II
VADER EN ZOON.
Robert zat, of liever
lag in zijn gevangenis, een duister, laag hok, waarbij de gevangenis
onder het stadhuis van Batavia nog een paleis scheen; een keten verbond
zijn voeten aan een ring in den muur, zijn handen waren ook aan elkander
geboeid.
Hij lag achterover op een matje, naast hem stond een halve klapperdop
met rijst gevuld en een kleine
[173:]
gendie (kruik)
met water. Hij roerde ze echter niet aan; nauwelijks wist hij, dat het
voedsel zich daar bevond, zoo donker was 't hier. Het eenige licht kwam
van een halven cirkel, in een der hoeken van den muur; waarvan de andere
helft zeker de naaste gevangenis verlichtte. Den ingang kon men sleehts
kruipend doorg.aan, hij kwam op een onderaardsche gang uit. Boeloe Kidoer
alleen kon misschien nog rechtop staan in het hok; de vrij lange Robert
raakte bijna den zolder, als hij er in neerhurkte.
Dus had hij besloten maar te blijven liggen, hoewel hij, door de gedwongen
houding, aan al zijn ledematen zware pijn gevoelde. Het scheen nu avond
te zijn, want zelfs door den halven cirkel was nu niets meer zichtbaar;
in de verte hoorde hij de eentonige muziek van den gamelang, die zeker
het een of ander feest moest opluisteren, soms vergezeld door het krijschend
zingen der danseressen, en dan werd het weer voor een poos stil.
Robert had echter genoeg met zijn gedachten te doen, om zich veel bezig
te houden met de Javaansche muziek buiten den kerker.
Wanneer hij even insluimerde, verbeeldde hij zich weer in het deftige
huis op de Heerengracht te Amsterdam te zijn bij zijn goede pleegouders,
of wel in den fraaien tuin van Amstelvreugd naast zijn verloofde.
Als hij door een harden slag van den gamelang of door het knabbelen
van een muis aan zijn haren verschrikt opvloog, kostte het hem moeite
zich te verbeelden, .dat hij zich in de gevangenis bevond van een Javaansche
kraton, overgeleverd aan de genade van een oppermachtig meester, die
hem geheel scheen te doorgronden en niet met zich spelen liet.
"Mijn lot is beslist," dacht hij, "de vorst zal mij tot
spreken dwingen. Blijf ik zwijgen, dan zal hij
[174:]
mij dood laten
martelen; spreek ik, dan treft mij de straf der spionnen. In elk geval,
mijn zending is mislukt, gelijk mijn geheele leven mislukt is. Zal Digna
ten minste weten, dat ik mijn plicht heb gedaan tot het einde? In elk
geval 't is beter hier een wreeden dood te sterven, dan in de Bataviasche
kazernen, zedelijk onder te gaan. Sinds mijn laatste gesprek met haar
heb ik mij niets te verwijten, geen lichtzinnigheid, geen uitspattingen,
geen vloeken meer. Alles zou ik haar kunnen bekennen, alles, maar ik
zal haar nimmer terugzien."
Eén woord had hij opgevangen vóór zijn vertrek
van Soerabaya, dat hij maar niet vergeten kon; iemand had gezegd, een
te hoog in rang, dan dat hij dien om nadere inlichtingen kon vragen
dat de Raad van Justitie, Voorneman, overleden was.
Digna vrij! Dwaas hart; hij schiep zich op dat enkele woord droombeelden,
zijn zending uitstekend gelukt, de Hollanders overwinnaars van Soerapati,
hij bevorderd tot hoogen rang en dingend om de hand der jonge weduwe!
Welke onzinnige gedachten! Zelfs al bevatte het gerucht waarheid, al
ware Digna ook weduwe, breed gaapte nog steeds de kloof tusschen hem,
den naamlooze, en haar, de rijke schoone vrouw. Hoe zou zij ooit gedempt
kunnen worden! Maar ach! een korreltje hoop is dikwijls genoeg voor
eén geheel menschenleven, om er van te teren, en is het korreltje
eindelijk vergaan, dan is ook het leven vaak ten einde.
