III
VADER EN ZONEN.
Tegen den avond, begunstigd door schitterenden maneschijn, trok Radhen Wiro Negoro met zijn gevolg naar het Oosten terug. De hooge gestalte van den vorst was aan het hoofd van zijn stoet duidelijk kenbaar; de Regent van Kediri deed hem uitgeleide en Amirang Kousoumo reed aan zijn rechterhand, want ondanks zijn vrij gevorderden leeftijd was de oude Rijksbestuurder nog sterk en vlug.
[101:]
"Is Kiai Hemboong
nog niet terug van Batavia?" vroeg Wirajoeda, "hoeveel maanden
zijn toch verloopen sinds zijn vertrek?"
"Ik ben ongerust, zeer ongerust," gaf Soerapati ten antwoord,
"nieuwsgierigheid naar tijding van hem doet mij vooral zoo haastig
terugkeeren naar Kotta Maroeng."
"Reeds viermaal heeft de maan zich gewisseld na zijn vertrek,"
zeide Kousoumo, "wanneer men hem slechts ongedeerd laat vertrekken!"
"Wat heeft de arme grijsaard misdaan, om den toorn der Hollanders
op te wekken? Hij komt slechts de gevoelens vernemen van de Hooge Regeering
te Batavia; verwerpt zij mijn voorstellen, welnu, dat ik het wete, maar
wat zal het hun baten, als zij hem vasthouden? Ik had mijn ouden pleegvader
niet moeten toestaan den gevaarvollen tocht te ondernemen; maar niemand
mijner mannen evenaart hem in list en geslepenheid, daarenboven verlangde
hij Batavia terug te zien. Ik begrijp dat gevoel, hoe vurig wensch ik
zelf daarheen terug te keeren, alles te zien met de oogen van den man,
wat den blik van den jongeling stellig ontsnapte, mijn voordeel te doen
met de kunde der blanke mannen. 't Doet mij nog leed, dat ik niet vermomd
zelf de reis maakte."
"Een vermomming zal u niet baten," sprak Wirajoeda, "al
verduisteren ook wolken de zon, zij kunnen toch niet bewerken, dat men
den dag voor den nacht aanziet. Evenmin zal men in u ooit den vorst
miskennen."
"Den geboren vorst zeker!" hernam Soerapati lachend, "de
slaaf in koningskleeren, ziedaar de werkelijke vermomming."
"Wacht met Batavia te bezoeken, tot gij daar als overwinnaar uw
zegetocht kunt doen," zeide Kousoumo.
Soerapati's oogen schitterden, een glimlach speeldeom zijn mond.
[102:]
"De weg is
lang, vader, van Pasoeroean naar Batavia; in twintig jaar heb ik echter
veel gedaan. Wie weet, zoo mij nog twintig jaren levens gegund zijn,
of ik niet alles zal kunnen uitvoeren wat ik wensch, alles, alles!"
Hij wierp een blik naar achteren, naar zijn zonen, die vroolijk en luchthartig
schertsten en lachten.
"Waar spreken zij over?" vroeg hij fluisterend aan zijn vrienden.
"Waarover jonge knapen het liefste spreken, over schoone vrouwen
en over schitterende feesten, over dans en spel! Waarover anders?"
Verachtelijk krulden zich de lippen van den vorst, en Wirajoeda aanziende,
zeide hij:
"Toen wij zoo oud waren, vriend, toen was het niet over zulke vroolijke
zaken, dat onze gesprekken liepen. We hadden andere zorgen, andere belangen;
ons leven, onze vrijheid moesten wij verdedigen van uur tot uur, wij
hadden geen tijd om te denken aan datgene, wat hun levensdoel schijnt."
"Och, hun jeugd zal ook voorbijgaan."
"En plaats maken voor een mannelijken leeftijd zonder eer en roem.
Ik plantte met veel, arbeid en zweet den boom, waarvan de vruchten hun
rijp in den schoot vallen. Wat men zonder moeite wint, dat geniet men
ook, zonder vreeze het te verliezen. Mijn zonen leven in weelde en rijkdom,
als ware hun vader een geboren vorst geweest. Het genot najagen is hun
eenig streven; wat zal er van hen worden en van hun kinderen? Een zwak,
verwijfd geslacht, als dat van Mataram, nietelingen gelijk aan het wezen,
dat we daar straks verlieten en dat nog aanspraak maakt op den naam
en de eerbewijzen van een Keizer."
"Hij is een onschadelijk man; hoe hij in den wijn, trots Mahomed,
een welkomen troost vond voor zijn leed!"
