II.
IN DEN KRATON VAN KEDIRI.
In een sierlijke
veranda van den Kedirischen kraton, vriendelijk met klimop rond de bevallige
bogen omrankt, lag de verbannen keizer op een rustbed in diep gepeins
verzonken.
Vóór hem stond een blad, ruim met ververschingen voorzien;
hij gebruikte niets dan vap tijd tot tijd een teug Hollandschen brandewijn
uit een gouden beker, dien hij gretig aan de lippen bracht.
Op eenigen afstand hurkten zijn dienaren op den grond, een eerbiedig
stilzwijgen bewarend; een sombere stemming scheen onder hen te heerschen,
allen zagen op naar het mismoedige, treurende gelaat huns meesters;
niemand waagde echter een opmerking.
Daar trad tusschen de groene bosschages, die rondom het hooge huis bevallig
een krans vormden, een
[89:]
man nader, die
onder de veranda zich op den grond wierp en al kruipend den gebieder
naderde.
"Mijn Heer en Meester!" sprak hij, "Anoem's misvormden
voet kussend. "Herkent mijn meester den ouden dienaar zijns vaders
niet?"
De keizer, door dit hier nog niet ondervonden ceremonieel aangenaam
getroffen, wierp zijn matte loensche oogen op den nieuwaangekomene,
een zwakken grijsaard in javaansch hofkostuum, verzamelde zijn herinneringen
en riep plotseling uit:
"Amirang Kousoumo! Hoe, leeft ge nog?"
"De dienaar leeft, om zijn meester zijn diensten aan te bieden."
"En ik zal ze noodig hebben, oude vriend! Want ach, ik ben zoo
verlaten, zoo diep gezonken."
En hetzelfde wezen, dat dien morgen nog vol opgeblazenheid en eigenwaan
zich op zijn macht had beroemd, barstte nu in een onmannelijk, bitter
geschrei los; bij wierp zijn hoofd op de kussens, jammerde en steunde
als ware hij een zieke vrouw en geen keizerszoon geweest. '
"Heer!" sprak Amirang Kousoumo, die neergehurkt aan den voet
der rustbank zat, "er is geen reden tot tranen en zuchten. 't Is
waar, Karta Soera is in de macht van den Pangeran Poeger gevallen, maar
een machtige hulp en steun zijn mijn meester verzekerd, om troon en
hofstad terug te winnen."
"Hulp van een slaaf! De zoon van Hamangkoerat hangt af van een
ellendigen Balinees, die zich vermeet hem keizerlijke eer te weigeren."
"Stil, o vorst, stil! Vergeet niet, dat gij in zijn rijk zijt,
dat alles zich hier voor hem buigt en hij er oppermachtig heerscht."
"Oppermachtig zegt gij!" klaagde de keizer; "hebt gij
vergeten, hoe juist wij hem hieven op het voetstuk vanwaar hij zijn
hooge vlucht begon? Weet gij nog, hoe de struikroover in den kraton
mijns vaders verscheen, met geen anderen uitweg dan zich voor
[90:]
ons te vernederen,
dood of vrijheid afwachtend van onze genade, of terug te keeren naar
de wildernis?
Gij hebt hem uw dochter geschonken en. . . ."
"En daardoor wapende ik de hand, die den zoon mijns meesters verdedigen
moet tegen de Hollanders."
"Hun vijandschap haalde ik mij als noodlottig erfdeel mijns vaders
op den hals en meer niet. Waarom stiet ik hun hulp af, waarom verkoos
ik liever die van den slaaf? De Hollanders zouden mij ten minste als
keizer erkennen! De Balinees begroet mij als een gevluchte avonturier,
niets meer!"
De schijn zijner verloren waardigheid was het eenige, wat Soenan Mas
betreurde; van zijn macht bespeurde hij steeds zoo weinig, daar hij
die geheel met zijn eigen persoon veréénzelvigde, dat
hij het verlies daarvan nauwelijks bespeurde.
"Alles werpt zich voor hem ter aarde, alles bewijst hem keizerlijke
eer, en mij eert men, als zijn gast, om niets anders. Ieder vergeet,
dat ik keizer van Java ben, dat ik Mataram's rijkssieraden met mij draag;
hij geeft mij niet eens de eer, die de Sultan van Tjeribon en Bantam
zich gelukkig achten mij te bewijzen, als aan hun leenheer. Hij gedraagt
zich als onafhankelijk vorst en, door wiens recht is hij 't?"
