[77:] VIJFDE GEDEELTE.
I.
DE VLUCHTENDE KEIZER.
Op den groot en
weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram
met Kediri verbindt, reed op een vroegen ochtend van de maand September
een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, met blijkbare
haast.
Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die
in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden
op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen
op hun gelaatstrekken uitgedrukt, of verrieden zich in hun loomen, tragen
gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der
moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend
den stoet.
Hij, die te midden der ruiters reed, een man van omstreeks dertig jaar,
was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden
zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden,
waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig
gewaad aan, dat hem 't bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten
versierde gouden kris stak in zijn gordel.
Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos;
toch mocht men
[78:]
aan de wijze, waarop
hij het hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen. Als de lange sarong,
die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een
weinig opwipte; bemerkte men, dat de voet misvormd was en de gedaante
had van een paardenhoef.
De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want,
hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, bleef
zij tot nu toe voortdurend achter wolken schuilen.
"Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,"
sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die 't dichtst naast
hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.
"Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati's grondgebied
aangeland!" meende deze, dan dreigt ons geen gevaar meer."
"Soerapati's grondgebied!" zeide de andere en fronste dreigend
de wenkbrauwen, "hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java
niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven
bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom
hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen."
Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:
"Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra
zal ik met Soerapati's hulp den ellendigen Hollander, die zich op de
schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen
uit Mataram."
"Groot is het voorrecht, geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in
Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en beschermer bezit."
"Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem
tot hulp."
Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders
dan de vluchtende Kei
[79:]
zer van Mataram,
hulde zich weer in diep stilzwijgen.
Zware dagen had hij doorleefd. Zoodra de tijding Karta Soera bereikte,
dat de opperbevelhebber der Hollanders, aan het hoofd eener geduchte
legermacht van Samarang was opgebroken, om zijn oom, den door de Compagnie
erkenden keizer Pakoe Boewana I, op zijn troon te herstellen, was hem
alles ontvallen: de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren,
de liefde zijner vrouwen, de gehoorzaamheid zijner soldaten. . .
De geheele bevolking was toegesneld om den tegenvorst, die, gesteund
door zulk een kracht van wapens, voortschreed, haar hulde te betuigen;
niemand's hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins,
die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.
Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; 's keizers dringende
beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen;
tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen,
De Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen
ten laste.
Zoodra hij hoorde, dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte,
besloot hij, zijn troon en leven duur te verkoop en, of ze ten minste
door anderen duur te laten betalen.
Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang
om De Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te
beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende
bericht, dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het javaansche leger
verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan
Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.
Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog hoopte
men, dat het leger trouwer zou
[80:]
lijken dan zijn
veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten
door de voorwaarts ukkende legers der Compagnie gelost., verstrooiden
zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.
Nu begon ook de afval aan het hof; weinige manri's bleven den schijnkeizer
trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns
vaders met de ontzettende zekerheid, dat het zegepralende leger der
Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij
op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem helpen wilde, om het zinkende
schip te redden, nergens vertoonde zich redding, dan alleen in snelle
vlucht.
Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen, hem door
Radhen Wiro Negoro gedaan; jlings zond hij een bode naar Pasaroean,
om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn
gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord
te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt
kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn voornaamste vrouwen,
kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts
te trekken, om daar een schuilplaats te zoeken.
Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de
hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid
deed inhuldigen.
Alle rijksgrooten, op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden,
kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieten hadden
dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.
Niets bleef nu de Wilde over, dan met den nieuwen Keizer het tractaat
te sluiten, dat een bekrachtiging was van dat, hetwelk bijna twintig
jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was
[81:]
komen brengen,
toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.
De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem's
ontsnapping; de Wilde vond echter weinig' reden dit te betreuren, daar
hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog
tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.
"De zaken staan niet duister!" sprak de afgezette Keizer na
een poos tot zijn volgelingen, "alleen Karta-Soera heb ik verloren,
maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een
groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden."
"Is mijn machtige, gebiéder daar zeker van?" waagde
het een der mantrls te zeggen, "zou Radhen Wiro Negoro zich niet
tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?"
"Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is,
gewerd hem door genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java's
Oosthoek te bedwingen."
"Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten
tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden
muil bedreigde," fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.
"Soerapati zal blijde en vereerd zijn, dat hij mij de gastvrijheid
zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende," ging
de Keizer voort, "hij zal zich haasten mij de regeering over te
dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam
bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht. ."
De mantris zagen elkander achter 's Keizers rug spottend aan.
"Deden wij niet goed, nog vóór het te laat is Pakoe
Boewana onze hulde te bewijzen?" mompelden eenigen.
[82:]
"Hij zal onze
onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen
dood van zijn dochter, Anoem's schuldige gemalin? Hij zal op ons haar
dood wreken, nu hij 't niet meer op zijn neef vermag."
Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van
den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.
Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe
Boewana gehuwd geweest; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar
mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde
haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses
door haar eigen broeders uitvoeren.
Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn
medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die
hem volgden, waren zij, die in de hoogste mate den wrok van Pangeran
Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar
eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, had
zijn partij gekozen.
Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.
"Heer," vroeg hij, "zoo het waar is, dat Wiro Negoro
slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan
zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen
hem ingeroepen?"
"Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der
partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders, hetzij deze
Amirang Kousoumo, of Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap
gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd
om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien
Allah verdelge, te verdedigen."