"'t Is hem ontgaan, dat wij vertrokken, zoo was
[103:]
hij reeds van zijn
zinnen beroofd door de bedwelming van den drank. En aan zulke schepsels
is dit land, dit heerlijke land overgeleverd; schepsels zoo dom en tegelijk
zoo boos, wier verstand geen teugels kan leggen aan hun woeste hartstochten,
die ongebreideld hun overgroote macht slechts aanwenden, om anderen
te verderven. Ontzenuwd door de heillooze eer van hun leugenprofeet,
verschillen, zij geheel van de helden onzer oude sagen. Vrienden, ge
weet hoe dikwijls wij de blanke vreemdelingen vervloekten, die van verre
over de zee kwamen om onze schatten te bemachtigen en ons de wetten
te stellen; maar als ik de nietswaardigheid zie van onze vorsten, dan
ben ik geneigd God te danken, dat Hij zich ontfermde over de arme Javanen,
die geen grooter vijanden, geen wreeder verdrukkers kennen dan hun eigen
Prinsen en priesters."
"Zoo alle vorsten gelijk waren aan u, Heer!"
"Aan mij! Wat kan ik doen, alleen! Ik misken u niet, vrienden,
uw zwaard heeft mij trouw geholpen, Wirajoeda, evenveel als uw wijze
raad en steun, Kousoumo; maar lichter is het een rijk te stichten, volken
te onderwerpen door dapperheid en listig beleid, dan hen te behouden
door strikte rechtvaardigheid en wijsheid. Ik voel het, mijn taak is
zwaar; zal ik ze alleen kunnen volvoeren? En dan, droevige gedachte,
wie verzekert mij, dat, wanneer ik sterf, niet alles jammerlijk ineen
zal storten, omdat ik in mijn opvolgers mijn geest niet kan storten,
tegelijk met het leven, dat zij mij danken?"
"En is het daarom, dat gij vriendschap zoekt met de Hollanders,
vrede en bondgenootschap?"
"Ik heb ze gezocht, vóór ik Adipati Anoem stellige
beloften deed; ik hoopte mijn gedrag te kunnen regelen naar het antwoord,
dat zij mij zouden geven. Helaas! mijn pleegvader keert niet terug.
Ik hoop niet, dat hem iets overkomen zij. Zijn dood of gevangenschap
zal de druppel zijn, die den beker mij
[104:]
ner wraak doet overloopen,
veel heb ik van de Hollanders verdragen, veel heb ik met hen af te rekenen;
zoo Kiai Hemboong niet terugkeert, dan hoop ik dat de laatste band verbroken
zal zijn, die mijn hart nog aan hen hecht."
"Meester!" riep Wirajoeda uit, "hoe kan het zijn, dat
er in uw hart nog genegenheid leeft voor hen, die u verraden, belogen,
vervolgd, versmaad, gegeeseld hebben? Is al die schande uit uw geest
verdwenen? Leeft er geen wrok meer in uw hart?"
"Ik ben nog bereid alles te vergeven, alles te vergeten, wanneer
zij mij erkennen als hun gelijke, wanneer zij ophouden neer te zien
op mij, als ware ik van minder geslacht. Laten zij mij erkennen als
hun bondgenoot, geen trouwer vriend zullen zij bezitten. Hoe menigmaal
reeds wierpen de golven des levens mij teIkens naar hun kust; ik greep
met beide handen hun grond aan, telkens echter stieten zij mij terug!
Nu echter, wanneer Kiai Hemboong niet terugkomt, dan zweer ik bij de
geesten mijner voorvaderen, zal het voor 't laatst zijn."
"Gij verklaart hun den oorlog, om Adipati Anoem in Pakoe Boewana's
plaats te stellen."
"Ik zal hen bestrijden, om te zien wie meester zal blijven van
de Oostkust, zij of ik."
Wirajoeda nam afscheid; Kousoumo steeg van zijn paard om in een draagstoel
plaats te nemen, waar hij voor zijn verouderde ledematen meer rust kon
vinden gedurende den nachtelijken tocht. Soerapati reed alleen vooruit,
diep in gedachten verzonken; zijn wonderbare levensloop ontrolde zich
in breede tafereelen voor zijn geest; hij zag zich weer jong, krachtig,
zoo juist der slavernij ontloopen, het hart vol liefdessmart; hoe lang
was dat geleden? En de strijd in die bosschen, het ongeregelde rooversleven,
door den korten soldatentijd gevolgd, toen de crisis in Tjikkendoel,
de reis naar Karta-Soera, de wanhopige worsteling en eindelijk de veroveringstocht
[105:]
in Java's oostelijke
gewesten. Toen hij daar verscheen, was alles hem te voet gevallen; hij
nam bezit van Madioen en Kediri als stedehouder des Keizers, hij zette
de Regenten af en stelde zijn vrienden in hun plaats; in Pasoeroean
en het Tengergebergte, waar de leer van Mahomed nog slechts zeer oppervlakkig
doorgedrongen was, vereerden de volgelingen van Batoro Goeroe hem als
afgezant uit den Soeraloyo [Hemel der Hindoes.]