"Door zijn zwaard, het meest onbetwistbare recht. Maar vergun uw
dienaar, Heer, zijn verwondering uit te drukken over uw ergernis en
mismoed; sedert jaren wist Uwe Hoogheid toch, dat Soerapati hier opperheerschappij
voerde."
"Ja, dat wist ik en verheugde er mij over, maar ik meende, dat
hij erkende, die heerschappij te hebben ontvangen uit mijn hand."
Alweder was het slechts de schijn, dien hij miste; door eenige ceremoniën
had de gastheer den vluchteling tot den gelukkigste der stervelingen
kunnen maken; zonder moeite had Soerapati kunnen veinzen,
[91:]
dat hij zijn wettigen
meester binnen diens eigen erf ontving, in plaats dat hij hem een weldaad
voelbaar bewees.
"Wat deert u zijn macht, o keizer!" ging de oudRijksbestuurder
voort, "als hij u de verloren eer slechts teruggeeft?"
"Ik heb ze toch reeds half verloren, nu hij ze bezit."
"In naam van den Profeet, laat Radhen Wiro Negoro het niet vermoeden,
dat gij met leede oogen zijn macht aanschouwt. Bedenk, dat gij en de
uwen geheel aan zijn genade overgeleverd zijt. Mijn keizer bevindt zich
hier in den kraton van een Regent, die een van Soerapati's trouwste
vrienden en wapenmakkers is. Zijn soldaten, de geoefendste van geheel
Java, vormen uw eerewacht, een eerewacht, die echter slechts een woord
van hem behoeft; om u en uw gevolg tot cipiers te strekken."
In machtelooze woede wierp de schijn-keizer zich achterover, wentelde
zich luid jammerend in de kussens en wrong al kermend de handen:
"Wat deed ik dan, ongelukkige? waarom begaf ik mij in het hol des
tijgers, ik argeloos hert. . . . ."
De vergelijking riep op de dunne lippen van Kousourno een flauwen glimlach
te voorschijn.
"Wat zal mij hier wachten? Vernedering, niets meer! O, waarom ontvluchtte
ik den Hollanders? Zoo ik mij intijds aanhen overgegeven had, zij zouden
mij keizerlijke eer niet onthouden hebben."
"Gelijk uw vader, die aan Troeno Djojo schonk," sprak de oude
man met een spotlach.
"Hoè, gij zelf belacht mij! 't Is niet goed, Kousoumo, den
gevallen waringinstam te bespotten; vergeet niet, ik ben uw keizer,
wat er ook gebeurd moge zijn. Gij blijft mijn onderdaan!"
Een snelle blik, dien de oud-Rijksbestuurder op den paardenvoet zijns
meesters wierp, ontging dezen niet; als instinctmatig trok hij de sarong
over het misvormde lichaamsdeel.
[92:]
"Of erkent
gij Soerapati ook voor uw meester?" ging de vorst met pijnlijken
drang voort.
"Uw dienaar leeft in zijn koninkrijk, hij geniet zijn gunsten,
waarom zou hij hem niet als zijn gebieder erkennen?"
"Maar hoever strekt zijn rijk, of wat hij zijn rijk noemt, zich
uit? Zeg het mij, opdat ik de macht kenne van hem, in wiens handen ik
mij overleverde."
