IV.
DE VERZOEKING.
Robert volgde zijn
vader dagelijks, nu eens op zijn tochten van Pasoeroean naar Bangil
en de rijstvelden van Derma, dan weer bij zijn wapenschouwingen, of
wel, hij was getuige van zijn rechtsplegingen en bracht uren met hem
in zijn kabinet door, luisterend naar zijn plannen van verdediging en
van versterking.
"De groote strijd, waarop ik sinds twintig jaar bezig ben mij voor
te bereiden, zal welhaast uitbreken," zei de hij, "ik heb
getracht dien te vermijden. Men heeft zich niet eens verwaardigd, acht
[194:]
; te slaan op mijn aanbiedingen, nu zal ik hen leeren hoe zij
met mij hebben te rekenen! Ge ziet nu alles, Robert, hoe ik gereed ben
den vijand te ontvangen. Meent ge, dat ik kans zal hebben mijn grond
op den duur tegen hen te verdedigen?"
"Gij hebt met veel talent uw verdedigingsplan gesteld, ik sta verbaasd
over uw krijgskundige kennis en veldheersblik. Het zal den vijand zeker
moeite kosten die moerassen te doortrekken, als zij ten minste van dezen
kant naderen. Zijt gij daar zeker van?"
"Ja."
"Hoe kunt ge dat weten?"
"Dit is een geheim, dat niet mij behoort, ik kan 't u dus niet
zeggen. Mijn eigen geheimen, dat ziet ge, bestaan niet voor u."
"Wanneer zij uw forten naderen, dan vrees ik, dat deze niet lang
bestand zullen zijn tegen hun vuurwapens, hun kanonnen en granaten."
"Ik heb ook geschut; doch al zijn deze versterkingen in hun handen
gevallen, dan nog zullen zij voet voor voet eIken duim grond moeten
veroveren; mijn maatregelen zijn genomen."
Rdbert begreep steeds minder de redenen, waarom Radhen Wiro Negoro zoo
oprecht met hem handelde. Hij maakte hem deelgenoot van al zijn plannen,
van al zijn zorgen, van al zijn belangen. Robert huiverde dikwijls bij
de gedachte, welk een grooten schat van kennis hij thans had opgezameld,
hoeveel inlichtingen, voor den Hollandschen bevelhebber van de hoogste
waarde, hij geven kon. Hoe het geheele welslagen van den veldtocht afhing
van zijn spreken of of zwijgen; maar hij gevoelde tevens ook, hoe juist
dit vertrouwen en deze openhartigheid hem met banden, sterker nog dan
die des bloeds, aan zijn vader hechtten, hoeveel verantwoordelijkheid
de vorst op hem laadde, juist door dat gemeenschappelijke weten.
Soerapati moest een doel hebben, maar welk?
[195:]
Hoe meer hij den vorst leerde kennen, hoe hooger zijn bewondering
steeg voor hem, die met zulke gebrekkige middelen zooveel tot stand
had gebracht en nog zoo oneindig meer zou kunnen stichten, indien hij
betere werktuigen in zijn onderhoorigen had gevonden. Zijn leergierigheid
kende geen grenzen, hij had grooten dorst naar meer kennis en meer wetenschap,
daarom was het hem een genot, Robert naar duizenden dingen te vragen,
welke in beschaafde landen aan kinderen bekend zijn, maar waarnaar hij
levenslang nieuwsgierig was geweest.
Tot diep in den nacht duurden soms hun gesprekken, die welhaast aan
Robert evenveel belang als aan zijn vader jnboezemden. Volgens de eigenaardigheid
van zijn karakter, dacht de jonge man weinig aan de toekomst; het tegenwoordige
was hem genoeg. Dikwijls dacht hij er wel aan, dat de heer De Wilde,
met smart op zijn mededeelingen wachtte, maar hij kon, er niets aan
doen; hij was door een samenloop van omstandigheden gevangen geraakt;
dit was niets buitengewoons, zulk een zending was aan vele gevaren onderhevig;
het zou een wonder zijn, indien hem geen ongeval overkomen ware.
