VI.
WEDERZIEN.
Op den avond van dien dag zat Digna in de galerij op de rivier, met een boek in de hand, waarin zij echter niet las. Hoeveel moeite zij ook deed, het was haar niet mogelijk hare gedachten te beletten haar eigen weg te volgen; met tergende hardnekkig
[55:]
heid keerden zij
telkens naar een punt terug, naar het verledene, dat zij voor goed dood
en begraven achtte, en dat zich nu plotseling weer levend en krachtig
aan haar geest opdrong.
Vergeefs trachtte zij zich te verstrooien door gedachten aan haar huishouding,
aan haar man, aan den kleinen Albert, aan den naderenden oorlog; hoe
zij ook moeite deed, altijd en altijd wendden zij zich weer tot Robert.
Het was Robert, die nu eens als een ondoorgrondelijk raadsel voor haar
stond, dan weer haar dreigde met zijne gloeiende oogen, of zich oploste
in een nevelbeeld.
Zou het gezicht van dien avond bij het dansende licht der fakkels, en
het zilveren schijnsel der maan dan slechts een vizioen geweest zijn!
O, mocht het zoo wezen! maar dan drukte zij de hand op het hart en huiverde;
kon het zijn, dat dit hart blijde en vroolijk klopte, alleen bij de
gedachte, dat de vriend harer jeugd in haar nabij beid vertoefde? Zij
dacht zich terug in Amsterdam en doorleefde weer die uren vol onuitsprekelijk
geluk, als zij met hem door den tuin van Amstelvreugd wandelde, en hij
haar nu eens om vergeving bad, wanneer hij iets misdreven had, of haar
verzekerde, dat zij zijn goede engel, de vreugde en het geluk, de hoop
en steun van zijn leven was. Hoe konden zijn oogen dan vol teederen
gloed op haar rusten, die herinnering alleen deed haar beven van een
gevoel vol zaligheid en geluk!
En zij was getrouwd en zij kon nog aan zulke herinneringen met genot
denken; o schande! Wat was zij diep gevallen en weer nam zij het boek
op, de Zee- en landreizen van Nieuwhoff, die twintig jaar geleden Java
bezocht had; zij vond er kort te voren genoegen in, zijn opmerkingen
met de werkelijkheid te vergelijken, waarom vond zij ze thans zoo onbeduidend
en onbelangrijk?
Zij was alleen t'huis; haar man moest een feest
[56:]
bijwonen, Albert
was nog niet terug, zij had er spijt van PetronelIa van Hoorn niet te
hebben meegenomen; haar niet veelbeteekenend gepraat zou misschien afleiding
tegen dien folterenden gedachtenstrijd kunnen schenken, en tegelijkertijd
betrapte zij zich op een gewaarwording van blijdschap, omdat zij alleen
was, omdat zij de pijniging niet behoefde te doorstaan van een gedwongen
luisteren naar nietige gesprekken, omdat zij nu zwijgen kon en denken.
Denken, neen, juist dat mocht zij niet en het was 't eenige, wat haar
verlichtte en tevens kwelde, want er waren twee personen in Digna's
ziel, de eene die slechts aan het verledene dacht en de dagen van voorheen
opnieuw doorleefde, de andere, die een strijd op leven en dood aan deze
herinneringen gezworen had.
Afgemat leunde zij achterover met gesloten oogen, de fijne handen hielden
het boek, dat op haar schoot rustte, nog slechts eventjes vast; haar
lippen bewogen zich zachtkens, schier onmerkbaar.
"Mijn God, sta me bij! Help mij, mijn gedachten te overwinnen,
de strijd is zoo zwaar, ik wil Markus' trouwe gemalin zijn in woord
en daad, niet alleen, maar ook in gedachten. Geef mij de kracht om den
band te verbreken, die mij nog hecht aan het verledene."
"Digna," zeide een gedempte, half fluisterende stem.
Met een hevigen schok rees de jonge vrouw overeind, haar oogen zagen
ontzet voor zich uit, waar zij een welbekende gedaante ontwaarden; Robert
had de soldatenkleeding der Compagnie aan, doch scheen netter en ordelijker
dan den laatsten keer.
"Herkent gij mij nog?" vroeg hij en sloeg zijn oogen neer.
"Ge hebt niet goed gedaan, hier te komen, Robert," antwoordde
zij, "ge weet, dat ik getrouwd ben en het verledene voor mij niet
meer bestaat."
[57:]
"Dat hadt
ge niet noodig mij te herinneren, mevrouw! Ik weet, welke breede klove
de vrouw van den hoofdambtenaar der Justitie scheidt van den gemeen
soldaat, wiens naam zij zich echter nog verwaardigt te gedenken."
