[65:]
VII.
MARKUS EN DIGNA.
Eenige dagen later
had de Heer Voorneman zijn kamer voor het eerst weer verlaten en zat
nu onder de zonnetent, terzijde van zijn woning met vrouw en kind.
Digna had een guitaar op haar schoot en zong met haar jonge frissche
stem een liedje van Bredero:
't Zonnetje steekt
zijn hoofdjen op
En beslaat der bergen top
Met zijn lichtjes.
Wat gezichtjes.
Wat verschietjes, ver en nauw.
't Dommelt er tusschen 't groen en blauw.
Albert zat aan haar
voeten en luisterde toe met schitterende oogjes en neuriede nu en dan
met haar mee. Zij hielp hem weer in de maat, als hij ze soms verloor,
en keek glimlachend haar man aan, die op zijn gemakkelijken stoel uitgestrekt,
den blik niet van haar kon afwenden.
Op een klein tafeltje tusschen hen stonden frissche dranken en gebakjes,
naast de artsenij voor den zieke.
"Vader, wilt ge niet eens proeven," vroeg Albert met een begeerigen
blik naar de smakelijke schotels.
"Moeder heeft zelf, dat gebak van middag gemaakt."
"Is 't waar, Digna?" vroeg haar man. "Zijt ge niet wat
gaan rusten, kunnen de slavinnen het dan niet doen?"
[66:]
"'t Is een
gebak, dat mijn moeder in Holland maakte; het was onze grootste lekkernij;
hoe zouden de slavinnen het kunnen bereiden? Ik doe het zoo gaarne en
dan dat rusten 's middags kan ik mij niet gewennen. Me dunkt dat het
genoeg is, wanneer ik den geheelen nacht slaap. Hier hebt ge nog een
koekje, Albert! Voorzichtig met die omhelzing, ge drukt me dood, mannetje,
van louter dankbaarheid. Zal ik nog meer zingen, Markus, of hebt ge
liever dat ik u wat voorlees?"
"Neen, zing voort, lieve! 't Doet me zoo goed, uw stem te hooren
en uw spel!"
Digna begon het tweede couplet.
"Daar is bezoek, foei, hoe vervelend!" riep AIbert uit.
Het was de fiscaal, een van Voorneman's ondergeschikten, die hem tijdens
zijn ongesteldheid kwam bezoeken.
"Zal ik heengaan?" vroeg Digna.
"Stellig niet! Al kan ik u niet meer hooren, ik kan u zien en dat
is reeds veel."
Zulke woorden deden Digna pijn; zij verrieden maar al te zeer, hoe vurig
haar echtgenoot haar liefhad en hoezeer zijn gevoelens verschilden van
haar kalme, hoewel warme vriendschap; zij had het, nu er een paar dagen
over verloopen waren, beter gevonden het geval met Robert maar geheel
te verzwijgen. 't Zou immers slechts dienen om hem noodeloos te ontroeren.
De fiscaal zette zich bij het gezelschap neer en Digna fluisterde haar
zoontje toe, voor haar eenige melàti's te plukken. Zij nam een
handwerk ter hand, want nooit waren haar bezige handen ledig, en leende
slechts een half oor aan de gesprekken der beide heren, totdat zij plotseling
het hoofd oprichtte en toeluisterde.
"Ja," zeide de fiscaal, "het is een wonderlijk geval.
Het moet hier vlak bij uw woning gebeurd zijn.
[67:]
Daar kwam de oppasser
van den heer Donker met zeer veel drukte aan, een Europeesch soldaat
met zich voerend, want Europeaan is hij zeker, ondanks . zijn donkere
gelaatskleur, daar hij het Maleisch zeer onvolkomen spreekt en verstaat.
Er moet reeds sinds langen tijd bij hem op het erf gestolen zijn, nu
eens kippen, dan weer fruit, of waschgoed, dat te drogen hing. Op den
bewusten avond. hadden zij eerst de tuindeur opengelaten en duidelijk
zag toen een ser bedienden, dat de soldaat over het erf naar de rivier
die er zich dichtbij bevindt, sloop; hij bleef in de vrij diepe bedding,
men hield de wacht en omstreeks een uur later zag men hem terugkomen.
De oppasser en zijn medeslaven grepen hem aan; hij verweerde zich als
een wanhopige en zwaar geboeid moest men hem naar het cachot voeren.
Den volgenden morgen kwam de heer Donker verzoeken dat hij dadelijk
ondervraagd zou worden, maar hij weigert elk antwoord te geven, alleen
zweert hij met de duurste eeden op zijn onschuld."
