[159:] ZESDE GEDEELTE.
I.
DE RECHTSPRAAK.
De Kraton van Pasoeroean
was een indrukwekkend gebouw. Evenals alle andere kratons bestond zij
uit verscheidene muren, de kern, het vorstelijk verblijf, omvattend;
fraaie tuinen, ruime pleinen, woningen voor de prinsen, rijksgrooten
en hofbeambten bevonden zich tusschen deze muren Soerapati had er vele
veranderingen in laten riiaken, hoewel hij den kraton niet gebouwd had.
Vroeger zetelde er Ngabi Ongo Djoyo in, regent van Pasoeroean; deze
vorst was echter door hem verdreven geworden en dus had hij zich met
diens woning moeten vergenoegen. Ware de keus aan hem geweest, hij had
voorzeker aan een andere inrichting verre de voorkeur gegeven; in zijn
eigen vertrekken alleen volgde hij nu zijn eigen smaak en liefhebberijen.
Europeesche meubels, waarvan de modellen uit Soerabaya ontboden waren,
vulden deze ruimte; een breede divan nam een der zijmuren in, daartegenover
stond een schrijftafel met hoogen gebeeldhouwden stoel er vóór;
eenige boeken, die hij met veel moeite bijeenverzameld had, lagen op
de tafel, naast schrijfgereedschap en papier; eenige schilderijen hingen
aan de muren, waarde hadden zij niet anders dan die van de verf, welke
er kwistig over geworpen was.
Fraaier was de verzameling wapens, die de wanden
[160:]
van boven tot beneden
bedekte, naast jachttropheeën, uit zijn tochten in het Zuidergebergte
medegebracht. Vellen van koningstijgers bedekten den grond.
Niemand echter ontving hij in dit vertrek, zijn heiligdom, of het moesten
zijn trouwste vrienden, de oud-Rijksbestuurder, Kiai Hemboong, Wirajoeda
en nog enkele anderen zijn.
Hij sprak met zijn mantri's, regenten en andere rijksgrooten, met de
gezanten van naburige vorsten of zijn onderdanen, die hem iets te verzoeken
hadden, steeds in de aangrenzende pendoppo. [Open vertrek.]
Daar troonde hij, geheel op de wijze der Javaansche vorsten, op een
verhevenheid, met kostbare tapijten bedekt en door draperieën omgeven;
niemand mocht hem nabij zitten, dan op een afstand van zes voet. Zijn
rijkssieraden werden, wanneer hij plechtig audiëntie gaf, of zich
in staatsie aan het volk vertoonde, door knapen, in plaats van door
vrouwen gedragen; hij verachtte al den verwijfden omhaal der Javaansche
etiquette en vergat nooit; dat hij een soldatenvorst was. Op zijn reizen
liet hij zich slechts door zijn krijgslieden omringen en wanneer hij
zelfs op gewone dagen in zijn pendoppo verscheen, hetzij om gehoor te
verleenen, hetzij om recht te spreken, dan schaarde zich een sterke
wacht van soldaten, met hun pieken in de hand, aan weerszijden van de
pendoppo, of achter zijn zetel.
Daar hij geen harem bezat, behoefde hij ook al de overdreven voorzorgen
niet te gebruiken, waarmede de Soesoehoenan den toegang van zijn hof
tegen elk mannelijk persoon versperde, en omdat hij zelf den Mahomedaanschen
godsdienst niet beleed, had hij den Pangoeloe geen stem te geven in
zijn raad en liet de omslachtige plechtigheden van den Islam achterwege.
Deze twee eigenaardigheden maakten zijn hof zoo
[161:]
verschillend van
die der andere Javaansche vorsten; overigens trachtte hij zooveel mogelijk
nog den schijn van macht en glans te behouden, die bij de Javanen onafscheidelijk
is van de opperheerschappij; daarom mocht ook niemand hem ooit anders
dan kruipend naderen. Een verandering hierin zou aan zijn prestige schade
doen.'
Heden viel er bijzonder veel te doen; zijn afwezigheid had slechts enkele
weken geduurd en toch vond hij thans vele zaken, die zich in zijn afzijn
opeengehoopt of verward hadden. De zaak van den Tenger moest onderzocht
worden, daarenboven waren er gezanten gekomen van Soenan Mas, uit Kediri
en van den regent van Soerabaya, die onmiddellijk gehoor verlangden.