Hij verhaalde den vorst zijn leven in alle bijzonderheden en vernam
op zijn beurt het wonderbare verhaal van Soerapati's lotgevallen, die
hem van slaaf tot vorst hadden verheven; zoo leerde hij dan ook het
gebeurde te Karta-Soera, in 1686, van een geheel andere zijde beschouwen.
"Beken mij oprecht!" vroeg hij eens bijna smeekend, "is
't waar, dat de gezant Tak verraderlijk door u vermoord is?"
"Mijn wapen heeft hem niet getroffen," antwoordde Radhen Wiro
Negoro ernstig. "'t Is waar, de verwarring was groot, wij zagen
haast niets, zoo verblindde de kruitdamp onze oogen, maar toch weet
ik, hoewel ik in het vuur der zelfverdediging
[196:]
in het wild om
mij heen sloeg, dat de gezant niet door mijn hand viel. Van verraad
was echter bij mij geen sprake; de Soesoehoenan en de Rijksbestuurder
hadden mij in hun dienst genomen, zij speelden een dubbele rol; voor
de Hollanders namen zij den schijn aan, dat ik hen bedreigde, terwijl
hun vurige wensch was, dat ik hen van de vreemden verloste. Eerst toen
men ons aanviel en omsloot, heb ik mij door mijn aanvallers een weg
gebaand, onverschillig wie zij waren. Ik weet het, nu roepen ze mij
nog tot verantwoording over de mannen van Kuffeler, die ik verslagen
heb; maar wie zal hen ter verantwoording roepen voor al het bloed, waarmede
zij onze eilanden overstrooidnen? En wat hebben wij gewonnen in ruil
van onze vrijheid, van ons bloed?"
"Aan wreede willekeur en veel boosheid, die aan de hoven heerscht,
maakten zij een einde door hun inmenging!"
"Niemand heeft hen hier geroepen en meent ge dat zij hier komen
om ons beter, verstandjger, beschaafder te maken? Hun eenig doel is
rijk te worden ten koste van ons. Ik heb hooren verhalen van hen, die
't wisten door hun grootvaders, dat de Portugeezen anders handelden;
zIj vonden ons niet onwaardig hun gelijke te worden. Zij konden wreed
zijn en onrechtvaardig, maar er waren toch bezittingen, die zij hooger
stelden dan goud en zilver en die zij aan de overwonnelingen wilden
mededeelen. Welnu, de straf zal niet uitblijven; -wanneer deze landen
uitgeput en uitgezogen zijn,' dan is ook de macht der Hollanders geknakt,
en de Islam heeft vrij spel om de ongeloovigen uit te roeien."
"En toch wilt gij met hen een bondgenootschap sluiten?"
"Ja, omdat zij bezitten, wat ons ontbreekt, maar zij weigeren het.
ons te geven, daar anders de goudader minder rijkelijk vloeit."
[197:]
Eenige weken gingen aldus om en dagelijks kwamen er tijdingen
van den naderenden vijand; schepen, met 15000 man bevracht, waren te
Soerabaya ingekomen en daar feestelijk door de regenten van Soerabaya
en Madura ontvangen. Naast elkander zouden zij tegen den gemeenschappelijken
vijand optrekken; in afwachting daarvan namen de steekspeIen, maaltijden
en danspartijen geen einde.
Robert hoopte en vreesde tegelijk een ontknooping; van dag tot dag stelde
hij het uit, zijn vader naar zins besluiten te vragen, zijn geheele
toekomst stond op het spel; nu of nooit moest De Wilde, of liever de
bevelhebber, Govert Knol, die dezen veldtocht leidde, de inlichtingen
ontvangen, welke hij nodig had, en wat moest hij zeggen? Kon, mocht
hij thans den vijand verraden, in wien hij zijn vader had teruggevonden,
mocht hij misbruik maken van het vertrouwen, hem zoo ruim.schoots en
zoo openlijk geschonken?
Zijn leven geleek een ware feestdag, niets ontbrak hem, alle slaven
van den dalefii vlogen op zijn wenken; de kroonprins werd ongetwijfeld
niet beter bediend, de rijksgrooten zelfs behandelden hem met eerbied.