"Als hij onschuldig is, waarom sloop hij dan als een dief dat erf
op?" "Juist, dat heb ik hem telkens gevraagd. Ik wilde weten,
waarheen hij dan ging en wat hij daar in de bedding der rivier gedaan
heeft, maar hij verklaarde hierop geen antwoord te kunnen geven."
"Wanneer is het gebeurd?"
"Woensdagavond."
"En hoe heet hij?"
"Walter! Andere namen beweert hij niet te hebben."
"Walter, zoo heette immers ook de knaap, dien wij op den avond
toen we met Zijn Edelheid spelevaarden, uit het water deden halen! Is
de majoor van de zaak onderricht?"
"Zijn getuigenis aangaande den knaap luidde niet gunstig. Hij is
een wilde borst, twistziek, overgegeven aan spel en drank, door ronselaars
voor het leger der Compagnie aangeworven."
[68:]
"Gij zegt,
dat hij zeer geporteerd is voor het spel?"
"Ja, dien avond toen hem het ongeval overkwam van in het water
te vallen, had hij zoo juist een speelhol in de Lepelstraat verlaten,
na er tamelijk veel te hebben gewonnen; zijn kameraad scheen hem daar
te hebben ingeleid en verlangde nu een gedeelte van de winst. Hieruit
ontstond een twist. Hij vluchtte weg, de andere volgde hem en bij de
worsteling viel de vriend, die reeds ver heen was, in het water. Hij
sprong hem na, het overige weet UEdele; de majoor legde, hem een lichte
straf op, welke hij juist dien dag had doorstaan. Wat is nu lichter
aan te nemen dan dat hij zich, om weer geld voor het spel te verkrijgen,
door diefstal geneert?"
"Maar als hij gestraft is geweest met arrest, dan zal hij in de
dagen vooz: Woensdag het erf van den heer Donker niet bezocht hebben."
"Zoo komt het mij ook voor; wanneer hij slechts de reden wilde
opgeven, waarom hij zich in deze streek ophield, maar dat weigert hij
hardnekkig. Morgen zullen wij eens beproeven of de roede beter bij machte
is, zijn lippen te openen dan onze vragen."
"Scheelt u iets, lieve?" vroeg Voorneman zijn vrouw, want
hij zag hoe haar wangen en lippen doodsbleek werden, "deze gesprekken
zijn niet voor uw ooren bestemd. Ga een kleine wandeling doen, terwijl
wij onze zaken verder bespreken."
"'t Is niets, Markus. 't Doet mij enkel zoo leed, als ik hoor hoe
men arme beschuldigden door pijn wil dwingen hun geheimen los te laten.
Welk bewijs hebt ge dan dat zulk een afgeperste bekentenis geen logen
is?"
"Hoe zouden we anders recht kunnen plegen, lieve vrouw; maar deze
vragen behoeft gij niet te beantwoorden, zij liggen buiten uw bereik."
De laatste woorden van Voorneman klonken stroever dan die, welke hij
anders tot zijn vrouw placht te richten.
[69:]
De fiscaal stond
intusschen op.
"Ik heb hier niets verder bij te vqegen en wensch UEdele een spoedige
beterschap."
"O, wat dat betreft, ik ben reeds genezen en hoop morgen weer ten
Raadhuize te verschijnen."
"Deze hoop doet mij met lichter hart naar de stad terugkeeren dan
ik haar verliet."
Weinige oogenblikken later stonden man en vrouw alleen tegenover elkander.
"Markus," zeide Digna, op den rug van zijn stoel geleund,
"ik heb een ernstig woord met u te spreken."
"Ik hoor u aan!" antwoordde hij, sloot de oogen en klemde
de lippen vast op elkander.
"Die soldaat is werkelijk onschuldig aan hetgeen men hem ten laste
legt: hij kwam niet om te stelen."
"Sedert wanneer bespiedt mijn gemalin de gangen van een verliederlijkten,
gemeenen soldaat?"
"Ik bid u, Markus, blijf kalm!" smeekte Digna, en plaatste
zich nu vlak tegenover hem, "ik had u reeds eerder alles gezegd,
wat ik u mee te deelen had, maar uw toestand deed het mij uitstellen;
die man is hier geweest, in gindsche galerij, waar hij mij gesproken
heeft!"
Heer V oorneman richtte zich op; het lichtte onheilspellend in zijn
oogen, hij greep haar hand, die zij hem willoos oververliet en vroeg
met heesche stem:
"Zeg me nu alles, was dat hij?"
"Ja, de man ,met wien ik eenmaal verloofd was. Reeds dien avond
had ik hem herkend, maar ik wilde hem niet kennen en dus was het onnoodig
u met hem bezig te houden. Woensdag echter verscheen hij plotseling
voor mij, een half uur vóórdat gij ziek t'huis kwaamt."