"Zijn rijk raakt den voet der Willisbergen en ontmoet de zee, die
Java van Bali scheidt, de Ardjoeno en de Smeroe heffen te midden van
zijn grond hun kruinen op naar de wolken; tot aan de grens van het Soerabaiasche
landschap bezit hij onderdanen; in het gebied van de Ratoe Kidoel [Fabelachtige
koningin der Zuidzee, die bijna over de geheele Zuidkust van Java vereerd
wordt.] voert hij met haar den scepter. Niets weerstaat de kracht zijner
wapens. De oude koning van Balembangan gaf zijn kinderen aan de zijne
ten huwelijk en diens zoon erkent hem als leenheer. Geen soldaten van
bruinen bloede zijn opgewassen tegen zijn welgeoefende legers. De Hollanders
alleen zijn waardig hem te weerstaan. Hij is dapper en streng, maar
strikt rechtvaardig; zijn krijgers vreezen den blik zijner oogen, maar
in hun harten hebben zij hem innig lief; zij weten, dat alles wat hij
onderneemt hem gelukt, dat hij onkwetsbaar schijnt in den strijd, dat
zijn wil een wet is, maar ook, dat hij slechts wil, wat goed en verstandig
heet. Zij vertrouwen hem, en het geheele volk bouwt op zijn vorst, als
op een steenen rots; zij gehoorzamen al zijn bevelen, zij aanbidden
den indruk van zijn voeten, daar zij een hooger wezen in hem zien. Ginds
in het Oosten, aan den voet van den Bromo, vereeren zij hem als den
afgezant van Batoro Goeroe, den leermeester der volken, als een nieuwe
verschijning in menschengedaante van Shiwa hun oppergod, wiens heiligdom
[93:]
men hij herstelde,
wiens eeredienst hij deed leven."
"Hoe, hij veracht Allah en zijn Profeet?"
"Hij aanbidt het Opperwezen en laat ieder vrij Hem een naam te
schenken naar de overtuiging zijner ziel; achter zijn dalem heeft hij
een tjandi ter eere van den oppergod der Hindoes gebouwd, mij echter
en allen, die Mahomed als den grooten Profeet Allah's vereeren, laat
hij vrij missigits bouwen. Wien hij zelf vereert in het diepst van zijn
hart, welke God hem deze overwinningen deed behalen en die hem bekleedde
met zulk een macht, als nooit op Java werd gezien, dit is een geheim,
dat zelfs zijn gemalin, mijn dochter, niet doorgronden kan."
"Maar mijn vader was toch machtiger dan hij?"
"Uw vader, mijn oude meester, ontving de kroon terug uit de handen
der Hollanders, die ze aan Troeno Djojo hadden ontnomen; uw vader was
een koning, die heerschte over een volk van slaven, hij echter, de slaaf,
bestuurt een rijk van vrije mannen."
"En hoe komt hij aan die macht? Waarom buigen allen zich vrijwillig
voor hem, die kort te voren nog minder was dan niets, een vluchteling,
een vogelvrije?"
"Eenigen zeggen, omdat hij een tooverspreuk kent, die het aantal
zijner manschappen in het oog des vijands vertiendubbeld, anderen, omdat
hij bijgestaan wordt door de machtige Dewah's, die goden, door de dienaren
van den Moslem uit Java verdreven, en door hem weer in eere hersteld;
nog anderen beweren, omdat hij het hart der menschen door rechtvaardigheid
en goedheid naar zich trekt, omdat hij zelf slavernîj en armoede,
doodsangst en schrik van nabij kennend, die aan zijn volk tracht te
besparen. Dat verhalen sommigen; uw dienaar ziet en hoort alles, maar
durft niet beslissen. Een zaak weet hij alleen, Soerapati is machtiger,
o Keizer, dan zelfs
[94:]
uw grootvader,
de gevreesde Tagalwangi het ooit geweest is, vóórdat een
Hollander zijn gebied betrad, want zijn macht zetelt in het hart zijner
onderdanen en niet in vrees voor dood en verminking."
Wezenloos, als hoorde hij een vreemde taal, luisterde Soenan Mas naar
de woorden van den grijsaard; eindelijk vroeg hij op bevenden toon:
"Maar als hij waarlijk zoo machtig is, welk bewijs bezit ik dan,
dat hij mij niet zal dooden?"
"Hij heeft u gastvrijheid verleend, en nimmer nog werd dit recht
door hem geschonden. Vertrouw op hem!"
"Vertrouwen!"
Soenan Mas zag angstig rondom zich naar zijn onbewegelijk zittende hovelingen,
met hun zwakke ledematen en statiekrissen, en weer bekroop hem nieuwe
angst.
"Heeft hij mij in geen hinderlaag gelokt? Zal hij mij niet dooden?.
. ."
"Welk belang heeft hij bij uw dood?" vroeg Kousoumo met bittere
oprechtheid. "Waart gij Pakoe Boewana, de zegepralende vriend der
Hollanders, wellicht zou dan het nut zegepralen over het recht zelfs
der gastvrijheid. Nu echter zal uw tegenwoordigheid hem niet schaden.