Het eene feest volgde op het andere, alleen de prinsen hielden zich
op een afstand en veinsden hem niet te zien, maar Soerapati had Pengantin's
straf nog niet opgeheven, hij mocht nog steeds zijn woning in de kraton
niet verlaten, Lembono was met den erfprins naar Balembangan gezonden,
Nitro vertoefde in Bangil. De Rijksbestuurder Amirang Kousoumo was nu
in Kediri, waar hij bij Soena Mas de plaats van den regent innam, die
aan de zijde bleef van den Vorst, wiens trouwste vriend en raadsman
hij was.
Op zekeren morgen zat Radhen Wiro Negoro alleen in zijn vertrek in den
arbeid verdiept; zoojuist was hem een brief van den Depati van Soerabaya
gebracht, waarin deze meldde, dat de ex
[198:]
peditie nog niet vertrekken
kon, daar de meer dan tachtigjarige regent van Madura zich niet op weg
wilde begeven, vóórdat de maan rijzende was; de Soerabayasche
prins beloofde alle mogelijke inlichtingen bijtijds aan zijn vriend
en bondgenoot te verstrekken. Hij beschreef hem verder nauwkeurig den
weg, dien hij het leger zou doen nemen; nog was de argwaan der Hollanders
niet opgewekt, hij bewees hun den grooten eerbied, hield hen met feesten
bezig, maar zwoer nogmaals zijn machtigen vriend en broeder Radhen Wiro
Negoro trouw.
Op een kaart, die vóór hem lag, teekende de vorst thans
de doorgangen af van het vijandelijke leger en tevens den loop, dien
hij aan het zijne wenschte te geven; zoo verzonken was hij in zijn werk,
dat hij niet eens de nadering vernam van een menschelijk wezen, totdat
een beweging aan zijn voeten hem deed opschrikken; hij zag naar den
grond, en bemerkte daar, opgerold als een kluwen, den kleinen dwerg.
"Boeloe Kidoer! Hoe durf je me hier storen?"
zeide hij toornig.
"Meester," hijgde de arme dwerg, "ik moet u spreken,
't is misschien voor het laatst, want de kleine man gaat sterven; zijn
'leven was toch al niet veel meer waard in den laatsten tijd, een voetslag
van uw zoon Pengantin deed het overige."
"Hoe, heeft Pengantin je mishandeld, is 't mogelijk, u, den lieveling
zijner moeder!"
"Ik ben 't niet meer, ik heb de gunst der hooge Ratoe verloren,
en toch, beken 't, Meester, aan mij hebt ge beiden het te danken, dat
gij zoo hoog gestegen zijt. Weet ge nog, Meester, hoe ik in de wouden
van den Preanger u 't eerst uw hooge bestemming heb geopenbaard en daardoor
de liefde van Radhen Goesik nog hooger deed opvlammen? En heb ik u den
ngenipoel niet geleerd, die u zoovele vijanden deed overwinnen?"
[199:]
Radhen Wiro Negoro glimlachte.
"Dat hebt ge, arme Boeloe! Inderdaad, ge hadt een beter lot verdiend;
de zoon van haar, die gij zoo trouw hebt aangehangen, is wel schuldig,
dat hij u zoo mishandelde. Welke reden had hij daarvoor?"
"Luister naar den dwerg, Meester! Hij heeft u nog iets te zeggen.
Veel heeft Radhen Goesik aan mij te danken, meer dan gij weet of zelfs
vermoedt. Als Kiai Hemboong op mijn raad en ten haren gevalle uw hart
niet had losgerukt van de blanke vrouw, dan zoudt gij nimmer gebroken
hebben met de Compagnie, nog minder haar gehuwd hebben."
"Wist zij er dan van?" vroeg Soerapati bleek van
toorn.
"Ik werkte voor haar en Kiai Hemboong voor u. Samen besloten wij,
u af te scheuren van de Hollanders; de ring, dien gij ontvingt als komende
van Nonna SuzaIina, was uit haar juweelkistje afkomstig. Meester, zie
mij zoo dreigend niet aan! Als ik slecht deed, vergeef mij, of ten minste
spaar mij tot ik uitgesproken heb; met één slag kunt ge
mij dooden!"
"Ik vertrap geen wormen. Spreek voort, monster!"