"En gij hebt hem aangehoord? O schande!"
"Dat heb ik, maar schande kleeft niet aan mij. Zie mij aan, durf
ik niet vrij de oogen tot u opheffen? Meent gij, dat ik 't zou doen,
indien mij een woord of blik ontsnapt ware, mijner en uwer onwaardig?"
[70:]
Hij zag haar aan,
de reinheid, uit haar oogen stralend, hield het booze woord terug, dat
hem dreigde te ontsnappen.
"Maar wat hebt ge met hem gesproken?"
"Ik heb hem herhaald, dat het verleden dood was en dat het eenige,
wat ik hem nog schenken mocht, mijn achting was; die hij door het leven,
thans door hem geleid, verloren had. Ik wees hem den weg om die achting
te herwinnen, door zijn plicht te doen als trouw soldaat in den aanstaanden
oorlog. Mijn hand heeft de zijne niet aangeraakt en hij kwam in niets
te kort aan den eerbied, uw echtgenoote verschuldigd, daarvoor sta ik
u borg met mijn eerewoord!"
Hij hield nog steeds haar fijnen pols in zijn vingers omsloten.
"Hebt ge hem nog lief, Digna?" vroeg hij met doffe stem.
"Liefde kan men slechts vrijwillig geven, en hoe kan ik hem iets
geven, wat mij niet meer toebehoort?"
"Ge ontwijkt mijn vraag? Ik geloof u, gij zijt te deugdzaam, te
rein dan dat gij zoudt mogen blozen over iets wat er in deze samenkomst
voorgevallen is, maar zelfs uw gedachten behooren u niet meer, Digna,
ook daar heb ik recht op. Wat voelt ge voor hem?"
"Diep, diep medelijden."
"En anders niets, zweert ge mij dat?"
"Martel mij niet, Markus!" riep Digna uit, plotseling opstaande
en haar hand uit de zijne losrukkend, "waaraan heb ik zulk een
wantrouwen verdiend? Waarom wilt ge wroeten in mijn gedachten, in mijn
gevoelens, als ik zelf het beneden mij acht daarnaar te vragen? Ik mag
hem niet meer liefhebben, dat is mij genoeg om mijn plicht te volbrengen."
"Altijd plicht, o Digna! Waarom is die man tusschen ons verschenen!
Dien avond hadt gij een blik, een liefkoozing voor mij, die ik noch
vóór, noch na dien tijd van U ontving; dat was geen plicht.
En nu
[71:]
wordt gij weer
in het verleden, dat ik als dood beschouwde, teruggevoerd en spreekt
opnieuw van plicht."
"Maar het tegenwoordige, de toekomst behooren immers u, Markus?"
"Als gij hem niet liefhebt, waarom verbleektet gij dan daar straks,
toen er sprake van was, dien man te geeselen?"
"Omdat ik een mensch ben, Markus! Zult ge nu rechtvaardig jegens
hem zijn, zult ge hem doen vrijspreken?"
"En zoo ik het niet doe?"
"Dat zult ge niet, ge wilt mij niet dwingen voor den fiscaal te
verschijnen om getuigenis af te leggen van zijn onschuld."
"Zoudt ge dat doen, gij, mijn vrouw?"
"Als er geen ander middel was om hem te redden, ja!"
"En durft gij mij zeggen, wat ge voor dien ellendeling zoudt doen?
Weet ge wel dat ge over uw naam en den mijne schande brengt?"
"Waarom? Omdat ik een vriend mijner jeugd heb gesproken?"
"Een losbol, een soldaat!"
"Aan u is het mij dien stap te besparen, door volgens recht en
waarheid te beslissen."
"Verwacht gij dat van mij?"
"Ja, dat en niets anders."
"Belooft ge mij dan elke herinnering aan hem uit uw hart te rukken,
geen gedachte meer aan dien ellendeling te wijden?"
"Dat kan ik u niet meer beloven. Ik doe het immers reeds, ik heb
het steeds gedaan van het oogenblik dat ik u mijn woord gaf."
"Ik geloof u, Digna," antwoordde hij mat, "ik geloof
en vertrouw u. Geef mij uw hand! Hoeveel 't mij ook kost, ik zal mijn
plicht doen, zooals gij slechts voor uw plicht leeft. Mocht er eens
een tijd komen, dat van het woord plicht tusschen ons geen sprake
[72:]
meer zal zijn,
omdat liefde plicht en plicht liefde wordt."
