[183:]
III.
DE GUNSTELING
Den volgenden dag
zouden op den aloen-aloen de volksspelen plaats hebben, waarvan het
meest aantrekkelijke het gevecht tusschen buffel en tijger was.
Reeds 's morgens vroeg daalden de landlieden van het gebergte af naar
den dalem van Pasoeroean, zooals zij in Karta Soera zich naar de keizerlijke
kraton begaven. De poort, welke tot den aloen-aloen toegang verleende,
stond wijdopen, daardoor stroomde het volk naar binnen en nam zijn plaats
in buiten, de palen, waarmede het zandperk omheind was.
Tegenover den ingang stond de vorstelijke troon, bedekt door een soort
van hemel, met schitterende kleeden van goud- en zilverborduursel gedrapeerd;
een gouden stoel was er onder neergezet voor den heerscher, en lagere
stoelen voor zijn zonen en andere grooten. Links van den troon, zoo
echter dat men daarop het volle gezicht had, was een soort van balkon
of tribune uit den ringmuur gebouwd, met fraaie rondbogen versierd,
waarvan de openingen door oleander-struiken half bedekt waren. Dit was
de plaats, vanwaar de prinsessen het schouwspel kwamen zien; afwisselend
deed de muziek der gamelangs en die van Europeesche instrumenten van
de derde of vierde soort haar tonen hooren en wekte de vroolijkheid
der toeschouwers meer en meer op; men kon 't het volk aanzien, dat het
gelukkig en tevreden was. Alles lachte en schertste niet luidruchtig,
maar kalm, bedaard, innig vergenoegd, zooals het den Javaan eigen is;
tot boven den ringmuur zag het zwart van menschen, zelfs in de waringin
[184:]
boomen, die het
plein omzoomden, waren zij geklommen.
Doodelijke stilte heerschte er plotseling, de deuren werden opengeworpen
en de vorstelijke stoet verscheen; soldaten in hun witte en roode rokken
met de glinsterende zilveren pieken in de hand openden den optocht,
daarna volgde het paardevolk, met stalen harnassen aan, in den zonneschijn
met oogverblindend licht fonkelend, terwijl hun paarden met de bontste
kleuren waren opgetuigd. Langzaam en statig naderden nu de olifanten,
waarop de vorst en zijn gevolg zaten. Op den voorsten olifant zetelde
Radhen Wiro Negoro, in zijn vuurrood, met goud en edelgesteenten opgelegd
hof gewaad; de olifant was bijna geheel bedekt met een kleed van goudbrokaat,
waarover een Perzisch tapijt gespreid was, zijn kop ging half schuil
in een net van bont zijdewerk, met in elke maas een robijn of smaragd
flikkerend; zijn snijtanden waren met bloemen omslingerd, snoeren van
bloemen hingen ook langs zijn snuit af. De zetel van den, vorst was
geheel verguld en met kussens van rijk Oostersch weefsel belegd. Zijn
tulband met arendsveer droeg Wiro Negoro op het indrukwekkende hoofd.
Hij was echter niet alleen. Anders had hij gewoonlijk een zijner rijksgrooten,
of den kroonprins naast zich zitten; in vroegere dagen zag men daar
het meest Kiai Hemboong, of een oud-Rijksbestuurder, zijn schoonvader.
Nu echter zat naast hem een geheel onbekend persoon, eenvoudig gekleed
in een zwart lang gewaad, met een witten tulband op; niemand herinnerde
zich hem ooit gezien te hebben, maar de prinsen en edelen, die zich
op de volgende, minder rijk getooide olifanten bevonden, wisten het
beter. Gisteren nog was die jonge man in den kerker onder een zware
beschuldiging opgesloten, heden werd hem de hoogste eereplaats naast
den vorst gegeven.
[185:]
Wat er gebeurd
was, sinds gisteren, dit vermoedde niemand. Men giste en raadde, keurde
àf, haalde de schouders op., maar niets kwam eenig licht brengen
in deze duistere, raadselachtige zaak; de prinsen beefden van ergernis
en woede, doch hun toorn was machteloos, huh vader was niet gewoon rekenschap
van zijn daden af te leggen.