"Wat komt ge hier doen?" vroeg zij bevend en een steun zoekend
bij de tafel.
"Vraagt ge dat nog? U zien, uw stem hooren, genieten van uw schoonheid,
uw hoogen rang, om mij zelf daarna nog meer te beklagen, of te verachten,
ik weet niet, wat ik meer verdien."
"Verachting dankt ge aan uw eigen werk; beklag hebt gij vrijwillig
van u gestooten, als gij bekent verachting te verdienen."
"Weet gij alles, dat ge zoo durft spreken?"
"Ik weet veel, en 't was niet door u, dat ik het te weten kwam,
zooals het mijn recht was."
"Uw recht?"
"Ja, uw verloofde had recht te weten, waarom zij door u verlaten
werd."
"Wat. . . . u verlaten. . .. "
"Ja, gij hebt mij verlaten, mij-, die nog deel nam in uw smart,
nadat ik van vreemden moest hooren welke slag u getroffen had; gij hebt
mij geen gelegenheid gegeven u te troosten en te. . . . "
"Doen hopen, wilt ge dat zeggen, Digna?"
"Laat ons zwijgen over 't geen had kunnen zijn, Robert. Nu is alles
voorbij; we hebben beiden onzen weg gekozen, niets anders blijft ons
over dan dien te volgen, waar God hem ook voeren mag. Wij zijn dood
voor elkander, gij hebt het gewild, niet ik!"
"O Digna, maak mij niet nog rampzaliger!"
Hij greep haar hand, zij trok die terug met een beweging vol schrik
en zeide:
"Nader mij niet, vergeet geen oogenblik, welke afgrond ons scheidt;
op die voorwaarde zal ik u aanhooren, anders roep ik mijn slaven, om
u te doen verwijderen."
[58:]
"O God, is
't dan zoover met mij gekomen!" en hij wierp zich op een der stoelen
neer en liet het hoofd vol wanhoop op de tafel vallen, "weggejaagd
door u als een dief, een landlooper, een hond! Wie had het mij voorspeld,
toen we elkander 't laatst, zagen en we reeds bijna onzen trouwdag hadden
bepaald."
Digna vouwde haar handen op de borst; zij voelde zich beschaamd over
haar schoonheid, haar welvaart, haar stand in de maatschappij, misschien
zelfs over haar vlekkelooze deugd, tegenover het arme schepsel, dat
op zijn nog zoo jeugdig gelaat reeds het merkteeken droeg van hevige
hartstochten, van zonde en schuld. Toch bleef zij nog zwijgen, geen
woord van medelijden ontsnapte aan haar mond en hij hernam:
"Gij weet niet in welke hel ik leef, Digna, en nog minder kunt
gij vermoeden welke hel ik in mij zelf omdraag! Ja, ik heb u verlaten
zonder een woord, zonder een groet, maar was dat mijn plicht niet, toen
ik wist, dat ik niet meer de wettige zoon en erfgenaam mijns vaders
was, maar een verstooteling zonder naam en zonder geld, moest ik toen
niet de breedte der aarde stellen tusschen mij en het meisje, dat mij
trouw had beloofd? Zij zou spoedig genoeg weten, wat mij van haar scheidde,
en zoo laag was ik niet, om nog aanspraak te durven maken op iets wat
haar toebehoorde. Robert van Reijn, was niet meer; de andere Robert
mocht den voetzool van Digna Tak met meer aanraken, dat alleen bleef
me helder, na dien ontzettenden nacht, welken ik misschien nog besloot
door een moord."
"Dat ten minste is u bespaard," zeide Digna en een schaduw
van een glimlach gleed over haar lippen. "Niets heeft geleden door
den slag, dien gij neef Hendrik toebracht, dan alleen zijn neusbeen,
dat gebroken is en hem niet verfraait. Maar denkt
[59:]
ge dan niet, Robert,
aan hetgeen ik lijden moest, toen uw schijnheilige oom . . . ."
"Hij is het niet meer, of liever, hij was het nooit."
"Toen Heer Gerard van Reijn en zijn gezin de laagste beschuldigingen
tegen u opstapelden en mijn stiefvader raadden God te danken, dat ik
bijtijds gered was van een huwelijk met u?"
"En gij zelf, Digna, hebt gij ook den Heere gedankt, dat Hij dien
slag heeft afgewend?"
"Ik heb Hem gebeden voor den armen zwerver."
Zij voegde er niet bij, hoeveel bittere tranen zij gestort had, om het
te betreuren, dat zij niet reeds zijn gade was, die het recht en den
plicht had, haar rijkdom met hem te deelen en hem te vergezellen, als
zijn trouwe gezellin.