Den volgenden morgen reed de heer Voorneman naar het Raadhuis en toen
hij terugkeerde, wachtte Digna hem met het middagmaal. Zij vroeg niets,
begroette hem vriendelijk en ging met haar huiswerk voort.
"Hij is in vrijheid gesteld," zeide de Raad van Justitie en
bespiedde nauwlettend eIken trek van haar gelaat, elke verandering van
haar kleur, maar Digna ontroerde niet.
"Zoo," was haar kalme opmerking, "ik rekende er op."
"En hebt ge geen woord van dankbaarheid voor mij?"
"Moet ik 't hebben voor Markus, mijn man, of voor den Edelen Heer
Raad van Justitie?" vroeg Digna glimlachend. "De eene mag
toch op de uitspraken van den ander geen invloed uitoefenen."
"Ik heb hem afzonderlijk ondervraagd; hij zag mij aan met gloeiende
oogen, fonkelend van haat; ongetwijfeld verfoeit hij in mij een mededinger.
Helaas! . . . . Op al mijn vragen verwaardigde hij zich niet te antwoorden.
Toen ik hem eindelijk rechtaf vroeg: "Ge zijt op Voornelust geweest?"
zag hij mij bedremmeld aan. "Wie heeft u dat gezegd?" "Degene,
die met u gesproken heeft!" Toen boog hij 't hoofd en sprak:
"Ik mocht het niet openbaren, maar nu zij zelf de goedheid heeft
gehad het te zeggen, heb ik geen reden meer, het te ontkennen."
"Het toeval wilde, dat juist gisteravond de dief, een arme Ambonnees,
op heeterdaad betrapt werd; zoo ontbrak er dus niets ,aan de zegepraal
van zijn onschuld. Ik hoop echter, dat de toekomstige bezoeken van dien
gezel op Voornelust minder geheimzinnig mogen geschieden. Er mochten
eens meer geschillen ontstaan tusschen Markus, den echtgenoot van mejuffrouw
Tak en den den Edelen Heer Raad van Justitie Voorneman."
[73:]
Digna voelde zich
diep gekwetst door den bijtenden spot zijner woorden; toen ze echter
een blik sloeg op zijn verwrongen en bleek gelaat, stemde dit haar weer
tot medelijden.
"Wees gerust, Markus!" sprak zij. "Robert zal geen voet
meer plaatsen op uw erf; hij zal er niet meer binnendringen, en mocht
dat toch zijn en hij mij overvallen, ik zal geen woord met hem meer
wisselen en hem weg laten leiden door de slaven. Wat ik hem te zeggen
had, heb ik hem gezegd en gij weet het evengoed als hij en ik. Onze
wegen zijn voor goed gescheiden na dit laatste onderhoud!"
Maar Digna vermoedde niet hoe de lastertongen aan het werk gingen over
het geheimzinnige feit.
"Weet ge, wie de dief was op het erf van den heer Donker?"
vroeg mevrouw Dammers aan wie 't maar hooren wilde, "'t is een
vreemde geschiedenis. De heer Voorneman heeft hem in persoon ondervraagd
en dadelijk zijn invrijheidstelling bevolen."
"Maar de ware dief is toch gegrepen!"
"Dwaasheid! De heer Voorneman is op denzelfden avond ziek geworden.
Wie zal zeggen waarom! De goede man is zwak, elke ontroering kan hem
schaden, dat weten wij allen. De vogel is ontsnapt, maar toen dadelijk
weer gevangen op Zorgvrij; hij was onschuldig aan den diefstal, dat
is zeker, maar weigerde alle inlichtingen te geven waar hij geweest
kon zijn. De Raad van Justitie sleepte zich toen naar het Raadhuis;
ach, ik heb zoo met den armen man te doen. Hij ondervroeg den beschuldigde
in het geheim, en zie, plotseling was de dief gevat en de onschuld van
den gevangene daghelder bewezen. Zoek nu een verband tusschen die feiten,
maar ik zeg altijd: Vertrouw voor den drommel die vrome zusjes met haar
uitgestreken gezichtjes en gladde tongen niet!"
En als zette het krachtige woord geen nadruk genoeg aan de rede bij,
wuifde mevrouw Dammers met
[74:]
onstuimige kracht
haar waaier op-en-neder en zag triomfantelijk rond.
"Maar hoe is 't mogelijk, zij is zoo mooi en hij een soldaat!"
"Gelukkig; dat hij soldaat is en op krijgstocht moet. Let op mijn
woorden! Hij zal spoedig vertrekken. Maar mooi is zij volstrekt niet,
haar neus is veel te klein en wat heeft ze flauwe oogen en ook op haar
ooren valt iets te zeggen."