De Tengereezen waren in alle vroegte ontslagen, met het bevel onverwijld
naar hunne bergen te gaan; heden toch moest er overal feest zijn, de
ver
klaarde echter niet waarom.
"Vindt gij dat de aarde, zoo uit de hoogte gezien, niet schoon
is?" vroeg hij aan Robert.
"Ik zie niet graag neer op de gebogen ruggen van mijn medemenschen,"
antwoordde de jonge man, "Niets liever zou ik wenschen dan te heerschen
over een volk van overeindstaande mannen, doch dit volk is gewoon van
uit de hoogte beheerscht te worden. Ik kan er geen verandering in brengen,
zonder mijn troon in gevaar te brengen. Zij werpen zich in het stof
voor mij; welnu, ik verlang het niet, doch kan het ook niet beletten.
Maar zie goed rond, Robert! Dit is voor u een geschikte gelegenheid,
om te weten, hoe Soerapati hof houdt."
"Ge hebt er mij hoog genoeg toe geplaatst," hernam Robert
glimlachend, "wie had't mij voorspeld, toen ik gisteren in de donkere
lade uitgestrektr lag, dat mij heden zulk een eer zou geschieden."
"Nog minder vermoedde ik, dat mijn oudste zoon heden naast mij
zou zetelen in 't aanschijn van mijn volk."
"Kennen zij mijn afkomst?" vroeg Robert verschrikt.
Het gelaat van den vorst betrok een weinig, toen hij den schrik van
zijn zoon zag, maar onverschillig gaf hij ten antwoord:
"Neen, nog weet niemand er iets van!"
De stoet ging in plechtigen optocht den aloen-aloen om, totdat hij voor
den troon kwam; de olifant
[186:]
ging daar op zijn
knieën liggen en, door Robert gevolgd, steeg de vorst af; zijn
lange, witte mantel wapperde achter hem, terwijl hij statig en vol majesteit
de treden van den troon beklom.
Robert zag min of meer verlegen rond, totdat een gebaar van den vorst
hem een zetel vlak naast den zijne aanwees.
Intusschen was ook het vrouwenbalkon gevuld geraakt; Radhen Goesik en
haar dochters, Mas Pengantin's gemalin en verscheidene edelvrouwen,
allen met dunne sluiers voor het, gelaat, namen er haar plaatsen in.
"Wie is de vreemde?" vroeg de vorstin en verbleekte achter
haar sluier, "die daar naast den vorst gezeten is?"
"De man, die mijn echtgenoot heeft gewond," antwoordde Radhen
Soederma, een snik onderdrukkend.
"Dat kan niet zijn," mompelde haar schoonmoeder. ",'t
Is toch zoo, edele Vrouwe," sprak een diepe stem naast haar, het
was die van den Mahomedaanschen opperpriester, "die man is dezelfde,
die gister weigerde voor uw echtgenoot neer te knielen, toen men hem
gebonden in de pendoppe bracht, die zich zonder blikken of blozen Christen
bekende en die uw zoon aanklaagde als vrouwenroover."
"En mijn echtgenoot werd het verboden heden in 't openbaar te verschijnen,"
klaagde de jonge vrouw.
"Vanwaar dan die verandering?" vroeg Radhen
Goesik.
"Dat vraagt ieder zich af, hooge Vrouwe, zonder het antwoord te
kunnen vinden," vervolgde de Pangoeloe, "maar dit weet ieder:
vreeseijke dingen
staan dit land te wachten. 't Is niet genoeg, dat Allah en zijn Profeet
geminacht worden, dat de vorst de oude Goden der Hindoes hier in hun
tempels herstelt, nu begint hij te heulen met de Christenen, hij verheft
een ongeloovigen hond tot de hoogste
[187:]
eereplaats. Wee
dit rijk, wee zijn vorsten !" . . .
Radhen Goesik sidderde.
"Ja, er zijn treurige dagen in aantocht, ik voel het, maar wat
kan ik doen, ik ben onmachtig op het hart en de besluiten van mijn echtgenoot."
"Radhen Wiro Negoro zal het tot zijn schade weldra ondervinden,
dat hij den grooten Profeet versmaadt, en ook gij, Vrouwe, gij, die
u zoo kleingeloovig en zoo zwak toont, gij, dien in uw hart Allah belijdt,
maar schroomt van dat geloof bewijzen te geven. Vrees zijn vonnis!"