Hij zal met u spreken en dan keert hij terug naar zijn dalem in Kotta
Maroeng bij Pasoeroean, u toevertrouwend aan Goesti Wirajoeda, regent
van Kediri."
"En gij dan, Kousoumo, waar woont gij?"
"Hij schonk mij twintig dessahs en een groote oppervlakte lands
rondom Bangil; ik hoop u daar als mijn gast te ontvangen."
"Leeft uw dochter, de schoone Radhen Goesik nog, en is zij gelukkig?"
"Zij is een machtige Ratoe en het geluk hebben wij allen te zoeken
in onze eigen borst. Vinden wij het daar niet, dan is het vergeefs,
dat wij het van elders verwachten. En wees nu opgeruimd, mijn
[95:]
Vorst! Gebruik
de spijzen, die Radhen Wiro Negoro u zoo mild aanbiedt, versterk daarmede
uw vermoeide ledematen, en zie de toekomst met blijde hoop tegemoet!"
"Helaas! wat zal die toekomst mij geven, als ik geen keizer meer
mag zijn? Heb ik daarom zoo gevlamd op den dood mijns vaders, die het
leven maar geen vaarwel wilde zeggen? En nu ben ik verworpen en verstooten,
terwijl de ellendeling Poeger zegepraalt."
"Er staat geschreven in het heilig boek des Profeets:" Wie
zich aan zonde heeft schuldig gemaakt, zal er de zware straf van ondervinden."
En zoo hebt gij, 0 Keizer! u met schuld bedekt door den dood uws vaders
te wenschen. Weiger dan ook de straf niet te dragen van uw zonde."
Soenan Mas wierp hem een giftigen blik toe, doch sprak niets; wellicht
overdacht hij thans reeds, meti welke verfijnde wreedheid hij eenmaal,
zoo onbeperkte macht opnieuw zijn deel werd, elke minder aangename behandeling,
elk beleedigend woord zou terugbetalen.
Daar naderden op het kiezelzand tal van stappen.
Kousoumo stond op en begaf zich naar den ingang der veranda, Soenan
Mas richtte zich van zijn rustbank halverwege op en zag de naderbij
komenden nieuwsgierig aan.
Aan hun hoofd ging Soerapati, met den regent van Kediri, die steeds
zijn trouwste vriend en wapenmakker gebleven was; hem volgden zijn drie
zonen en schoonzoon. Zwakke afbeeldsels waren deze zonen van hun vader;
de gelijkenis der trekken en der houding was opvallend, maar hun ontbrak
de stalen kracht der spieren, de vrije ontwikkeling en oefening der
ledematen door ontbering en bittere noodzakelijkheid verworven. De weelde
en het gemak hadden de vorstenkinderen reeds bij hun eerste intrede
in de wereld opgewacht, nooit hadden hon
[96:]
ger en armoe, verbittering
en wrok, die zoo vaak lichaam en ziel des vaders pijnigden, hun prikkels
aan de jonge prinsen doen voelen; maar nooit ook werden hun zintuigen
en geestelijke vermogens gescherpt door de lessen dier strenge leermeesters.
Een groep edelknapen volgde de vorsten; zij droegen allen de wit-en-roode
uniformen, die Soerapati in zijn leger ingevoerd had en die geheel verschilde
van de verwijfde hofkleeding, aan het Mataramsche hof voorgeschreven;
zij allen spraken en schertsten luide, en het werd Soenan Mas duidelijk,
dat Radhen Wiro Negoro uit zijn onmiddellijke omgeving de slaafsche
onderworpenheid en domme menschenaanbidding der javaansche vorsten gebannen
had.
Een oogenblik weifelde hij, en wist niet, hoe zijn gastheer te ontvangen.
Het liefst ware hij in dezelfde houding gebleven, om hem af te wachten,
een gevoel van ergernis bekroop hem, toen zelfs zijne dienaren zich
voor Soerapati ter aarde wierpen, nadat Kousoumo hen daartoe het voorbeeld
gaf.
Deze gewoonte vermocht de vorst niet af te schaffen, zijn eerste dienaren
en vrienden drongen hem dit eerbewijs zelf op, daar het bestaan zijner
heerschappij voor een groot deel hiervan afhing.