Zou hij niet kunnen vluchten? Wanneer hij nu ontsnapte had hij reeds
veel, zeer veel aan zijn meesters kunnen melden. Soerapati was een vijand,
waardig zich met zijn landgenooten te meten, geen spot-keizer, als Pakoe-Boewana,
dien hij naar KartaSoera had vergezeld. Waren de Javaansche vorsten
allen aan den Balineeschen hoofdman gelijk geweest, voorwaar, de,Hollanders
hadden zwaarder werk ge
[175:]
had, om het land
aan zich te onderwerpen. Men kon hem vreezen. maar minachten nooit!
Hoe zou het vonnis luiden? Robert had genoeg in zijn blikken gelezen,
hoe hij de wandaden zijner zonen verfoeide en de Tengereezen hun tegenweer
niet misduidde; voor deze feiten zou hij niet streng zijn, maar hij
wantrouwde hem nu als spion, hij zou zijn maatregelen nemen, om den
dwarskijker onschadelijk te maken, wanneer hij dan ten minste een spoedig
einde maakte aan het proces en aan deze lange, martelende gevangenschap.
Langzamerhand was hij ingesluimerd; hij sliep en zelfs vast. Zoo hoorde
hij niet eens, dat het ijzeren luik, de eenige toegang tot zijn kerker,
ontsloten, werd en dat een helder licht naar binnen stroomde en zijn
gelaat bescheen.
"Wil Uw Hoogheid zich daarin wagen?" vroeg een stem buiten
den kerker.
"Stil, laat mij begaan!" klonk het gebiedend terug en de hooge
forsche gestalte van Soerapati wrong zich door het smalle luik; hij
hurkte neer en moest nog het bovenlijf voorover houden om zich niet
aan de armzalige zoldering te stooten. Zoo kon hij zich echter geheel
over den gevangene buigen, die rustig bleef voortslapen; zijn eene,
met ketens beladen arm hield hij onder het hoofd, de andere rustte op
zijn borst, de ijzeren schakels van de keten vielen over zijn schouder,
een kalme uitdrukking lag op zijn trekken, zijn donker haar golfde over
zijn voorhoofd.
Lang bleef Radhen Wiro Negoro in deze houding gebukt over den slapenden
jonkman; zijn breede borst ging onstuimig op en neer, zijn scherpe oogen
schenen aan de stomme trekken een geheim te willen ontpersen, hij volgde
elke,lijn van zijn gelaat, elken omtrek van neus, lippen, voorhoofd,
als om daarin een gelijkenis te ontdekken.
De slapende maakte een beweging met de rechterhand, het ijzer rinkelde
en hij ontwaakte door dat
[176:]
geluid; misschien
ware hij weer dadelijk in slaap gevalIen, zoo hij niet de donkere figuur
boven hem en het volle licht had bemerkt; hij richtte zich ontzet half
op en vroeg:
"Is 't tijd? Moet ik nu sterven? Welnu, ik ben bereid, maar laat
het gauw zijn, en dan den dood van een krijgsman!"
"Volg mij!" beval de vorst. "Sta op."
"Zijt gij het zelf, Radhen Adipati?" vroeg Robert glimlachend,
"dat is een eer, die zeker niet elken veroordeelde overkomt. Weet
ge wat gij mij beloofd hebt? Geef mij nu mijn eigendom terug."
Soerapati antwoordde niet; hij had een breekijzer in de handen en liet
met een behendigheid, welke nog aan die van den ouden roover herinnerde,
de ketens losspringen. Verrast zag Robert hem aan.
"Ik zal u voorgaan, gij komt met mij mede!"
Hij kroop door den nauwen ingang en Robert volgde hem werktuiglijk uit,en
in de gang stond Radhen Wiro Negoro tn zijn volle lengte rechtop; hij
was geheel alleen, In zijn hand hield hij een zijden doek, dien hij
den gevangene over het hoofd wierp, toen nam hij hem bij de hand en
beiden schreden zwijgend voort.
"Mijn laatste oogenblikken zijn geteld," dacht Robert. "Maar
waarom komt die groote Heer mij zelf halen; waarom moet ik blindemannetje
spelen en waar brengt hij me heen?"
Na omstreeks een kwartier geloopen te hebben, voelde Robert, dat hij
op een divan moest neerzitten en de doek werd hem van het gelaat genomen.