Wat nog tegenstand durfde bieden, deed hij zwichten voor zijn onoverwinbare
wapens; het volk snelde toe, bracht hem blijde zijn offers, sloeg de
handen ineen om voor hem paleizen te bouwen, zoo schoon als hij slechts
verlangde. Hij trachtte goed en rechtvaardig te zijn, hen te regeeren
niet door vrees en willekeur, maar door wijze, verstandige wetten, maar
hoe verder hij vorderde, hoe duidelijker 't hem werd, dat zijn taak
zwaar, veel te zwaar werd voor zijn schouders. Zijn geest schiep zich
heerlijke beelden voor de toekomst, hij droomde van rijken, zooals die,
waarvan hij eenmaal als kind had gelezen in de boeken zijns meesters,
Griekenland en Rome, de namen kende hij nauwelijks meer, hij herinnerde
zich flauw, daarvan gedroomd te hebben in zijn kinderlijke illusiën!
Maar hoeveel kennis, hoeveel wetenschap was er noodig om van deze aanhankelijke,
goedige, maar nog zoo weinig ontwikkelden, wezens te maken, doordrongen
van hun plichten en rechten! O, kon hij toch in zijn eigen geest licht
ontsteken, den muur, waarmede onwetendheid zijn verstand omringde, doen
instorten, kon hij zelf orde brengen in zijn verwarde gedachten; ja,
hij wilde veel, hij vermocht met zijn zwaard veel te doen, maar het
beste, wat hij bezat, zijn meerdere kennis en ontwikkeling, hij dankte
het den Hollanders, hen alleen mocht hij het licht vragen, dat hem kon
[106:]
verlichten. Bij
hen moest hij den steun zoeken, dien hij noodig had.
Zij bezaten immers in vollen rijkdom juist datgene, waarvan hij het
gemis zoo pijnlijk voelde; waarom stieten zij hem terug, als hij zoo
gaarne van hen ontvangen wilde? Een laatste poging had hij gewaagd,
keerden zij zich weder van hem af, wat dan? Hij kon hen bestrijden,
wat baatte 't hem, 't bracht hem niet nader bij de verwezenlijking zijner
grootsche plannen, zelfs al bleef hij hun overwinnaar.
Verscheidene Hollanders had hij tot zich gelokt, om zijn voordeel te
doen met hun kennis; een hunner had belangrijke verbeteringen gemaakt
in zijn kraton, een ander gaf hem lessen in lezen en schrijven, waarin
hij voorheen ook onderricht had gekregen, maar welke kennis hij door
zijn avontuurlijken levensloop, door gebrek aan oefening, had moeten
verwaarloozen; een derde hielp hem zijn soldaten op Europeesche wijze
te oefenen, want de wapenhandel bleef nog steeds zijn voorname zorg.
"Ik heb mijn rijk veroverd, ik moet het thans nog beschermen, kan
ik het rustig bezitten, dan eerst begint mijn grootste, moeilijkste
taak. Zal ik daartegen opgewassen zijn?" vroeg hij zich af.
De weg voerde langs de kronkelingen van de Brantas, door dat gedeelte
van Java, met recht als de schoonste streek van het smaragden-eiland
geroemd. Ter rechterzijde verhieven zich de steile ruggen van den Keloet,
in de vlakte wisselden wouden en grasvelden elkander af; de zware schad,uwen
in de diepte werden nog donkerder, maar zilvergloed lag over de hoogten
uitgespreid; zachte, geurige koeltjes daalden van de bergen neder, alles
ademde rust en vrede in het vergevorderde nachtelijk uur. Het getrappel
der paarden en het praten der ruiters verstoorden alleen de plechige
stilte, die over de bergen en dalen rustte.
[107:]
Soerapati zag rondom
zich en diepe weemoed vervulde plotseling zijn ziel; met onweerstaanbaar
geweld keerden zijn gedachten terug naar de dagen zijner Jeugd, naar
den morgenstond zijner eerste liefde.