"En nu haten mij de vorstin en haar kinderen, omdat ik hare plannen
heb doorzien. Zij spannen samen tegen u, Meester, en tegen den knaap,in
wien zij uw zoon vermoeden; o zij hebben zijn dood besloten. En de Mahomedaansche
priester, Sjeikh Abdallah, stookt het reeds zoo hevige vuur nog meer
aan. Alle dagen komen zij samen in de woning van Mas Pengantin en spoedig
zullen zij den slag slaan. Wees dus op uw hoede, Radhen Adipati, uw
bitterste vijanden dreigen niet van buiten, maar van binnen! Dood mij
nu; de dood uit de handen, van zulk een groot, dapper man zal mij zoet
wezen, zoeter dan de mishandelingen van den laffen knaap, die zich uw
zoon noemt."
[200:]
"Vertrek, Boeloe Kidoer! Sterf of word beter, naar dat ge
verkiest, ik dank je voor die mededeelingen en zal er gebruik van maken,
vertrek."
"Ik ga, Meester, ik ga. Ge doodt mij niet, ge jaagt mij alleen
weg. Gij zijt goedertieren en toch wreed. Nog iets! Is die blanke u
werkelijk dierbaar, bescherm dan zijn leven, want het loopt groot gevaar!
Niets is meer te vreezen dan de jaloezie eener booze vrouw."
En hij kroop met moeite weg, hevige zuchten slakend; buiten gekomen
rolde hij zich in een hoekje, naar zijn gewoonte, ineen.
"Ach, we gaan allen heen! De oude Kiai is weg en komt nooit weer
terug, en nu moet ik sterven, maar wat is onze dood naast den zijne,
en dezen zie ik zoo duidelijk als de zonnestraal hier op den vloer in
zijn oogen. Dan zal 't eerst goed gaan voor het moedertje en haar lieve
zonen! Zij zijn vorsten, ja, maar den slaaf zullen zij missen! En ook
Boelo
Kidoer. . . . wat zal zij naar hem rondzien, maar dan is hij weg, weg,
voorgoed weg, en als ze hem roept, dan verschijnt hij niet meer, neen,
nooit meer!"
Zijn hoofd viel op de ingevallen borst; die sterk begon te reutelen,
en toen een uur later slaven door 't vertrek kwamen, zagen zij daar
een rol kleeren liggen; zij namen die op en vonden het lijk van Boeloe
Kidoer, den Bantamschen dwerg.
Radhen Wiro Negoro ging intusschen heftig bewogen zijn kamer op en neer,
de handen over de borst gekruist, hetgeen hij altijd deed, wanneer hij
een gewichtig besluit te overwegen had.
"Ik kan niet langer dralen, de tijd dringt, de omstandigheden drijven
mij, ik moet weten, wat ik van hem te hopen of te vree zen heb. Mijn
lot en dat van mijn rijk berust in zijn handen, dan eerst zal ik weten,
wat ik met dat addergebroed te doen heb. Alles kan ik dragen, wanneer
hij mij steunt,
[201:]
dan kan ik hen missen en dus ook tot alles dwingen;
een nieuw, krachtig leven begint voor mij, schitterender dan alles wat
voorbij is."
Hij sloeg op den gong en beval den binnentredenden slaaf, dat men Toewan
Sidin - onder andere naam was Robert aan het hof niet bekend - zou roepen.
Eenige oogenblikken later kwam zijn zoon binnen en bood hem, zooals
zijn gewoonte was, bij de begroeting de hand aan. Radhen Wiro Negoro
drukte deze nog krachtiger dan anders en verzocht Robert naast hem te
zitten.
"Ik moet een ernstig gesprek met u voeren, Robert," zoo begon
hij. "De tijden zijn donker. Ik wil een beslissing nemen."
"Reeds lang had ik u daarom willen vragen," antwoordde de
jonge man.
"De vijanden zullen spoedig voorwaarts rukken, Robert, en ik moet
mij in het veld begeven, om hen te bestrijden, maar nog erger vijanden
dreigen mij in de kraton, mijn eigen vrouw en kinderen spannen tegen
mij samen; niet alleen op mij hebben zij het gemunt, maar ook op u."
"Ik weet het," hernam Robert glimlachend, "gisteravond
was een man onder mijn bed verscholen. Ik heb hem ontwapend en toen
mijn kamer uitgeworpen, hier is zijn kris."