Amirang Kousoumo stond dadelijk op; toen zijn gebieder de galerij betrad,
stak deze hem op Europeesche wijze de hand toe en kwam tusschen hem
en den regent op den Keizer af.
Soenan Mas verhief zich van zijn bank en deed, zoo veel mogelijk zijn
kreupelen gang verbergend, eenige stappen vooruir.
"Blijf zitten, vermoei u niet, Radhen Adipati!" sprak Soerapati
en geleidde hem bij de hand naar de rustbank, waarop hij naast hem plaats
nam; het gelaat des keizers vertrok zich pijnlijk, de toespeling op
zijn lichamelijk gebrek was hem altijd onaangenaam, maar nog smartelijker
trof hem de titel, dien Soerapati hem gaf.
[97:]
"Ik ben gekomen
om met mijn broeder onze zaken te bespreken," hij wenkte den Regent
en Kousoumo nader te komen, terwijl de prinsen en hun gevolg verderop
de galerij inwandelden en zich met de Mataramsche edelen onderhielden.
De beide hofgrooten hurkten op de mat neer voor de voeten der beide
vorsten.
"Van avond keer ik naar Bangil terug," sprak Radhen Wiro Negoro.
"Mijn drukke bezigheden veroorloofden mij nauwelijks dezen kleinen
tocht, maar ik vond het passend, mijn broeder persoonlijk te begroeten,
daar ik niet vergeten kon, hoe twintig jaar geleden uw keizerlijke vader
mij op voorbede van mijn vriend, den edelen Radhen Amirang Kousoumo,
een schuilplaats in zijn kraton verleende."
"Uw geheugen schijnt nog wondersterk te zijn, Heer!" zeide
Soenan Mas met een gedwongen lachje.
"Ik heb mij nog volstrekt niet te beklagen over de beleedigingen
der jaren," hernam de andere en wierp een blik vol trotsche zelfvoldoening
op zijn krachtige armen en gezonde, forsche gestalte.
"Niets is mij ontgaan uit den veelbewogen tijd, dien ik in Karta-Soera
mocht doorbrengen. Ik weet ook, Prins, dat gij een mijner vertrouwdste
vrienden waart en mij de hulp uws vaders niet misgunde."
"Zonder mijn voorspraak zou u voorzeker niet de gelegenheid zijn
gegeven, u op de Hollanders te wreken, nog minder, om na het bloedbad
in den kraton hen te ontkomen. Veel leed heeft het voorgevallene ons
berokkend; Karta-Soera moest bitter boeten voor hetgeen toen tegen de
machtige blanken misdreven werd en nu nog draag ik de gevolgen van die
daad. Zonder den dood van den gezant Toewan Tak, zou er geen vijandschap
bestaan hebben tusschen den Soesoehoenan en de Hollanders; ik zou in
vollen vrede mijn vader opgevolgd zijn."
"Als gij dien vrede ten minste gewenscht had, Prins!"
[98:]
"Ik begrijp
u niet."
"Gij en uw vader hebt den oorlog verkozen met de vreemdelingen,
omdat gij hun in uw hart bitteren haat toedraagt, maar in het gevaar
hun hulp niet versmaadt, integendeel die knielend inroept. Pakoe Boewana
heeft zich thans ook aan hen verkocht, daar de nood dreigend werd. Is
het gevaar minder dringend, dan zal hij weer elders een reddende hand
zoeken, om hem van den last der dankbaarheid te bevrijden. Zoo deed
uw vader, en zoo meendet gij ook te doen, Prins, maar zij hebben uwe
ter elfder ure aangeboden diensten versmaad. Gij hadt gelijk u intijds
tot een ander te wenden, toen hun bijstand u ontviel."
Verbaasd zag Soenan Mas den spreker aan; hoe kon Radhen Wiro Negoro
van zijn pogingen bij de Hollanders weten? Het geheele weefsel van laaghartigheid
en veinzerij in het ongeluk, bij dwaze aanmatiging in voorspoed, lag
open voor den helderen blik van zijn tegenwoordigen bondgenoot. Maar
een enkele gedachte hield den vluchteling boven alles bezig.
"En wat wilt ge nu voor mij doen?" vroeg hij.
"Hetzelfde wat uw vader eenmaal voor mij deed. Ik zal vijandschap
zoeken met de Hollanders, schijnbaar om uwentwil, eigenlijk om mijn
eigen oogmerken te bereiken."