"Ware zij de moeder mijner zonen, hoe anders zoude ik te moede
zijn!" mompelde hij, "wat zou ik dan nog vreezen, maar nu?
In den boezem van mijn eigen gezin heb ik den zwaarsten, strijd te voeren
en als ik er niet meer ben, dan treft mijn rijk, de vloek, die Mataram
ten gronde richt."
Terwijl hun vader zulke ernstige gedachten in zijn geest verwerkte,
voerden zijn zoons, juist zooals de gewezen Rijksbestuurder aanmerkte,
veel vroolijker gesprekken.
Pengantin, de oudste hunner, die gehuwd was met de schoone Soederma,
zuster van den Balambangschen prins Matjanegara, reed een weinig ter
zijde van de anderen en sprak fluisterend met zijn broeder Lembono.
"Ik zou wel willen weten, wat onzee broeders daar voor geheimen
hebben," zeide Matjanegara tot zijn anderen zwager Nitro, "het
schijnt, dat deze niet voor onze ooren bestemd zijn."
Nitro haalde de schouders op.
"Wat voor geheimen kan Pengantin hebben dan die op zijn liefjes
en zijn danseressen betrekking hebben? Geloof mij, hij kent geen andere
dan liefdeslisten."
"Mijn arme zuster weet dat genoeg. Hij heeft zeker weer den een
of anderen dwazen streek in den zin. De mooie serimpies [Danseressen.]
van den gevluchten Soenan Mas konden hem niet eens boeien, zulk een
haast had hij Kediri te verlaten en naar Pasoeroean terug te trekken.
Laat hij echter op zijn hoede wezen, wanneer hij te ver gaat en het
hart van Soederma
[108:]
al te bitter bedroeft,
zal ik onzen vader waarschuwen."
"Dat moet gij niet doen, broeder! Een verrader plukt nooit de vruchten
van zijn verraad. Pengantin en Lembono hebben de vrouwen lief. Welk
kwaad schuilt daarin? Doen wij niet hetzelfde? Onze zuster handelt verkeerd,
indien zij haar man met haar slendang [Zijden shawl.] aan zich wil binden;
de gevangen vogel betreurt zijn vrijheid het meest, en haat den meester,
die hem de kooi sloot. Wanneer zij hem vervolgt met haar achterdocht,
zal haar echtgenoot bitteren tegenzin voor haar opvatten, hoe schoon
en lieftallig zij ook moge zijn."
"Mijn zuster is een prinses, die niet verdient op zulk een wijze
te worden verwaarloosd."
"Er is geen sprake van verwaarloozing. Wordt de Toewan Ratoe [Eerste
keizerin.] van Mataram beleedigd, daar zij meer dan honderd goendiks
[Bijvrouwen.] naast zich moet dulden? Maar het hof van Wiro Negoro staat
geheel alleen op Java; daar zijn de kapoetrens [Harems.] verboden. Onze
vader heeft nooit een andere vrouw gehad dan onze moeder Radhen Goesik
Kousouma, maar heeft hij daarom het recht ook ons de vreugde te ontzeggen,
welke de groote Profeet van den Islam zijn volgelingen zoo ruimschoots
gunt?"
"Uw vader heeft recht tot alles," sprak de jonge prins, die
een dwepende vereering voor Soerapati koesterde en hem onbegrensde dankbaarheid
verschuldigd meende te zijn, daar hij zijn broeders, die aanspraak maakten
op den troon van Balambangan, uit den weg geruimd had, en na zijn huwelijk
met de Pasoeroeansche prinses, uit zijn naam het rijk bestuurde.
"Gij wilt dus ook geen andere vrouw bezitten naast mijn zuster?"
vroeg Nitro spottend.
[109:]
"Nooit!"
antwoordde de andere. "Ik ben geen Mahomedaan."
"En wanneer mijn vader er niet meer is, zal ik dadelijk den Islam
omhelzen. Maar zelfs in Bali is het geoorloofd vele vrouwen te bezitten,
hoeveel goendiks had de Maharadja van Modjopahit voorheen? Evenals Pengantin,
zal Lembono er moeite mee hebben, daar hij de schoonzoon van den Regent
van Kediri is en met Wirajoeda valt niet te schertsen. Hij deelt den
innigen haat mijns vaders tegen harems."
"Uw moeder is niet van dit oordeel."
"Mijn moeder haat de Hollanders; zoo mijn vader haar geen mededingster
gaf, omdat hij aanhanger is van den godsdienst van Shiwa, niemand zou
meer juichen dan zij, maar in deze eigenaardigheid erkent zij slechts
zijn zucht om den Christenhonden te gelijken, vandaar dat zij onze neigingen
niet weerstreeft, maar ze aanwakkert."