[83:]
"Waarom is
hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om den Hollanders te
beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?"
"Het "omdat" zal ons weldra opgehelderd worden, mijn
zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige
Keizer Tagalwangi, verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald,
maar deze vijand, die zijn ouderdom bedreigde, is, Allah zij er voor
geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal
binnen Karta Soera terug en werd daar plechtig gekroond."
"Dank de hulp der Hollanders!"
"Ook de Balizeenen zullen niet minder dapper zijn. Immers, de keizerlijke
kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit.
Waar zij zijn, daar is de keizer!"
De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher
en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal
van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare
sawahs, langs haar oevers, drenkte met frissche beekjes.
Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen
te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden, hoekigen top omhoog.
De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag
naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge
kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen
deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij, die de streek kenden,
wisten, dar in hun schaduw zich de stad Kediri verschool.
Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen
en bruin nog niet tot haar recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden,
scheen het, of een regen van stof
[84:]
goud uit den hemel
op het landschap neerstortte en alles met glans en licht doortintelde.
Van alle zijden schitterden kleuren den ruiters tegen; met oogverblindenden
gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten
der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen
nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden witgroen met zilveren wederglanzen,
scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de
glinsterend witte lucht.
"De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!" riep een
der jonge prinsen blijde uit.
"Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!" zeide Soenan
Mas minachtend, "is het recht dan niet aan mijn zijde?"
Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:
"Een Soera van het heilige boek zegt: "Voorwaar - wien God
ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg." En ik vrees,
dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt."
"Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah
gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat en de nederigen met welgevallen
aanziet."
"Ziet ge daar niets schitteren?" vroeg de keizer, "zou
men niet zeggen, dat een stoet krijgers nadert?"
Inderdaad flikkerden boven de sawahs witglanzende lichten, als even
zoovele sterren op en neerdansend boven een donkere massa, die nader
en nader scheen te komen.
"Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,"
zeide een der mantris.
Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij
het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den
weg terug
[85:]
weken, maar zich
niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hun voorschreef;
de keizer merkte het op, maar haalde de schouders verachtelijk op.
"Zij kennen mij niet," sprak hij vergoelijkend, "de tijd
ontbreekt mij, het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten, wat
de gouden pajong, dien men achter mij draagt, voorschrijft."
De vlammen naderden meer en meer, steeds in heller gloed blinkend; het
duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die
in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de
landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het, dat de lichten door de
zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.
De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand tusschen hem
en den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan
het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen
rondom hem, die allen aanvoerde. Weldra stonden beide groepen tegenover
elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend
wat de andere ging doen.
De zonnestralen deden de wit-en-roode gewaden der nieuw-aangekomenen
gloeien tusschen de groenblauwe tinten van het landschap; het verguldsel,
dat hen bedekte, schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij
de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.
De aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit;
de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn arabisch paard steigerde
hoog, hij hield echter het vurige dier, met al het gemak en vaardigheid
van een, die zich meester weet, in bedwang.
Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche
bouw kwamen tot hun volle
[86:]
recht in zijn weinig
javaansch kostuum; een wit opperkleed, gelijk aan dat der hindoesche
radjah's omsloot strak zijn bovenlijf; een wijd, donkergroen zijden
ondergewaad was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in
sierlijke muilen staken. Goud borduursel bedekte het bovenkleed, evenals
de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare
diamanten speld gesloten was en waarvan plooien over het paard wapperden.
In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de
gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard
hing hem ter zijde.
Zijn gelaat was donker gekleurd, maar er lag trots en majesteit in de
wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn
oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met
een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was.
Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom,
viel hem op de borst en verhoogde het vorstelijke en onjavaansche van
zijn voorkomen.
De mannen rondom Soenan Mas, schenen klein en onbeduidend, week en laf,
tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen,
hoewel minder krachtig en forsch dan hun opperhoofd, geleken zij bijna
dwergen.
Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht, bij wijze van
groet, de rechterhand aan den tulband, toen strekte hij deze met echt
koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.
"Wees welkom in mijn rijk, broeder!" sprak hij met zijn klankvolle,
heldere stem, "ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!"
Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn
ijdelen eigenwaan trof.
Stom van verbazing plukte hij aan de teugels
[87:]
van zijn paard
en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri
kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen,
legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door
het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.
"Wie zijt gij?" vroeg hij weifelend, "die zoo tot mij,
den Keizer, durft spreken?"
"Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis,
Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt
Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af
aan den zoon. Ik zeg u nogmaals, broeder, wees welkom! De God mijner
Vaderen zegende mijn wapenen, en het is goed in de dagen des geluks
de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten."
Hij hield de hand nog steeds uitgestoken. Soenan Mas, die verwacht had,
hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als
wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.
"Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,"
sprak Soerapati, "gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen
tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben."
Hij zwenkte zijn paard, zoodat hij thans aan de rechterzijde van den
keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen
en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg.
"De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan
uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal
mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer
van Mataram op mijn grondgebied te mogen begroeten."
Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich
er toe, met hun lansen
[88:]
den vreemden vorst
te groeten. De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat
in vier rijen aan weerszijden van den weg, om den stoet door te laten;
met opgeheven lansen bleven zij staan, totdat hun vorst met zijn gast
en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in
beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide
van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou
eer denken aan een troep gevangenen, die onder sterke wacht werd voortgeleid,
dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.