Radhen Wiro Negoro gaf bevel de boden van den afgezetten Keizer te doen
voorkomen; deze, twee in getal, verschenen onmiddellijk. en kropen naar
den troon, waarop de vorst hen afwachtte, omringd door zijn beide jongere
zoons, door zijn schoonzoon Matjanegara, den erfprins van Balembangan,
en zijn mantri's; deze waren allen op lage banken gezet.
"Wat is het verlangen van uw heer, den edelen Pangeran Adipati?"
vroeg de vorst.
"Heer, onze meester zond ons in allerijl naar u heen; zijn hart
is in groote bekommernis, want hij weet niet welk besluit te nemen en
daarom roept hij uw raad in. De Hollanders zonden hem een tweetal verkleede
boden, Chineezen naar het schijnt, die in een heimelijk onderhoud hem
voorsloegen zich met de Compagnie te verzoenen en zijn oom, den Pangeran
Poeger, als wettig Keizer te erkennen."
"En heeft de Pangeran Adipati naar hun voorslagen geluisterd?"
"Hij veinsde te luisteren; Heer, en vroeg uitstel om ernstig na
te denken; in dien tusschentijd zond hij ons, om uw meening te vragen
aangaande het verleidelijk aanbod."
[162:]
"Hoe luidde
dit aanbod?"
"De Compagnie beloofde hem genade en vergiffenis, alle eerbetuigingen
die een Javaansch prins toekwamen, het gezag over eenige landstreken,
vrijheid voor hem, zijn vrouwen en kinderen."
"En meent uw prins wellicht, dat het hem beter zal gaan onder de
bescherming der Hollanders dan onder de mijne? Zoo hij hiervan overtuigd
is, hij trekke naar Batavia of Soerabaya en onderwerpe zich aan de Compagnie.
Hij zal mij dan verlossen van de verplichting, zijn rechten staande
te houden tegenover Pakoe Boewana; ik zal met hem vrede kunnen sluiten
of oorlog voeren naar mijn believen. Zeg uw meester, dat hij de kraton
van Kediri onmiddellijk ontruime om zich aan de voeten der Hollanders
te werpen."
"Heer, uw geest loopt te snel onze woorden vooruit! Onze Gebieder
heeft slechts toegeluisterd en meer niet. Hij wacht met te antwoorden
tot hij uw gevoelens heeft vernomen."
"Ik heb ze uitgesproken. Mij is er niets aan gelegen den Parigeran
Adipati in mijn rijk te houden.Hij blijve of vertrekke naar zijn goedvinden.
Wanneer hij meent, mij tot zijn wil te kunnen dwingen door het aanbod
van mijne vijanden aan te nemen, zoo vergist hij zich deerlijk. Om zijnentwil
vreesde ik niet, mij de vijandschap op den hals te halen der Hollanders;
alleen om hem te gerieven, bood ik hem een schuilplaats aan, waar het
hem aan niets ontbreekt, en nog is hij niet tevreden. Hij wenscht, dat
ik hem keizerlijke eer bewijs, hem, den vluchteling, dien ik uit genade
heb opgenomen in mijn land. Hij acht het een onrechtvaardigheid, dat
ik hem geldelijken steun gevraagd heb, wanneer ik voor zijn zaak de
wapens opneem, liever wil hij overloopen naar zijn vijanden, die door
zijn schuld ook de mijne zijn geworden: Wat belet mij aan Goesti Katawangan
bevel te geven, hem over te
[163:]
leveren aan Pakoe
Boewana, zijn dierbaren oom? Deze zal hem nog hartelijker ontvangen
dan de Hollanders, ik ben er zeker van."
De gezanten bogen het hoofd ter aarde en smeekten:
"Genade, Heer, genade! Dat was de bedoeling niet van onzen Heer.
Hij vroeg slechts uw meening."
"Die kent hij, zonder er ook naar te vragen. Het is tijdverlies,
het boek, dat men reeds verscheidene malen gelezen heeft, nogmaals te
openen. Acht hij zichzelf Keizer of niet?"
"Ongetwijfeld, Heer, hij is de wettige opvolger der Soesoehoenans
van Mataram!"
"Welnu, dan kan hij in eeuwigheid ook niet het recht van zijn oom
erkennen; twee keizers kunnen niet tegelijk bestaan. Wil hij zich verzoenen
met de Compagnie, het staat hem vrij, maar hij verzoene zich dan ook
als Keizer, hij onderhandele met geen Chineesche boden, maar met den
qrooten Heer van Batavia zélf; zoo deze hem als Keizer erkent,
dan vervalt vanzelf zijn onderwerping aan Pakoe Boewana. Dit is mijn
antwoord. Vertrekt in allerijl en brengt mijn woorden letterlijk aan
uw meester over."
