort, wierpen telkens
hun bagage op den grond en zetten het dan op een loopen; met geweld
moest men hen telkens tot voortgaan dwingen. De krijgshaftige troepen,
uit alle volkeren
[221:]
van den Archipel
bestaande, welke voor weinige dagen Soerabaya, met vliegende vaandels
en slaande trommen, hadden verlaten, waren in een onoogelijke, havelooze
menschenmassa veranderd, die zich met moeite voortsleepte onder die
brandende zonnestralen.
Maar wat echter hun moed geheel knakte en allen lust tot strijden en
voortgaan benam, was het vermoeden, dat zij opzettelijk langs dwaalwegen
gevoerd werden naar een hinderlaag; met wantrouwen zagen, zoowel de
Hollanders als de Madureezen, den trotschen regent van Soerabaya aan,
die met zijn drie broeders een leger van lafaards aanvoerde; zoodra
het oogenblik des gevechts gekomen was, wierpen deze helden zich ter
aarde. en weigerden voort te gaan; daarenboven hield men zich overtuigd,
dat de vorst dagelijks boden naar Soerapati zond om hem in kennis te
stellen van alles, wat er in het Compagniesleger plaats had.
Met de grootste moeite werd het zware geschut door allerlei greppels,
moerassen en kleine rivieren gesleept, over half oyerstroomde rijstvelden;
totdat men een groot bosch al kappende moest doertrekken.
Eindelijk kwam men aan de rijstvelden van Derma. Hier werd een gedeelte
van het leger, dat vooruitgezonden was, om zich een weg door het volgende
woud te banen, door den vijand aangevallen en evenals de compagnieën,
onder den onstuimigen kapitein de Bevere, die tot hun ontzet werden
uitgestuurd, deerlijk geslagen.
Omstreeks 140 man werden door vijanden, wier aantal nauwelijks de helft
bedroeg, gedood; het waren alweder de ruiters van den Depati Soerabaya,
die oorzaak geweest waren van deze nederlaag.
Groote verslagenheid heerschte in het Hollandsche kamp; de dragers waren
niet meer te bewegen voort te gaan, hoe zij ook aangedreven, en zelfs
geslagen werden, vóórdat aan weerszijden van den
[222:]
weg een pagger
ter hunner verdediging werd opgericht. Dit kostte natuurlijk veel tijd,
een dure tijd nog wel, daar de regentijd aanstaande was en de ellende
niet zou te overzien zijn, indien het leger te midden van deze moerassen
en over hun bedding stroomende rivieren door het slechte seizoen verrast
werd.
De tenten van den hollandschen legerhoofdman lagen in het midden; die
van den madureeschen Panombahan links en die van Depati Soerabaya rechts;
de Heer Knol had, zoolang hij kon, nog een open tafel gehouden, thans
echter was de mondvoorraad uitgeput; slechts met wat droge rijst en
ellendig water moesten officieren en manschappen, hun leven rekken.
Niemand mismoediger dan de heer Valentijn, die zich hoe langer hoe zieker
voelde en aan den toestand van zijn lichaam nog vrij wat meer waarde
hechtte, dan aan het treurige vooruitzicht, dat het leger der Compagnie
wachtte; hij boekte alle lotgevallen van deze reis even nauwkeurig,
als alle verschillende toestanden van zijn lichaam.
Den tijd, dien de vijanden noodig hadden om langzaam voort te rukken,
want om 1 ½ mijl te vorderen, besteedden zij 12 dagen, benuttigde
Soerapati, om de verdediging van Bangil te voltooien; achter twee kanalen
lagen zijn versterkingen over een groote, eenigszins binnenwaarts gebogene
linie, de rechter, en linkerwerken sprongen een weinig vooruit, terwijl
nog op een zevental plaatsen de linie versterkt was door katten.
Achter deze wallen lag het stadje Bangil: de Hollanders hadden thans
vijf bolwerken met veel moeite opgericht, welke dienen moesten, om den
vijand op vijf plaatsen tegelijk aan te tasten.
Den 16en October, des morgens om halfzeven, begon de storm; de Panombahan
en zijn Madureezen, vielen de vesting ter linkerzijde aan, de kapiteins;
[223:]
van der Hout en
Bintang in het front, de Soerabayers, ondersteund door kapitein de Bevere,
aan de rechterhand.