"Ge hebt dus niet met toorn. en afkeer aan mij gedacht, ge hebt
u dus niet geschaamd, dat gij, zonder het te weten, een armen bastaard
hadt bemind?"
"Ik schaam mij voor niets, waarin geen kwaad schuilt."
"En weet uw man alles?. . ."
"Ik heb het hem gezegd!"
"Zijt ge gelukkig?"
"Ik vervul mijn plicht."
"Ik vraag of gij gelukkig zijt."
"Kan er geluk bestaan, anders dan in plichtsvervulling?"
"Plichtsvervulling, ik haat niets meer dan plicht!"
"Daarom zijt ge zoo ongelukkig, Robert! Gij doet alles om u van
bet verledene los te rukken, maar eerst moet ge daarmee afrekenen; meent
ge, dat ik niet bitter en bitter geleden heb, vóór dat
ik er toe komen kon een ander lot te kiezen, dan dat waarin ik jaren
lang mijn eenig geluk zag?"
"Weet ge dat nog en gij schaamt er u niet voor?"
"Mij schamen voor mijn reine, heilige liefde? Hoe
[60:]
kunt ge dat vragen,
Robert? Gij immers hebt mij verlaten!"
"Zeg dat woord niet meer, Digna, ik u verlaten, hoe zou ik durven?"
"Gij hebt getwijfeld aan mijn liefde, aan mijn trouw, gij hebt
gemeend, dat ik den rijken koopmans zoon van Reijn liefhad, en ik beminde
slechts Robert. Toen de slag u trof, was 't bij mij, dat gij 't eerst
had moeten komen, om mij te laten beslissen over onze toekomst."
"O God, uw liefde had mij kunnen redden en ik gaf ze prijs, daarom
viel ik in den afgrond."
"Die liefde kan, mag ik u thans niet meer geven, Robert. Zonde
is het bijna haar te noemen, maar ik mag u vrij iets anders schenken,
zoo ge er prijs op stelt."
"En wat is dat dan, Digna, alles wat van u komt, is mij zooveel,
zoo oneindig veel waard."
"Mijn achting, Robert."
Hij wendde het gelaat af en lachte bitter.
"Achting, wat is achting, als ge wist, hoe men leeft, daar waar
ik thans ben, als ge wist, hoe ik gezworven heb, vóór
dat ellendige zielverkoopers en ronselaars mij hierheen sleepten, als
ge wist. . . . "
"Ik wil niets weten, Robert! Niets. Ik weet alleen, dat er geen
misdaad is, zoo groot en afschuwelijk, of God zal ons die vergeven,
zoo wij ons berouwvol aan Zijn voeten werpen. Wilt ge dat doen, Robert!"
"God heeft mij verstooten, zooals mijn vader. . . ."
"Dat is booze lastering. Ik wil die niet meer hooren!" haar
stem klonk weer zoovast en beslist gelijk voorheen, toen zij den wilden,
ontembaren knaap door een gebaar, een woord bedwingen kon, "beloof
mij, dat ge uw hart voor God zult vernederen en van Hem dagelijks de
kracht afbidden om uw booze hartstochten te overwinnen."
"Het zal niet baten," zuchtte hij.
[61:]
"Hebt he het
dan reeds gedaan? Verder moet ge uw plicht doen; geen zonde, geen overtreding
van Gods wet moogt ge meer bedrijven. Ik verbied het u! Weldra breekt
de oorlog aan, ge zult moeten strijden voor de eer der Hollandsche vlag,
gij zult de macht van ons vaderland doen kennen aan de bewoners van
Java, gij zult hen leeren, hoe wij streng kunnen zijn, maar ook rechtvaardig.
Een heerlijke taak wacht u, Robert! Veel kunt ge goed maken door dapperheid
en trouw; verwerp die gelegenheid niet, richt u op uit uw ellendigen
toestand, wie weet hoeveel roem en geluk u nog wachten, terwijl anders
niets meer u dreigt dan een vroege dood ol oneer en schande!"
"O Digna, kon ik dagelijks uw stem hooren!"
"Robert, vertrek! De avond valt, 't is misschien voor het laatst,
dat we elkander gezien hebben. Laat ons nu terugkeeren naar onzen plicht,
het eenige dat ons overblijft uit de schipbreuk van ons geluk. Wij hebben
zelf dien plicht gekozen."
"Ik moet mij toewijden aan mijn echtgenoot en zijn kind. Gij hebt
het vaderland!"
"Wat deert mij het vaderland? Zijn deze bruine mannen, de landgenooten
mijns vaders, niet veel meer mijn broeders dan de blanke Hollanders?
Wat belet mij, gemeene zaak met hen te maken?"