"Wat kan ik doen?" zuchtte de vorstin, "mijn zonen en
ik, wij staan machteloos tegenover zijn krachtigen wil."
"De druppel water, die geduldig en regelmatig neervalt, zal nog
zekerder den steen doorboren, dan het puntige ijzer, dat met geweld
naar binnen. wordt gedreven. Het is uw plicht, Radhen Goesik, een einde
te maken, door list of geweld, aan het onwaardige spel, dat uw echtgenoot
met zijn volk en zijn gezin speelt."
"Ik wéet niet welk staatsbelang. . . . . "
"Aan dien knaap verbonden is? Het zal een staatsbelang van hoog
gewicht ongetwijfeld zijn. Tracht het te doorgronden; zeer ernstig moet
de reden toch wezen, die een vorst verplicht, een man, die zijn zoon
verwondde en van wiens afkomst niemand iets weet, met zulke hooge eerbewijzen
te overladen."
"Welnu, ik zal 't beproeven," beloofde de vorstin. Haar oog
verliet den troonhemel niet; zij zag hoe telkens en telkens Radhen Wiro
Negoro zich ter zijde boog, om zijn gezel toe te fluisteren, of hem
iets aan te wijzen; er lag een trotsch zelfbewustzijn in 's vorsten
oog, iets, dat zeggen moest tot zijn verbaasde mantri's en prinsen:
"Gij vindt mijn gedrag onverklaarbaar; doch ik heb goede redenen
zoo te handelen, redenen, welke
[188:]
ik niet verkies
u bekend te maken; meer dan ooit ben ik uw meester."
En niemand durfde hem weerstreven, niemand eenige uitlegging vragen.
De spelen gingen intusschen voort; het tijgergevecht had plaats onder
ademlooze stilte, gevolgd door langdurige juichkreten, toen de tijger
naast den stervenden buffel bloedend ineenzeeg; op dit koninklijke vermaak
volgden stierengevechten, daarna steekspelen, waaraan ook de prinsen
deelnamen.
Robert was door al die spelen zeer geboeid, zijn oogen schitterden en
zijn borst ging snel op en neer; met welgevallen sloeg zijn vader hem
gade, zonder dat hij zelf het bemerkte.
"Heldenbloed stroomt door zijn aderen!" dacht Soerapati, "het
verraadt zich ondanks hemzelf." Hij stond op en gaf het teeken,
dat men zich nu zonder hem zou gaan vermaken, het was bijna middag geworden;
de zon blakerde het witte zand met haar gloeiende stralen, maar nog
scheen het volk niet moede te zijn van de afwisselende spelen. Hanengevecht
en vlieger-oplaten volgden thans, toen Radhen Wiro Negoro opstond om
te vertrekken.
De olifanten kwamen voor; hij besteeg den zijne weder, gevolgd door
Robert; na hem kregen de anderen hun beurt.
"Ik behoef u niet te vragen, of gij u vermaakt hebt," sprak
de vorst tot zijn zoon, "uw gelaat verried het mij genoeg!"
"'t Is waar, ik heb van dit voor mij nog zoo geheel vreemde spel
ten volle genoten. In Europa heeft men daarvan geen begrip."
"Gij moet mij veel van Europa verhalen, Robert, hoe men zich daar
vermaakt, hoe de vorsten er hof houden, hoe zij recht plegen en nog
veel meer bovendien! Maar weet ge waarom ik zulk een haast had te vertrekken?
Straks moet ik mijn hofgrooten en de gezanten van Soerabaya aan den
feestdisch
[189:]
ontvangen; vóór
dien tijd wil ik echter een uur vrij zijn, opdat ge mij den brief uwer
moeder zoudt voorlezen. Geen oogenblik is de gedachte aan haar uit mijn
geest afwezig geweest!"
De olifanten verdwenen binnen den hof van het paleis; op het binnenplein
vóór de pendoppo werden zij verlaten en de vorst trad
alleen met Robert zijn bijzondere vertrekken in.
"Wat zal men over zulk een voorkeur aan een onbekende bewezen,
zeggen?" vroeg de jonge man, die zich nog maar niet schikken kon
in zijn nieuwe waardigheid.