"Leg ze neer! Dit zijn bewijzen, die ik weldra noodig zaf hebben.
Het is om uwentwille vooral, dat zij ontevreden zijn. Mijn vrouw vermoedt
in welke verhouding wij tot elkander staan; ik heb niets geloochend,
maar ook niets bekend, en ik kan nog niets doen, nog geen schuldige
straffen, vóór ik weet, of ik op u rekenen kan."
"Waarin, Radhen Adipati?" Nog gaf, tot Soerapati's grootste
teleurstelling, Robert hem niet den vadernaam.
Hoor toe! Gij weet veel, zoo niet alles van mij!
[202:]
Ik heb voor
u mijn leven opengelegd, mijn plannen mijn zorgen, mijn gedachten en.
denkbeelden; gij weet dus ook in welken kommer ik leefde voor uw komst,
in het besef, dat alles, wat ik met zooveel arbeid tot stand bracht,
na mijn dood verdwijnen moest. Mijn zonen zijn zwakkelingen, in niets
onderscheiden van de Javaansche prinsen der naburige hoven. De erfzonden
van deze geslachten, wreedheid en losbandigheid, kleven hen aan en door
geen groote deugden houden zij hun verkeerde neigingen in in evenwicht.
Wat zal er worden van dit rijk, als ik in den strijd vallen mocht?"
"Waarom denkt ge aan die mogelijkheid?"
"Het is alleen de dwaze, die vreest, den dood in de oogen te zien.
Te dikwijls reeds zag ik hem mij bedreigen, dan dat ik nog angst voor
zijn nadering koesteren zou. Ik ben niet onkwetsbaar, zooals mijn soldaten
het meenen. Zoo ik sneuvel, dan zal Soenan Mas zijn rechten doen gelden
op deze landen en er mijn zonen mede beleenen; te zamen zullen zij trachten
den Hollanders 't hoofd te bieden, of wel, zij gaan dadelijk vrede met
hen sluiten, een vrede, waarbij zij alles verliezen; de Islam zal in
volle kracht zegevieren en alles overheerschen. In elk geval, met Soerapati's
rijk is het gedaan."
Zijn stem klonk dof en treurig bij deze woorden;na een poos vervolgde
hij:
"En dit is ook beter! Welke reden van bestaan heeft dit rijk, ook
wanneer Pengantin, Nitro en Lembono onder Soenan Mas en Sjeikh Abdallah
het regeeren? Beter is 't dan, dat de Hollander er den hiel op zet en
't onder zijn macht houdt. Die gedachte kwelt mij nacht en dag; met
mij zal oók mijn werk in 't graf dalen."
"Maar ge zijt nog geen grijsaard, Adipati, en de kansen van den
oorlog kunnen u gunstig worden."
"Zal het gevaar daardoor geweken zijn? Het
[203:]
oogenblik van
mijn dood kan nog lang dreigen, 't is waar, doch in en met-mij gaat
toch eenmaal alles ten gronde; toen ik alles verloren waande, kwam er
plotseling licht. Gij werdt mij toegezonden, mijn oudste, liefste zoon,
het kind van de eenige vrouw, die ik ooit heb bemind. In u zag ik alles
vereenigd wat ik wenschte."
"En wat wenscht ge dan?"
"De droom van mijn leven is geweest, gij weet het, toenadering
tot de Hollanders; ik erken in hen een hooger ras, zij hebben een volmaakter
godsdienst, meer wetenschap, meer kennis, meer beschaving dan wij, maar
kunnen deze bezittingen dan ook niet de onze worden? Waarom moet altijd
de afgrond gapen tusschen hen en ons? Is 't, omdat zij blank en wij
bruin zijn, maar ons ,erstand, ons hart zijn dezelfde toch, ons uiterlijk
alleen verschilt. Gij hebt daar in Europa grootsche bouwwerken, maar
hebben ook wij Java en Bali niet bedekt met trotsche tempels en paleizen,
voor dat de Islam ze vernietigde? Gij hebt heerlijke gedichten, maar
ook wij bezitten ze in de Brata joeda, in de Mintorogo en in zooveel
meer, en wat ik wrochtte met de ellendigste hulpmiddelen, kan daar een
Europeesch veldheer tegen wedijveren? Zo wij beneden u staan, is 't
omdat de gelegenheid tot leeren ons ontbrak, omdat gij ons niets geleerd
hebt in de twee eeuwen, van ons samenleven. Ik heb er van gedroomd,
die klove te overbruggen; maar mijn kracht schoot tekort bij alle voorrechten
der blanken. Zij hebben mij telkens verstooten, wanneer ik ter goeder
trouw tot hen kwam. Slechts uw moeder, Robert, heeft zich mijner ontfermd,
helaas tot haar ongeluk! Laat haar voorbeeld u ten goede komen, mijn
zoon!"