Het gevecht ontbrandde van beide kanten; onder 't hevig geweervuur van
den vijand rukte 't Compagniesleger vooruit; niemand echter waagde zich
zooverre als kapitein de Bevere, die zijn nederlaag van voor weinige
dagen moest uitwisschen; hij was de eerste, die den vijandelijken wal
beklom, zonder van een stormladder gebruik te maken. Toen hij, door
een vijandelijke piek neergestooten, verdween, meende de bevelhebber,
dat hij gesneuveld was en zond een anderen kapitein om hem te vervangen,
maar bijna dadelijk zag men hem weer op den wal, waar hij zijn vaandel
onverschrokken plantte; de piek had slechts den kwast van zijn sjerp
getroffen en hij was in de armen van zijn oppasser neergevallen.
Ook kapitein van der Hout deed wonderen van dapperheid; tachtig zijner
mannen waren door de reten der bamboes van den pagger neergeschoten
en groote verslagenheid dreef de troepen aan tot vluchten, maar de kapitein
rukte de sabel uit de scheede, stelde zich aan het hoofd zijner mannen
en dreigde ieder, die vluchtte, neer te sabelen. Dit hielp, binnen weinige
oogenblikken verdreef hij den vijand ook van dezen post.
De Madureezen kweten zich wel op dezen dag; kloppend op een kleinen
gong gaf de tachtigjarige Panómbahan telkens het sein tot den
aanval; drie keer werden zij teruggeslagen en telkens hernieuwden zij
den aanval, totdat zij den vierden keer, ondersteund door den veldheer
Knol zelf, meester van deze plaats werden. Alleen de Soerabayers vochten
meer, in schijn; zij sloegen met de pieken tegen die van den vijand,
als gold het een spiegelgevecht en toonden telkens hun lust van de veroverde
punten weg te vluchten, indien kapitein Sergeant hun niet met geweld
in het vuur had teruggedreven.
[224:]
Op wanhopige wijze
had de vijand zich. verdeedigd; zoolang hij kon schoot hij op de aanvallers.
Soerapati voeyde zelf het bevel; het scheen of hij overal tegelijk was;
waar zijn troepen begonnen terug te deinzen, stelde hij zich aan hun
hoofd en voerde hen weer terug in den stijd.
Een uur lang duurde de aanval en nog was de kamp niet beslist, telkens
werden de aanvallers teruggeslagen, toen plotseling een luid gehuil
opsteeg uit de gelederen der belegerden. Zij hadden hun aanvoerder zien
vallen; een, handgranaat, die haast hem ontplofte, had hem aan den schouder
gewond. Hij richtte zich dadelijk op, zwaaide zijn piek boven het hoofd
en riep luide:
"'t Is niets, ik, ben niet gekwetst! Voorwaarts, voorwaarts!. .
."
Nogmaals wilde hij voortrukken en met het vuur, dat hij alleen aan zijn
mannen mededeelen kon, hen opnieuw bezielen, toen hij plotseling ineenzakte;
hij had ook in de zijde een wond ontvangen, welke hij niet eens voelde,
maar die toch doodelijk was.
Lembono, zijn zoon, snelde toe, om hem op te richten.
"Laat mij wegbrengen, stel u aan hun hoofd, dat ze het niet bemerken,"
gebood hij.
Maar als een loopend vuur verspreidde zich de treurmare door het leger,
een onbeschrijfelijke schrik heerschte alom, de moed ontzonk allen en
weldra waren de troepen der Compagnie besliste overwinnaars. Bangil,
de sleutel van het vijandelijke land, was veroverd, en niets scheen
thans meer ,aangewezen, dan dat het zegevierende leger zijn tocht zou
voortzetten naar Pasoeroean.
Dit schenen de verdedigers en bewoners van Bangil ook te verwachten,
want alles begaf zich snel op de vlucht, maar in het vijandelijke kamp
werd anders besloten. Zware regenbuien ontlastten zich boven hun hoofden,
men kende de wegen niet en
[225:]
vertrouwde den
Depati minder dan ooit, de ziekten raapten vele soldaten weg, eten en
drinken ontbraken, de toestand der officieren was reeds ellendig, hoeveel
te meer die der soldaten; men wist daarenboven niets van Soerapati's
zware verwonding.
De oude Panombahan ried ten sterkste af den veldtocht voort te zetten
en de Depati koos met zijn troepen het hazepad, toen het bericht kwam,
dat de vijand zich gereed maakte Soerabaya aan te tasten.
Al deze overwegingen en feiten deden den kommandant Knol besluiten,
den tocht niet verder voort ie zetten, maar naar Soerabaya terug te
keeren; hij beging daarbij de onvergeeflijke fout, om de met zooveel
moeite veroverde punten'o onbezet te laten.
Men meende voor dit jaar genoeg te hebben gedaan.