"Daar bekommer ik mij niet over. Ik heb mijn volk geleerd, mij
nooit rekenschap te vragen."
Zij traden in het koele, frissche vertrek; Soerapati wierp zijn staatsiemantel
van zich af en strekte zich op den divan uit.
"Lees me nu vóór," sprak hij, "mijn ziel
smacht er naar, de taal van haar hart te hooren. Geef mij dat kistje
aan!"
Robert gehoorzaamde; meer en meer voelde hij zich getrokken tot den
man, dien hij gisteren nog als eep Oostersch despoot had verafschuwd.
De eer hem thans betoond, was hem welkom, na de diepe vernederingen
der laatste jaren.
Radhen Wiro Negoro haalde met eérbied den brief uit het kistje
en bracht dien toen aan de lippen; onwillekeurig voelde Robert zijn
oogen vochtig worden bij dit gebaar, en toen zijn vader hem het papier
overreikte, raakte hij het op dezelfde wijze aan.
De herinnering aan de doode vereenigde hen beiden voor een oogenblik.
Robert begon te lezen, langzaam maar duidelijk, soms met van aandoening
bevende stem; zijn vader verborg het gelaat in de kussens van den divan;
niets verried zijn ontroering, dan nu en dan een trilling, die zijn
forsche gestalte doorvoer. Lang nadat Robert geëindigd had, bleef
hij zoo liggen; eens
[190:]
klaps hief hij zich
öp, legde zijn handen op schouders en sprak met doffe stem:
"Robert; wat zou uw moeder willen, dat ik voor u deed?"
Nog vóór hij antwoorden kon, trof een valsche, gebroken
lach beider oor, zij zagen om, daar stond onder het half weggeschoven
gordijn Radhen Goesik.
"Laat mij u even storen, mijn gemaal! Het zijn ongetwijfeld hooge
staatsbelangen, zaken van zulk een gewicht, dat vrouwen er niet naar
raden kunnen, welke gij met dien bleeken knaap te verhandelen hebt,
en mijn gezelschap zult gij nu gaarne missen," sprak zij met snijdenden
spot.
"Ge zijt scherpzinnig geweest, als altijd, Ratoe!" antwoordde
de vorst, "wij kunnen vrouwen zeer goed intberen in de gesprekken,
die wij nu voeren. Gij weet, de tijden zijn ernstig en de gevaren dreigend.
Laat het aan mij over, ze te bezweren! Ga terug naar uw vertrekken,
waar de batikspoel, het weeftouw of het dakonspel u wachten. Ik zal
er zorg voor dragen dat gij in vrede kunt leven met uw lieftallIg tijdverdrijf."
"Ik zal u gehoorzamen, Radhen Wiro Negoro, zoodra mijn taak afgedaan
is; ik moest u eerst spreken over zaken, gewichtiger dan batikspoel
en dakon-spel. Vrees niet, ik zal u niet lang berooven van het zoete
gezelschap van uw nieuwen vriend."
"De feestdisch wacht mij, ik heb slechts weinige oogenblikken vrij.
. . . "
"Gunt ge mij die niet eens?"
"Welnu, spreek spoedig!"
"Als wij alleen zijn!"
"Verlaat ons dan, Robert!"
De jonge man boog zich diep voor de vorstin, die onwillig het gelaat
van hem afwendde, en verliet het vertrek.
"Wat wilt ge van mij?" vroeg Soerapati ongeduldig.
[191:]
"Wie is die
knaap ?" klonk het woest van haar lippen.
"Ge zult het weten, als het de tijd daartoe is. Komt ge allèen
om mij dit te vragen, dan hadt gij u den moeite kunnen besparen."
"Neen, ik kom u waarschuwen! Drijf ons niet tot het uiterste, Soerapati,
de ontevredenheid gist in alle gemoederen, uw zonen morren, daar gij
partij kiest voor hun vijanden, de priesters steken de hoofden bijeen
en hitsen het volk op, nu gij hun eeredienst versmaadt, de edelen zijn
verbitterd, omdat gij een gevangene van gisteren de eereplaats gunt,
die vroeger slechts aan enkele bevoorrechten geschonken werd. Zelfs
uw Balineezen zijn ontevreden, daar gij een Christen den voorrang geeft
boven hen. Nog is het een kleine adder, die vreesachtig het hoofd opricht,
met een slag van uw voet kunt gij het dier verpletteren, maar wee u,
zoo gij talmt, en het tijd geeft te groeien, totdat het een reusachtig
monster wordt met duizend hoofden."