"Ik begrijp u niet !"
"Brengtot stand wat ik vergeefs beproefde: gij, de zoon van gemengden
bloede, moet den afgrond
[204:]
dempen, die het volk uws vaders van
dat uwer moeder scheidt."
"Maar hoe vermag ik dat?" vroeg Robert huiverend.
"Laat mij u openlijk erkennen als mijn zoon en opvolger! - Mijn
kroon zal de uwe worden; gij zult vorst zijn, eerst met en later na
mij! Gij moet mij helpen dit rijk nieuwe grondvesten te geven. Te zamen
zullen wij arbeiden, om het te doen eerbiedigen van binnen en van buiten.
Gij zijt Christen, welaan; belijd openlijk uw godsdienst. Gij hebt een
blanke vrouw lief, erken haar als uwe koningin; ik zal een paleis voor
u doen bouwen, zoo heerlijk als er geen bestaat in Europa, mijn legers
zullen u onderworpen zijn, gij zult hun opperbevelhebber worden. Ik
blijf u steunen, geen andere eerzucht meer kennend dan in alles uw wil
te doen! Gij toch wordt mijn mederegent, mijn kroonprins!"
"Vader!" riep hij eensklaps uit, verschrikt en als verblind
door zulk een vizioen.
"Gij noemt mij vaderI" juichte de vorst, "de Hemel zij
gedankt, dan lacht mijn plan u toe! O Robert, ik heb u zoo lief gekregen,
als eens uw moeder mij dierbaar was. Laat mij goedmaken aan u, wat ik
jegens haar misdreef. Ik zal u overladen met goud en met eer, elke wensch
van u zal mij een bevel zijn, geen verlangen, of ik zal trachten het
te vervullen, maar help gij mij, den droom mijns levens verwezenlijken.
Laten wij samen, dit volk verheffen, want, niet waar, mijn werk is grootsch,
het zou te betreuren zijn, als het te niet ging door de onwaardigheid
van mijn opvolgers! Gij alleen kunt het redden!"
"En wat wilt ge dat ik doe?"
"Mij terzijde blijven, mij helpen eerst den vijand van buiten te
bestrijden en dan de werken des vredes hier stichten."
"Den vijand bestrijden, maar die vijand. dat is mijn volk, mijn.
. . "
[205:]
"Uw volk? Het volk van den vader is ook dat van den zoon.
't Is waar, een treurige noodzakelijkheid blijft 't voor u, tegen hen
op te rukken, maar niet ik wenschte den oorlog. Ik heb hen de hand der
verzoening gereikt, mijn bode keerde niet eens terug. Zij moeten eerst
leeren, ons te vreezen, mijn kind! dan zullen zij ons achten en eindelijk
eeren. Is dat geen schoone taak, een taak, zooals nog nooit een jong
man werd voorgesteld! Gij hebt slechts te willen, Robert, en ge wordt
mijn opvolger, mijn rechterhand, mijn raadsman, mijn steun! Zie, welk
een rijk ik mij veroverd heb, de geheele kust van de Zuidzee, van den
voet van den Lawoe, tot daarginds, waar de zee Java van Bali scheidt,
behoort mij; grooter is dit land, dan dat over de zee, dat ons hier
wetten komt stellen. Gij zijt beschaafd en verstandig, uw geest is ontwikkeld,
uw hart slaat voor alles wat goed en edel is, ontferm u over mijn land
en volk! Gij alleen kunt het redden! Zonder uw hulp, verzinkt het weer
in den afgrond en al mijn werk is ijdel geweest. Ik bid u, mijn zoon,
verhoor mijn bede!"