Tot zijn verwondering zag hij zich in het bijna Europeesch gemeubelde
vertrek des Vorsten, en niet op de strafplaats.
"Ik heb u hier gebracht, jongmensch, omdat ik u spreken moest,"
begon de vorst met een stem, bevend van geheime ontroering. "Neem
een stoel en zet u naast mij voor de tafel."
[177:]
Robert gehoorzaamde.
"Antwoord op al mijn vragen naar recht en waarheid. Oneindig veel
is daaraan gelegen, niet alleen voor u, maar ook voor mij, voor dit
land en voor volk."
Radhen Wiro Negoro trok het schildpadden kistje naar zich toe en ontsloot
het met een gouden sleutel, din hij steeds bij zich droeg; alle kostbaarheden,
door Robert zoo hoog gesteld, lagen daarin bewaard, hij nam het portret
er uit en vroeg:
"Wie is deze vrouw?"
"Mijne moeder."
"Waar is zij?" Bevend en hortend kwam deze vraag van zijn
lippen.
Robert zag hem hoe langer hoe meer verbaasd aan.
"Gij hebt gisteren gezegd, dat zij dood was. Is dat waar?"
"J a, zij is reeds lang niet meer! Ik heb haar nooit gekend."
"En haar haar man?"
Robert bloosde en wendde zijn blik af.
"Mijn vader heb ik evenmin gekend!"
"Ik vraag u niet naar uw vader! Ik vraag u naar haar echtgenoot,"
drong de vorst grimmig aan; de aderen van zijn voorhoofd zwollen op
en hij zag en jongen man recht in het gelaat.
"Zij had geen anderen man dan mijn vader!" antwoordde Robert
ontwijkend, met steeds klimmende verbazing.
"Geen andere; en vaandrig Kuffeler dan?" barstte Soerapati
uit. Robert zag hem open in het gelaat en haalde de schouders op.
"Ik begrijp u niet, Radhen Adipatil Wat gaat mijn moeder u aan,
en den naam, dien gij daar uitspreekt, heb ik nog niet eer gehoord!"
"Lieg niet! Ik laat mij niet bedriegen door niemand! Heette uw
moeder niet Suzanne Moor?"
[178:]
"Inderdaad!"
"En is zij na uw geboorte niet getrouwd met een vaandrig, Kuffeler
genaamd?"
"Mijn moeder is steeds mijn vader trouw gebleven, in wien zij haar
wettigen man erkende! Zij is later niet meer hertrouwd."
Soerapati's oogappels rolden wild in hun kassen, zijn neusgaten sperden
zich wijd open en hij siste:
"Niet getrouwd, mij trouw gebleven! Dan ben ik schandelijk belogen.
. . : schandelijk, laag!"
Stom van verwondering staarde Robert hem aan; alles scheen hem onwerkelijk
toe.
Met ijzeren hand greep Soerapati zijn polsen en vroeg hortend:
"En uw vader, uw eigen vader, hoe is zijn naam? Wie was hij?"
"Hij was een slaaf, Si Oentoeng genaamd."
Radhen Wiro Negoro liet hem los, schel en valsch lachend.
"Si Oentoeng, Si Oentoeng een slaaf," herhaalde hij telkens,
heftig op en neer gaande, "een slaaf . . . en uw naam, ik bedoel
den naam, waarmede uw moeder u noemde?"
"Robert."
"Welnu, Robert, uw vader is geen slaaf meer, hij heet niet langer
Si Oentoeng, al is die naam profetisch gebleken, want winst heeft hij
gehad, zeer veel zelfs, hoewel men hem zijn kostbaarsten schat ontroofde,
Wilt ge weten hoe thans uw vader heet wilt ge weten wie hij is?"
Robert antwoordde niet; hij voelde zich gebonden en verstomd door den
magnetischen blik van den man vóór hem,
"Uw vader is thans een vorst, die de Hollanders doet sidderen,
en zijn naam is Radhen Wiro Negoro."
"Hoe, gij zijt?"
"Si Oentoeng, de echtgenoot uwer moeder, uw vader."