"En wie is het, die aan het monster voedsel geeft, wie is het,
die zijn gapende muilen vult met ver gift? Mijn huisvrouw, mijn vorstin!
Schande over u Kousouma, dat gij, in plaats van mij trouw ter zijde
te staan in deze stormachtige dagen, zooals gij het zoovele jaren deedt;
u tegenover mij stelt uit kleingeestige jaloezie. Bedenk, welke gevaren
voor mijn deur staan, 't is nu geen tijd meer tot kinderachtige paleistwisten,
tot dwaze achterdocht, we moeten vereenigd blijven, vaster dan ooit,
willen wij den vijand overwinnen. Geloof me, 't is niet goed, dat gij
allen u tegen mij keert, want in het vaste vertrouwen op mij alleen
is ons aller redding en behoud gelegen!"
"En moet ge het mij verwijten, dat er tweedracht heerscht? Wanneer
allen morren, is het onze schuld of de uwe? Gij overlaadt mij en uw
kinderen, uw priesters en edelen met schande en smaad, vreem
[192:]
delingen worden
door u gevleid en geëerd, en waarom? Wat kan die jongeling u wezen,
wiens gelaat gij gisteren nog niet gezien hadt?"
Met groote stappen ging Soerapati op en neer, om meester te worden van
zijn toorn; zoo was hij aan het einde van het vertrek gekomen, toen
Radhen Goesik's aandacht op het schildpadden kistje viel. Als een tijger,
die zijn prooi bemachtigt, zoo wierp zij er zich op en nog vóór
dat haar man het beletten kon, had zij het portret en de beide stukken
van den penning in haar handen gegrepen. Niets ziet met meer helderheid
en is tevens meer verblind dan jaloezie; een ruwe kreet ontsnapie haar
lippen en zij gilde het uit:
"Hij is uw zoon, en van de Hollandsche. Wee mij en mijn kinderen,
nu zijn wij allen verloren!"
Zwijgend ontrukte de vorst haar het portret en de munt, klemde haar
handen in de zijne en duwde haar met geweld, ondanks haar heftige tegenweer,
de kamer uit.
"Geen woord meer!" gebood hij, "wanneer gij voortgaat
onrust te stoken in mijn omgeving, zaden van wantrouwen zaait bij uw
zonen, en mij belemmert in de moeilijke taak, die mij wacht, dan zal
ik mij genoodzaakt zien, u gevangen te houden in Banjoe Biroe. Onthoud
mijn woorden, Radhen Goesik, ge weet; dat ik nooit veel geschertst heb
in mijn leven en ik zal het nu minder dan ooit doen."
"Tiran, vergeet niet, dat ik een prinses ben en gij niets dan een
avonturier, een slaaf!"
Hij wierp de deur van zijn kamer in het slot, terwijl haar luid snikken
en kermen nog steeds daar buiten weerklonken.
"Ik waarschuw u nogmaals dat getier te staken!" beval hij,
"of ik zal u anders op een plaats laten brengen, waar men uw gezang
niet zal kunnen hooren."
[193:]
Het geschrei verstomde
langzaam en de vorst bergde zijn kostbaarheden weg.
"Die vrouw zal mij nog veel last en zorg geven," mompelde
hij, "ik moet haar in 't oog houden; maar wat kan 't mij deren,
als mijn plan gelukt? Ik zal hun aller tegenstand wel weten te breken,
zoodra de tijd er toe gekomen is."
Hij wierp zich den staatsiemantel weer om de schouders en riep Robert,
die in de aangrenzende kamer wachtte.
"Het is tijd voor het feestmaal, Robert," sprak hij, "laat
mij u een raad geven, mijn zoon! Wees op uw hoede, ge zijt hier reeds
omringd door vijanden, hoewel uw gunst nog geen vier en twintig uur
heeft geduurd. Drink of eet niets, dan wat ik u geef; ik zal u een ijzeren
vest doen. dragen, onder uw kleederen, en vooral, wacht u voor de vrouwen!"