"Ja, gij wilt u op hen wreken en nooit was een wraak rechtvaardiger,
want schandelijk hebben zij u bejegend!"
Een wolk verduisterde het hooge voorhoofd; de lippen trokken zich voor
een oogenblik pijnlijk samen; het was duidelijk, dat de hand van den
gast een wond opzettelijk had opengerukt, die nooit genezen was, al
werd zij ook door goud en purper bedekt.
"Wat Soerapati, de slaaf en de luitenant der Compagnie, geleden
heeft, dat gedenkt Radhen Wiro Negoro niet meer," antwoordde hij
met trotsche min
[99:]
achting, "mijn
bedoeling is niet mij te wreken, maar mijn plannen ten uitvoer te brengen,
en daarvoor heb ik werktuigen noodig. Een daarvan zijt gij, Adipati
Anoem! Om deze redenen heb ik in persoon u welkom geheeten op mijn gebied.
Ik heb voor mijn volk getoond, dat ik u ontvang als een hoogvereerden
gast. "
"Maar niet als uw Keizer!" riep de andere uit, eindelijk ontwrong
zijn gekrenkt gevoel hem dien smartelijken kreet.
"Neen, dat niet. Hier ben ik meester, ik spreek tot u als uw gelijke
en dat moet ook mijn volk weten."
"Erkent gij zelf dan ook Pangeran Poeger als wettigen Keizer? Hem,
den stroop op der Hollanders?"
Medelijdend haalde Soerapati de schouders op.
"Anderen zouden zich even gelukkig achten, als zij zich op die
wijze tot stroopop konden laten gebruiken. Nog kunt ge terugkeeren,
Prins! De weg ligt open voor u. Wilt ge blijven op den voet, waarop
ik u ontving als mijn gast en beschermeling, of wenscht gij hier Keizer
te zijn? Ik kan geen twee vorsten in mijn rijk dulden, mijn mannen zullen
u uitgeleide doen tot aan de grenzen van Mataram, hoe slecht bepaald
deze ook zijn mogen. De weg ligt voor u open, Prins! Beslis dan!"
"En mijn herstelling op den troon?"
"Ik zal afwachten, wat de Hollanders den nieuwen Keizer laten verrichten.
Vertrouwt gij u aan mij, dan zal ik u tegen hen weten te beschermen,
wilt gij u liever aan uw oom overgeven, keer dan terug langs den weg,
dien gij gekomen zijt."
"Maar mijn herstel op den troon van Mataram!"
"Het zou dwaasheid zijn, te trachten de Hollanders uit Karta-Soera
te verdrijven; het nieuwe tractaat wordt daar gesloten. Zij hebben zich
versterkt, zij zullen zich weten te verdedigen. Een aanvallende oorlog
kan slechts noodlottig voor mij blijken, liever
[100:]
wil ik hen afwachten
in mijn rijk, als de tijd daartoe gekomen is. Mijn tijd is beperkt,
Prins! Beantwoord dus spoedig mijn vraag, verkiest ge onder mijn bescherming
en die van mijn vriend den Regent, hier in dit paleis te leven, zoo
zweer ik u, dat geen Hollander, of geen dienaar der Soesoehoenans een
haar van uw hoofd krenken zal. Verlangt gij echter terug te keeren,
ook dit staat u vrij!"
"Terugkeeren naar mijn oom, dien ik in de ijzeren kooi deed opsluiten,
wiens dochter ik deed sterven, terugkeeren, neen, dat kan ik niet. Ik
blijf, Soerapati, ik blijf!"
"Welnu, mijn broeder, volg mij dan naar den grooteil pendoppoh,
waar het feestmaal, dat ons verbond moet besluiten, ons wacht. Wirajoeda,
gij zweert mij bij uw hoofd voor het leven en de veiligheid van mijn
vriend en bondgenoot, Radhen Adipati Anoem, in te staan!"
De Regent boog zich ter aarde en kuste eerst zijns meesters voeten,
daarna die van den gevallen keizer.
"Zoo ik in mijn plicht te kort schiet, dan straffe mij Batoro Shiwa,
de alvernieler!" sprak hij plechtig, want nog steeds vereerde deze
Balinees den God zijner vaderen