En hij wenkte, dat de boden uitgeleid zouden worden.
Thans was het de beurt van de gezanten, die Depati Soerabaya naar hem
afvaardigde; deze verschenen eveneens al kruipend aan het eind van de
pendoppo.
"Hoe maakt het mijn goede broeder, de Depati?" vroeg Radhen
Wiro Negoro nu veel vriendelijker dan straks, "welke boodschap
brengt ge mij van hem?"
"De gezondheid van onzen meester laat niets te wenschen over, Edele
Vorst! Hij beval ons met eigen oogen ons te vergewissen van den toestand
van zijn broeder, den machtigen Radhen Wiro Negoro."
"Zeg uw meester, dat de toestand van mijn lichaam uitstekend is,
maar mijn geest wordt gedrukt door vele zorgen."
[164:]
"Helaas! Heer,
dezelfde klacht ontsnapt ook den lippen van mijn meester; de tijden
zijn donker en bang. Het is moeilijk den weg te vinden in de duiisternis."
"De weg kan lang en moeilijk zijn, dit ontken ik niet, maar wanneer
men het doel vast en zeker in 't oog houdt, dan is er weinig kans tot
verdwalen. Dit zal ook mijn broeder van Soerabaya ervaren."
"Maar juist het doel, Heer, is vaak moeilijk te onderscheiden."
"Daarom verdwalen er zoo velen; maar de meesten gaan blindelings
voort, zij tasten en zoeken, totdat zij in den afgrond storten."
"Wanneer zij ten minste het geluk niet hebben een veiligen leidsman
te vinden, en juist deze ontbreekt mijn meester, daarom zoIid hij mij
naar Uw Hoogheid."
"Zoo hij verlangt, dat ik zijn leidsman zij, dan zal ik hem klaar
en duidelijk den weg doen kennen, dien hij gaan moet."
"Maar hij mag den rechten, open weg niet volgen, Heer; zijpaden
moet hij inslaan, wil hij niet geheel verderven."
"Ik haat zijpaden en kronkelwegen, de rechte weg is mij. altijd
de kortste gebleken naar het doel. Uw meester heeft de vriendschap der
Hollanders aangenomen, dat weet ik. Zal hij nu ook met hen tegen mij
oprukken?"
"Niets zou hem meer leed doen, Heer, maar hij kan niet anders doen
schijnbaar. Zijn schoonvader, de oude Pànombahan van Madura is
uw felste vijand, en zoo mijn meester openlijk uwe zijde kiest, dan
is zijn lot beslist, de Hollander en de Madurees zullen hem verdrijven,
hij is geheel aan hen overgeleverd. In het geheim hoopt hij uw zaak
beter te dienen dan hij het openlijk zou kunnen."
"En op welke wijze dan?"
"Hij zal den veldtocht met zijn troepen mede
[165:]
maken, maar zijn
soldaten zullen niet medevechten, integendeel, op beslissende oogenblikken
zal hun hulp den Hollanders falen, nog meer, hij zal hun vertrouwen
winnen en hen voeren op dwaalwegen; gij zult alles te weten komen, wat
er in hun kamp omgaat."
"Uw meester is listig en sluw, zijn diensten zullen mij veel waard
zijn; welke belooning verlangt hij daarvoor?"
"Bescherming voor zijn grenslanden in de eerste plaats en verder,
wat Uw Hoogheid in zijn hart rechtvaardig en billijk acht tot loon van
zulke goede hulp."
"'t Is goed, het vertrouwen van den Depati zal niet beschaamd worden;
ik zal u geschenken medegeven ten bewijze van het verbond, dat door
ons gesloten is. Maar begrijp me goed en laat ook uw meester het begrijpen!
Bij de eerste teekenen, dat hij zijn beloften schendt, geef ik mijn
krijgsvolk bevel het grondgebied van Soerabaya binnen te dringen, de
akkers te vernielen, dessa's te plunderen, de kampongs te verbranden,
de bewoners als slaven weg te voeren. Onthoud dit wel, ik ben een trouwe
vriend, maar ook een gevaarlijke vijand. Wanneer ik mijn woord geef,
dan, bij mijn kris, zal ik het houden."
De gezanten bogen zich ter aarde bij 't hooren der krachtige, dreigende
stem en beloofden alles, wat hij wenschte.