Robert bedekte het gelaat met de handen en zweeg, de stem zijns vaders
ging vleiend voort:
"Ge zult zoo gelukkig worden, mijn kind! Alles wat uw hart begeert,
zal ik u geven, alles kunt gij wenschen. Welke ellende zal deze streken
wachten, als een Pengantin er oppermachtig regeert! Kan ik rekenen op
u, zoo zal ik hen allen onschadelijk maken en toch tevreden stellen;
gij alleen zult heerschen na mijn dood. Een vorstenkroon is verleidelijk,
maar nog schooner is het te arbeiden voor het geluk van velen. Wat weerhoudt
u?"
"Mijn vaandel verraden, ontrouw worden aan mijn volk, aan mijn
eed!"
"Hoe is dat volk jegens u geweest? Verbreek alle banden met hen,
word een Balinees, zooals ik het ben, behoud uw godsdienst, ik veroorloof
't u, ik verlang het zelfs, en trek dan met mij op - want
[206:]
ONTBREEKT
[207:]
mijn landgenooten. Ik zou strijden tegen mijn volk, ik zou met
hen breken, neen, nooit!"
"En ge offert aan een denkbeeldigen plicht uw vader op en met hem
een troon, een volk!"
"'t Is mijn plicht, ik kan niet anders!"
't Was of niet hij, maar Digna voor hem die woorden uitsprak, en neerknielend
voor de voeten van den vorst, smeekte hij:
"Vergeef mij, vader, maar ik kan, ik mag niet anders handelen;
wat zoudt ge zeggen van een uwer mannen, dien gij op verkenning hadt
gezonden in het vijandelijke kamp, en die, in plaats van u te dienen,
zich verbond met den bevelhebber, om met hem te zamen u te bestrijden?
Niets anders verlangt gij van mij, ik moet dus weigeren!"
Soerapati's oogen fonkelden van toorn, zijn stem beefde van ingehouden
woede:
"Gij verkiest de vreemden, die u een bastaard schelden; boven mij,
die u als zoon en troonopvolger zal erkennen, gij wilt liever daar een
voetknecht zijn, dan hier een vorst? Ga, verhaal hen alles, wat ik u
heb geopenbaard, leer hen, hoe mij te verderven, mij te vernietigen,
Ik heb 't aan u verdiend, ga!"
Robert stond op en antwoordde met vaste stem:
"Ook dat zal ik niet doen! Ik wil geen verrader zijn, noch van
mijn volk, noch van u; ik zal vertrekken, zoo gij het toestaat, maar
even arm, even onwetend als toen ik hier kwam, Ik heb niets gezien,
niets gehoord, niets onderzocht!"
"U laten gaan, zoo dwaas ben ik niet, Ik wil dat gij nadenkt vóór
gij beslist; niet in een paleis, maar in de gevangenis. pan kunt ge
weten, wat gij opoffert. Gij zult terugkeeren naar het hok, waaruit
ik u verloste, levenslang zal ik u opsluiten, tenzij gij er in toestemt,
mijn zoon te zijn en te handelen zooals het mijn zoon betaamt. Gij weet
te veel, dan dat ik u in vrijheid zou kunnen laten."
Sidderend kromp Robert ineen.
[208:]
"Radhen Adipati;
laat mij sterven, maar houd mij niet gevangen! Ben ik dan niet uw zoon,
op mijn eerewoord, ik zal u niet verraden!"
"Dat is mij niet genoeg! Gij moet mij gehoorzamen; mijn smeekingen
hebben niet gebaat, ik zal zien, wat martelingen op u vermogen."
Hij sloeg op zijn bekken en gebood den binnentredenden dienaar de wacht
te roepen.
"Bedenk u, Robert, 't is nog tijd," smeekte Soerapati, "één
woord, en ge zijt hun vorst!"
Maar hij schudde het hoofd, een onwrikbare wil stond in zijn oogen te
lezen:
"Gij kunt me folteren, zaoveel gij verkiest, maar mij dwingen nimmer.
Wees op uw hoede, Soerapati, deze daad brengt u geen zegen aan!"
De wacht trad binnen.
"Voert dezen man terug naar de gevangenis, die hij verlaten heeft,"
beval de vorst.