"Haar man tegenwerken, zoo mijn vrouw dit ooit waagde "
Nitro lachte luid.
"Wat zoudt gij doen, kleine Prins; wanneer zelfs de groote Wiro
Negoro met zijn machtig zwaard weerloos staat tegenover de speldeprikken
eener vrouw? Radhen Goesik ziet nog steeds met leede oogen, dat het
hart van onzen vader naar de blanke kafirs neigt. Men zegt," en
zijn stem klonk nu fluisterend, "dat mijns vaders eerste gemalin
een Christenvrouw van zuiver Hollandsch bloed was en dat hij haar nog
niet vergeten is, hoewel zij hem ontrouw werd. Deze gedachte kwelt mijn
moeder dag en nacht, zij verbittert haar het leven, dwaze, die zij is.
In elke handeling. mijns vaders, die haar maar eenigszins aan de Hollanders
herinnert, ziet zij een hulde aan de mededingster en dit vervult dan
haar ziel met toorn en nijd."
"Maar wat zegt uw vader van zulke gevoelens?"
[110:]
"Hij merkt
ze nauwelijks op of veinst ze niet te zien en dat doet haar ergernis
ten top stijgen. Arme moeder, zij vreest de blanke vrouw, die misschien
reeds sinds jaren gestorven is, meer dan een kapoetren, gevuld met de
schoonste Javaansche vrouwen. Gaarne zoude zij met dezen de woning van
haar echtgenoot willen deelen, mits zij de zekerheid had, dat de herinnering
aan die ééne geheel uit zijn ziel gewischt ware. Dit spooksel
uit het verledene verontrust haar thans, na twintig jaren, nog evenzeer
als op den dag harer verloving."
"Zonderlinge liefde," mompelde Matjanegara.
Intusschen drong Pengantin bij zijn broeder Lembono aan:
"Ge moet mij helpen, het schoone Tengersche meisje heeft mijn hart
in vuur en vlam gezet. Ik wil dat zij de mijne wordt."
"De bewoners van Tosari zijn licht geraakt en dulden geen ijdel
spel met de eer hunner vrouwen en dochters; hoe wilt ge het meisje ontvoeren?
Hun woningen zijn in het schier ondoordringbare gebergte verscholen,
hoe zult ge haar daar vinden?"
"Gij moet mij helpen, ik zeg 't nog eens, Lembono! Veins, dat gij
den geest van den Bromo wilt gaan vereeren, zoo ik mijn vader dit verzocht,
zou hij begrijpen, dat het slechts een voorwendsel is, Nitro is nog
zoo jong en ik vertrouw hem niet, hij zou voor zichzelf werken, als
hij 't meisje zag, maar gij heet de ernstigste van ons drieën;
vader zal u niet wantrouwen als gij met zulk een verzoek tot hem komt
en u de gevraagde toestemming geven. Gij brengt een nacht in Rosari
door, waar ik u zal komen ontmoeten, en daar zullen wij weldra hooren
waar het kind woont, dat ik. laatst met haar vader te Bangilontmoette."
"En zoo de zaak ruchtbaar werd, als de Tengereezen om wraak roepen
over de schaking en als het mijn schoonvader ter oore komt, welke rol
ik
[111:]
daarin speelde?
Gij weet, Wirajoeda laat niet met zich spelen, zijn eigen zoon liet
hij krissen toen deze een Mahomedaansch meisje tot vrouw nam; hij is
wreeder dan onze vader, bij wien hij alles vermag."
"Gij zijt laf als een vrouw, Lembono; schande over u, dat gij beeft
voor den vader uwer Ratoe. Luister naar mij," en hij boog zich
over den kop van zijn paard om zachter te kunnen spreken, "ik zal
u later de landen van Ponorogo en Soerabaya geven. Nitro en de Balembanger
ontvangen niets van mij, ik zal ze wegzenden naar Bali, zoodra ik hier
meester ben, maar help mij nu, want ik smacht van verlangen naar het
bezit der lieftallige Siwangi."
"En Soederma?"
"Zij verveelt mij met haar lastige jaloezie. Hoe wreed is vader
ons te dwIngen slechts eén vrouw te erkennen. Hij begrijpt toch
hoe na zijn dood. . . ."
Intusschen ging Radhen Wiro Negoro steeds voort in zijn gedachten grootsche
plannen te vormen tot uitbreiding en instandhouding van zijn machtig
Javaansch rijk.