"Het zij dan zoo, ik noodig u uit op een feest, dat ik morgen in
mijn kraton geef, een gevecht tusschen tijger en buffel; hedenavond
verwacht ik u echter aan mijn disch."
En met een beweging, vol trotsche genadigheid, gaf hij hun bevel zich
te verwijderen.
"Breng nu de. gevangenen uit het Tengergebergte vóór;"
gebood de vorst.
De cipiers voerden de ongelukkigen in 's vorsten
[166:]
tegenwoordighei;
zij waren aan elkander gebonden en zwaar geboeid; bij den ingang dwong
de gevangenbewaarder hen naar den troon te kruipen. De Ten-gereezen
gehoorzaamden bevend en kusten den grond.
Robert echter weigerde beslist; hij sloeg de geboeide armen over de
borst, zoodat de ijzeren ketens luid rinkelden, en sprak:
"Ik ben geen Heiden of Muzelman, maar een Christen en Christenen
knielen slechts voor God."
De gevangenbewaarder hief zijn stok op, om, hem door slagen tot knielen
te dwingen, maar Robert bleef tegenstreven, hij wierp het hoofd fier
achterover en riep uit:
"Ge kunt mij doodslaan, maar kruipend maak ik dien weg niet; ik
ben een mensch en geen viervoetig dier. De menschen zijn geschapen om
rechtop door de wereld te gaan, de redelooze dieren om het aangezicht
naar den grond te keeren!"
Radhen Wiro Negoto zag het verzet van den vreemdeling en glimlachte
stil voor zich.
"Dwing dien man niet," beval hij luid, "hij kome voor
mijn rechterstoel, zooals hij verkiest!"
Met lossen gang en hoog opgericht hoofd schreed Robert voort, door twee
cipiers gevolgd, terwijl de andere beschuldigden langzaam achter hem
voortkropen en hij hen dus een eind vóór raakte.
Bij den troon gekomen, boog hij zich diep. Soerapati zag hem lang zwijgend
en onderzoekend aan, toen wenkte hij, de andere gevangenen niet voort
te laten gaan.
"Hoe is uw naam?'" vroeg de vorst eindelijk.
Robert noemde den naam, dien hij aangenomen had.
"Sidin"
"Zooeven hebt ge verklaard Christen te zijn, hoe rijmt dat met
uw Javaanschen naam?"
"Ik ben een kleurling, en onder hen zijn er velen, die den godsdienst
van een hunner ouders volgen."
"Wat komt gij in mijn landen doen?"
[167:]
"Mijn fortuin
maken."
"Men heeft mij de kleinoodiën gebracht, die met de wapenen
bij u gevonden zijn. Was het uw eenig doel ze hier te verkoopen?"
"Welk ander doel zou ik hebben?"
"Misschien zijt gij een spion!'
Robert schrikte hevig, want deze woorden werden in zuiver Hollandsch
gezegd; vreemd, wonderbaar schier, klonk hem, zijn moedertaal, uit den
mond van den Balineeschen vorst, in deze geheel Javaansche omgeving.
"Ik ben verloren," dacht hij, "en niet alleen ik, aan
wien weinig gelegen is, maar mijn zending is mislukt."
"Het is aan u dat te bewijzen," gaf hij ten antwoord, eveneens
in het Hollandsch, "ik heb u gezegd, wat mijn doel was, en er is
voor u geen reden mij van onwaarheid te verdenken. Zoo ik niet door
een toeval in het Tengergebergte verdwaald en opgehouden was, zou ik
ongehinderd in Banjoe Biroe zijn gekomen, om mijn waren aan uw prinsessente
koop te bieden."
De vorst luisterde aandachtig en bleef een oogenblik, nadat Robert reeds
zweeg, in diep nadenken verzonken. Eindelijk begon hij:
"Uw Hollandsch is niet dat van een kleurling. Waar zijt gij geboren?"
"Op Batavia."
"En wie uwer ouders was Hollander?"
"Mijn moeder."
"Dat is niet alledaagsch. Zijt gij in Europa geweest?"
"Ja," antwoordde Robert kortaf; hij gevoelde, dat die man,
met zijn adelaarsblik weldra geheel zou doordringen in al zijn geheimen
en dat hij dus met verdubbelde waakzaamheid zichzef moest verdedigen,
doch leugens waren wapenen, die hij liefst niet gebruikte, dan in uitersten
nood.
[168:]
"En wilt gij
al' een, marskramer hier rondgaan, om uw waren te verkoopen? Waarlijk,
in Europa hadt gij iets beters kunnen leeren."