[179:]
"Gij, gij!"
riep Robert uit, en week terug. Schrik meer dan vreugde lag in zijn
oogen, hij snelde niet toe, om zich in de armen te werpen van den teruggevonden
vader. In plaats van den Oosterschen vorst, zag hij in den geest slechts
den grijsaard terug, wien hij levenslang den zoeten vadernaam had gegeven,
en in dezen man verafschuwde hij den moordenaar van Digna's vader!
"Ge schrikt, ge verheugt u niet. Ware ik een blanke werkman geweest,
ge zoudt mij blijde in uw armen hebben gesloten, maar nu ik een bruine
vorst ben, nu veracht ge mij, nu schaamt ge u, dat ge mijn zoon zijt.
Beken 't, ik lees het genoeg in uw trekken!"
En hij hield hem bij den arm, dien hij vast in zijn vingers omknelde.
"Maar hoe zal ik u gelooven, Heer! 't Nieuws verrast mij, ik duizel
er van. Nimmer had ik kunnen vermoeden. . . ."
"Dat de slaaf, de ellendige verleider van uw moeder, zooals de
Hollanders mij beschouwen, zoo hoog zou klimmen, dat duizenden voor
hem sidderen, dat op een wenk van hem geheel het Oosten van Java zich
in het stof neerwerpt. Hij is de eenige macht, die het geweld uwer landgenooten
nog weerstaat; is hij gevallen, dan zijt gij, indringers, meesters over
dit vreemde land, waarbinnen wij u niet geroepen hebben, dat gij slechts
betreedt om ons te onderdrukken, ons, lager menschenras. Waarom leeft
Suzanna niet meer, zij was de eenige, die in mij haar gelijke zag, zij
is mij trouw gebleven tot den dood. O, had ik 't eerder geweten, had
ik het kunnen vermoeden! Des te wreeder is nu de scheiding geweest,
des te zwaarder trof ons de vloek van blank en bruin. Maar ge wilt bewijzen,
knaap! Gij gelooft mijn woord niet! Welnu, kent gij dezen penning?"
"Hij is de mijne?"
"Hij is half doorgebroken, het zijn deze vingers
[180:]
geweest, die het
zilver in tweeën spleten, hier is de andere helft. Zie of beide
schijven aan elkander passen."
Hij legde hem beide stukken voor en Robert boog het hoofd; hij gaf zich
gewonnen, maar in zijn hart klopte nog iets ten gunste van den vorstelijken
vader, hij kon niet veinzen.
"Zijt ge mijn zoon, ja of neen?" ging Radhen Wiro Negoro met
toenemende verbittering voort, "mijn zoon, gesproten uit mijn echt
met een HolIandsche, een Christenvrouw! Ontken het langer als ge durft!
Zie dezen ring ook, daarop zijn haar voorletters gegrift."
"Ik ontken niets, ik geloof uw woorden, maar vergeef me! Thans
zijn mijn gedachten meer bij mijn arme moeder, wier leven door uw schuld
gebroken werd, bij mij zelf, die de gevolgen draag van haar misstap,
dan bij u, Radhen Adipati!"
Soerapati's blik verduisterde, hij bracht de hand naar het voorhoofd,
en het duurde eenige oogenblikken vóór hij antwoorden
kon.
"Kind, uw woorden treffen mij diep diep in het hart! Ja, 't is
waar, ik heb mijn arme Suzanna slechts smart en ellende aangebracht;
vervloekt zij 't oogenblik, dat zij mij trouw beloofde, vervloekt het
uur, waarop ik haar offer aannam; maar onwaar is 't, dat ik willens
en wetens haar verliet. Ik zocht vergoeding voor mijn leed, ja, in mijn
eerzucht, want liefde heb ik niet meer gekend, noch voor mijn vrouw,
noch voor mijn zonen. Wreed bedrog heeft Suzanna van mij gescheiden.
Om harentwille zwoer ik der Compagnie trouw, om harentwil droeg ik de
wapenen der Hollanders, om haar verdroeg ik de beleedigingen van een
vaandrig, en ik zou nog meer verduurd hebben, indien men mij niet haar
ring had teruggebracht, indien men mij niet voorgelogen had, dat juist
mijn beleediger haar echtgenoot was. Hij, die deze leugen verzon, is
buiten
[181:]
mijn bereik; 't
is wel voor hem, want noch zijn grijze haren, noch de vriendschapsband,
bijna een halve eeuw oud, zouden hem gebaat hebben."