De profetie van mevrouw Dammers over den aanstaanden oorlog kwam letterlijk
uit; den 4den Juli 1705 vertrok de ordinaris Raad van Indië Herman
de Wilde van Batavia.
Hij was als veldoverste benoemd over het leger, dat uitgezonden werd,
eerst om den door de Compagnie niet erkenden keizer Soenan Mas uit zijn
rijk te verdrijven en in zijn plaats desnoods met geweld den Soesoehoenan
Pakoe Boewana op den troon van zijn overleden vader en broeder te Karta-Soera
te bevestigen; in zijn lastbrief was hem opgedragen den Adipati Anoem
- zoo werd de niet erkende keizer nog genoemd - te dagen tot onderwerping
binnen een termijn van veertien dagen, maar na verloop van deze tijdruimte
hem onmiddellijk aan te tasten en zoo mogelijk zich van hem meester
te maken.
Zoodra Pakoe Boewana den troon, hem toebedeeld door den steun der Hollandsche
wapens, zou hebben beklommen, moest het De Wilde's eerste werk zijn,
het nieuwe tractaat tusschen hem en de Compagnie te sluiten. Was dit
alles ten einde gebracht en had alzoo de macht der Compagnie een geduchte
versterking bekomen in het hart van Java, dan eerst kon men er aan denken
den geduchten vijand der Europeanen, den slavenvorst Soerapati, te bestrijden.
De Raad van Indle achtte het nog met noodig, hier aangaade iets stelligs
te beslissen, maar De Wilde's plan stond vast; wat hij nu ging ondernemen,
was slechts een voorbereiding om het doel zijns levens te volbren
[75:]
gen en op Soerapati
zijn verloren levensgeluk te wreken.
De Gouverneur-Generaal had eindelijk, hoewel eenigszins schoorvoetend,
besloten, de hulp, hem in het geheim door Soerapati aangeboden, te weigeren,
en de drie afgezanten van den rooverkoning niet meer naar hun land te
doen terugkeeren. Alzoo zou niets Soerapati verraden, hetgeen tusschen
de Hooge Regeering en hen besproken was.
De gevangenissen van de Compagnie waren duister en diep; niemand behoefde
meer iets van hen te hooren. Wilde Soerapati de onderhandelingen opnieuw
aanknoopen, niets kon hem beletten te gelooven dat de vorige gezanten
op den langen en gevaarvollen weg omgekomen waren; aandringen dat de
verkleede Chineezen hem uitgeleverd werden, zou hem moeilijk vallen,
daar er geen bewijs voorhanden was van hun zending.
Zoo bleef diep geheim deze onderhandelingen omhullen en de Compagnie
was vrij om nog altijd naar goedvinden te handelen. Het was De Wilde,
die deze gedragslijn aan den Opperlandvoogd had aangeraden; hij drong
er zelfs op aan, dat men zich nog op meer afdoende wijze van het drietal
zou ontdoen; wilde men hun leven sparen, welnu, er gingen zoovele schepen
onder zeil naar Ceylon of naar de verafgelegen Molukken; wie zou het
vreemd vinden als drie Chineezen daarop werden vervoerd?
De Gouverneur nam echter geen beslissing; hij liet De Wilde aan het
hoofd van zijn gewapende macht vertrekken. Deze bestond uit vier schepen,
1833 Europeesche en 2016 inlandsche soldaten met de noodige artillerie.
Op den morgen na 't vertrek der troepen kwam de heer Voorneman naar
zijn vrouwen zeide haar:
"De oorlog zal weldra beginnen, Digna, de soldaten zijn vertrokken."
"Ik weet het," antwoordde zij rustig. "Moge God
[76:]
hun wapenen zegenen
en het recht laten zegevieren."
"Hoopt ge, dat h ij terugkomt?"
"Mag men iemands dood wenschen, Markus? En toch is een eervolle
dood op het slagveld het beste wat ik voor menigeen hopen kan."
"Om zijn nagedachtenis vrij te kunnen vereeren?"
Digna zeide niets meer; zij gevoelde het nu maar al te goed, dat de
kalmte en rust uit haar leven verdwenen waren. Markus' zwakke gezondheidstoestand
en de prikkeling zijner jaloezie maakten hem hoe langer hoe lastiger
voor zijn vrouw. Hij bespiedde al hare woorden en blikken; haar zachtzinnigheid
wond hem nog meer op, haar geduld tergde hem; nooit was haar iets te
veel, of te moeilijk, hij erkende het, en toch kon hij zich niet beheerschen.
Met kracht en moed trachtte zij haar nieuwe taak op zich te nemen en
daarin de beste afleiding te vinden voor haar eigen gedachten.