"Is het dan niet een benijdenswaardig beroep, de schoonheid van
vorstinnen te verhoogen, door haar sieraden te verkoopen?"
De vorst glimlachte.
"Voor een koopman hanteert gij bijzonder goed de wapenen. Zijt
ge misschien in krijgsdienst geweest?"
"Ook daarin heb ik mijn geluk beproefd!"
"Mij dunkt, een jonge, krachtige man als gij zou betere diensten
als krijgsman kunnen bewijzen aan uw land, dan als marskramer."
"Men kiest zelf zijn ambacht niet."
"Waar zijt ge geland?"
"In Pasaroean, met een visschersschuit."
"Van waar kwaamt ge toen?"
"Van Soerabaya!"
"Hebt ge ook beproefd aan de gemalinnen van den Depati, of aan
de talrijke prinsessen van den Panombahan van Madura uwe sieraden te
verkoopen?"
"Neen!"
"Dat vind ik ten hoogste raadselachtig; de hoven van Madura en
Soerabaya zijn tuinen, tot overladens toe van bloemen voorzien; mijn
hof echter bezit slechts eenige schaarsche sierplanten. Wist ge dat
niet?"
"Juist daarom wilde ik aan uw vorstinnen mijn kleinoodiën
brengen; bloemen, die eenzaam staan, zijn gewoonlijk schooner in kleur
en frisscher in geur, dan die, welke elkander in bonte verscheidenheid
verstikken. Kostbare planten bewaart men in bloempotten, maar gemeene
bloemen groeien in het wild."
"Uw antwoorden vallen snel en vaardig ,als de pijlen van een geoefenden
boogschutter; ik heb behagen in uw taal, o, jonge man, al begrijp ik,
dat
[169:]
gij mijn vijand
zijt, die hier binnengeslopen zijt om de geheimen van mijn: rijk aan
de Hollanders te verraden. Uw kleur maakte u ten hoogste geschikt voor
deze tak."
"Ik ben de beschuldigde, gij zijt mijn rechter! Het is aan u deze
beschuldigingen waar te maken."
"Welnu, toen men u alles afnam, wat gij bij u droegt, heeft men
nog een pakje gevonden, dat gij met de kracht der wanhoop verdedigdet;
gij hebt het niet willen afstaan en toen men geweld gebruikte, deedt
ge een beroep op mij. Aan mij alleen wildet gij het overgeven!"
"Ja, dat heb ik gedaan! En zoo gij het verlangt, zàl ik
't u toevertrouwen, maar dit'zweer ik u bij alles Wat mij heilig is,
zij bevatten niets wat op verraad of spionneering betrekking heeft.
Het zijn stukken, die mij persoonlijk toebehooren en niemand anders
eenig belang kunnen inboezemen, maar mij zijn ze kostbaarder dan mijn
leven. Ik heb ze kunnen behouden onder al mijn omzwervingen, Wilt gij
ze bewaren, dan zal ik ze u geven. Onder één voorwaarde
echter! Zoo gij mij de vrijheid terugschenkt, dan smeek ik u ze mij
weder te hand te stellen, en zoo gij mij veroordeelt tot den dood, laat
ze mij dan behouden tot het laatste en met mij in het graf leggen. Waarde
bezitten zij niet, ik herhaal 't u nogmaals."
Hij nam een koord van zijn hals, waaraan een zakje van zwarte zijde
hing, en reikte beide aan Radhen Wiro Negoro over. Deze nam ze aan en
legde ze op zijn knie neder, er zijn linkerhand op drukkend.."
"Ik beloof 't u! Zoo ge waarheid gesproken hebt, zal ik handelen
volgens uw verlangen," zeide hij ernstig en beslist. "Maar
nu gaan wij over tot de behandeling der Tengersche gebeurtenissen. Wij
zullen ons thans weer van het Javaansch bedienen. Cipier, breng de andere
gevangenen voor."
[170:]
Het onderzoek begon;
en spoedig begreep de vorst, dat men op deze wijze weinig vorderde.
De Tengereezen wisten van den eigenlijken roof, op Siwangi gewaagd,
niets dan van hooren zeggen, maar den nachtelijken aanval hadden zij
allen bijgewoond.
Robert verhaalde eenvoudig en naar waarheid, dat hij dien morgen, dwalend
over den bergrug, menschen had hooren aankomen, en om zijn kostbaarheden
niet in gevaar te brengen, verschool hij zich in het struikgewas aan
de helling.