En zijn hand omklemde krampachtig het gouden gevest van zijn kris.
"Maar," ging hij voort, en zijn stem klonk zoo teeder en zoo
week, dat Robert er van trilde, "ik al, zoo God hèt wil,
aan haare zoon goedmaken, wat mijn arme Suzanna lijden moest. Gij hebt
mij nog niet lief, gij schrikt voor mij. Ik wil uw gevoelens niet dwingen,
ik zal geduldig wachten totdat uw hart zich als vanzelf tot mij keert,
wij zullen elkaner langzaam leeren kennen, mijn zoon, en daarom verlang
ik, dat gij mij thans alles zegt. Hoe is uw leven geweest? Wat hebt
gij, te verlangen of te betreuren? Zeg mij alles, maar verhaal mij eerst
van uw moeder!"
"Zij is me even vreemd als gij het nog vóór enkele
ogenblikken waart," antwoordde Robert, "vreemen heb ik levenslang
den zoeten oudernaam gegeven."
En hij verhaalde hem in het kort zijn gelukkige kinder- en jongelingsjaren,
totdat de plotselinge slag hem van alles beroofde en de wijde wereld
eenzaam en verlaten injoeg; plotseling zweeg hij, het was toen hij verhalen
moest waarom hij zich in Soerapati's handen bevond.
"Het overige weet ik," sprak de vorst; "ge zijt hier
gekomen om meer te weten, van mijn persoon, mijn regeering, mijn krijgsplannen;
men heeft u daarmede belast, niet vermoedend welke banden u aan mij
hechten. Ik zal u gelegenheid geven uw taak te volbrengen, ik zal u
alles toonen, ik geef u de grootst mogelijke vrijheid, ik verlang alleen
uw woord, dat gij niet vertrekken zult, vóór ik u verlof
daartoe geef."
"En zal ik dan vrij zijn?"
"Meent ge, dat ik mijn zoon, langer in den kerker
[182:]
zou laten zuchten?
Kan ik rekenen op uw erewoord?"
"Verlangt ge daarvoor iets in de plaats?"
"Ik geef u de vrijheid, ik zal u inwijden in al mjn geheimen, ik
zal u meenemen op mijn tochten, ik zal u mijn plannen van verdediging
en versterking voorleggen, gij zult overal aan mijn zijde verschijnen.
. . ."
"Op voorwaarde, dat ik hier niets van verrade!"
"Dat vraag ik niet eens! Beloof mij slechts, dat gij niet vluchten
zult."
Robert dacht even na en sprak toen:
"Ik beloof het u."
"Dat is genoeg! Morgen zal ik u vragen, mij dezen brief uwer moeder
voor te lezen; ik heb getracht het schrift te ontcijferen, maar het
viel mij te moeilijk. Laat mij ook haar portret. Tot morgen dus. Gij
zult rust noodig hebben, na de gebeurtenissen van dezen dag, en ik eveneens.
Tot morgen, Robert!"
Hij sloeg op een kleinen zilveren gong, die naast hem hing, en dadelijk
trad een slaaf binnen, die gehurkt de bevelen zijns meesters afwachtte;
hij gebood hem iets in het Javaansch en gaf Robert een wenk hem te volgen.
Weinige oogenblikken later trad de jonge man in een ruim vertrek, rijk
van divans voorzien, bedekt met kostbare Oostersche kleeden; de andere
meubels waren alle van het fijnste snijwerk, een zachte geur van bloemen
en reukwerk doortrok de kamer, op een standaard brandde een lamp, de
deur stond half open en gaf blijkbaar toegang tot een tuin, waarin waterwerken
zacht en eentonig murmelden. De slaaf verwijderde zich na een eerbiedigen
groet.
"Is 't een droom, ben ik waarlijk niet meer in mijn hol, maar in
een vorstelijk paleis?" vroeg hij zich af. "Het schijnt een
tooversprookje!"
Weinige minuten later lag hij, op een der divansuitgestrekt, een rustigen
slaap te slapen.