Druk gepraat, levendige smeekingen, eindelijk vrouwelijk angstgeroep
troffen zijn oor; op handen en voeten kroop hij naar den bergrand en
zag een jong meisje zich wanhopend verdedigen tegen een twintigtal mannen.
Zonder te bedenken, welke gevolgen zijn handelwijze na zich kon slepen,
schoot hij zijn pistolen af en het gelukte hem de aanvallers op de vlucht
te jagen.
"Ik wist niet, dat de vrouwenroover een prins was," verklaarde
Robert, "ik zag in hem niets anders dan een boosdoener. Had ik
het geweten, ik zou toch niet anders hebben gehandeld. Het is de plicht
van eIken man, bedreigde vrouwen ter hulp te komen."
"Gij kent goed uw plicht, naar 't schijnt!" sprak de vorst
nu weer in 't Hollandsch. "Wie leerde u dat?""
'"Een vrouw, wier lessen ik, helaas! maar al te dikwijls heb verwaarloosd."
"Uw moeder?"
"Ik heb mijn moeder niet gekend."
"Uw vrouw?"
"Ik heb geen vrouw."
"Een zuster?"
"Evenmin."
"Een geliefde?"
"Neen, een vriendin."
[171:]
"Die kennen
wij hier niet," zeide de vorst, die er zichtbaar behagen in vond
Hollandsch te spreken en aan te hooren.
Hierop werd de tweede aanval behandeld en nu moest ook Mas Lembono voorkomen
om getuigenis af te leggen over de gebeurtenissen van den nacht. Zijn
getuigenis was verward; hij gaf het met een verward gelaat en hortende
stem; het. was moeilijk hem tot spreken te dwingen.
Telkens en telkens vlamden Soerapati's oogen; hij bedwong blijkbaar
zijn toorn en wierp zijn zoon blikken toe, waaronder de prins ineenkromp.
"'t Is goed," sprak hij eindelijk opstaande. "Het verhoor
is voor vandaag geëindigd; weldra zal ik rechtspreken. Brengt de
gevangenen naar den kerker terug!"
De vorst verwijderde zich, terwijl alle bekkens en gongen in beweging
werden gebracht om hem een afscheidsgroet te brengen. Hij keerde naar
zijn bijzonder vertrek terug, waarvan de ingang door bonte gordijnen
van de overige ruimte afgesloten was.
Driftig schreed hij op en neer, door verontwaardiging tegen zijn zonen
vervuld.
"De lafaards," mompelde hij, "dat kunnen zij, vrouwen
rooven, godsdienstige gebruiken tot masker verlagen van hun onheilige
doeleinden. Liegen, bedriegen, 't is de vloek van ons ras en die knapen
moeten vorsten worden, in staat om den beschaafden Hollanders het hoofd
te bieden. Hoe klein, hoe nietig stond mijn prins tegenover dien anderen
man, in wiens aderen enkele druppelen Europeesch bloed stroomen. Hij
weet wat hij wil; hij kan zwijgen. Hij zal zijn volk niet verraden,
zelfs niet ten koste van zijn leven; hij weet wat plicht, wat eer gebieden.
Voor mijn zonen zijn dit woorden zonder beteekenis, ijdele klanken;
ik hoorde hem graag, dien jongen, liever dan den laffen Lembono."
Daar herinnerde hij zich eensklaps dat hij het
[172:]
zwart zijden zakje
van den gevangene nog in de hand hield; hij zette zich aan zijn tafel
neder en weifelde een oogenblik.
"Ik zal het toch openen; ik wil weten, of hij een leugenaar is,"
mompelde hij en zijn kris nemend sneed hij het open.
Er vielen eenige papieren uit, een halve zilveren penning, een portret,
enkele verdroogde bloemen, een blauw lint, herinneringen aan zijn moeder
en aan Digna.
"Liefdesgeschiedenissen, meer niet," sprak Soerapati glimlachend,
"geen stukken, die zijn zending verraden. Hij heeft niet gelogen."
Plotseling verbleekte hij en sprong op, dan nam hij het portret op,
dan den penning, liet ze vallen en opende snel een schildpadden kistje,
dat op de tafel stond; zijn bevende vingers zochten daarin een zilveren
schijf op, hij paste deze aan den halven penning. Hij werd één
geheel; als verpletterd zonk hij op zijn zetel terug, het portret in
zijn eene hand geklemd, den penning in de andere.
"Is 't mogelijk, groote Goden," stamelde hij...; "haar
- mijn zoon."