"Uw plicht en uw eed, Robert; ik zal de taak opgeven, die gij uitvoeren
moet, om mijn achting te herwinnen. Daar in het oosten van Java regeert
een overweldiger, een tiran, hij is het, die mijn edelen vader den dood
gaf; hij is het, die onze macht over Java tegenwerkt; hij was eenmaal
een slaaf, door een samenloop van raadselachtige omstandigheden heeft
hij het tot vorst kunnen brengen. De Compagnie zal hem een oorlog op
leven en dood Iaandoen, zijn gezag uitroeien. Nooit was een krijg rechtvaardiger.
Onderscheid u in dien strijd, kom terug als een held, met het bewustzijn,
den dood
[62:]
mijns vaders te
hebben gewroken op zijn moordenaar, op den verdrukker van het javaansche
volk, op den slaaf-koning"
De zachte, teedere Digna was nu een heldin, zoo fonkelden haar oogen,
zoo trilde haar stem van vervoering; zij voelde zich weer meesteres
van zichzelf, zij had vrede gesloten met haar eigen hart.
"Ik zal u gehoorzamen, Digna," antwoordde hij ootmoedig, "mag
ik uw hand kussen?"
"Nog niet, als gij, teruggekeerd uit den oorlog, een ander mensch
geworden zijt."
"Zoo ik val, Digna, zult ge dan in vriendschap en vrede aan mij
denken?"
"Ik zal overtuigd zijn, dat gij gevallen zijt als een man, die
mijn achting en bewondering verdient."
"En zult gij voor mij bidden, dat moogt gij toch!"
"Ik beloof het u, en nu vaarwel! Moed en vertrouwen, Robert!"
Een slavin kwam hard uit het huis aangeloopen. "Mevrouw, de Edele
Heer is ziek in een draagstoel t'huis gekomen."
Zonder nog meer naar den soldaat om te zien, vloog Digna heen, naar
huis toe, en zoo bemerkte zij niet, hoe Robert zich langs den weg, dien
hij gekomen was, door de bedding van de rivier, verwijderde.
Hij kroop tusschen de struiken voort, totdat hij aan een brug kwam,
die over het water lag en toegang verleende tot een ander landgoed.
Nergens was een spoor van leven te zien en hij wist waar het poortje
lag, dat naar buiten voerde; in den donker meende hij het te kunnen
vinden, maar tot zijn schrik vond hij het gesloten; hij rammelde er
aan en waarschijnlijk waren zijn krachtige vingers er in geslaagd het
slot open te rukken, toen plotseling twee mannen van achter het struikgewas
op hem toeschoten en hem ter aarde wierpen.
[63:]
"Nu hebben
wij den dief!" zei de één hunner, wiens eigenaardige
uitspraak van het Maleisch den Chinees verried, "ik dacht wel,
dat het zoo'n ellendige soldaat zou wezen. Pak hem beet, koelie, wij
zullen hem vanavond nog naar het wachthuis overbrengen. Reeds lang genoeg
bleef hij straffeloos, die schurk!"
Robert verdedigde zich als een wanhopige; met zijn mannenkracht wierp
hij de tengere gestalte van den Chinees van zich af, en worstelde nu
met den Javaan, dien hij ook weldra onder den voet kreeg, doch de Chinees
liet een scherp gefluit hooren en onmiddellijk stormden een tiental
mannen op den enkele aan, die zich zoo woedend verdedigde.
Zij wierpen hem ter aarde, knevelden hem vast en ondanks zijn vurige
verzekeringen van onschuld voerden zij hem weg, van het erf naar de
stad.
Intusschen was Digna hevig verschrikt naar huis gesneld, en vond haar
man bleek en met gesloten oogen op een rustbank liggen; toen zij binnenkwam
sloeg hij den blik naar haat toe en strekte haar glimlachend de hand
toe.
"'t Is niets, een aanval van mijn kwaal, meer niet," sprak
hij "'t is nu al veel beter, maar ik vond het voorzichtiger mij
naar huis te laten dragen dan te rijden; met een weinig rust zal ik
wel spoedig Weer mij zelf zijn. Maak u niet ongerust, beste Digna, 't
heeft niets te beduiden."
Inderdaad was de aanval niet ernstig. Digna beproefde alles, om hem
eenige verlichting te schenken, wat hij echter boven alles noodig had,
was rust.
"Ik was van plan hem mijn ontmoeting te verhalen met Robert,"
dacht Digna, "maar het zoude hem thans te veel schokken. Ik zal
wachten, tot hij beter is, maar dan beken ik hem ook alles."
Zij voelde zich dezen avond wonder licht te moede; de strijd in haar
ziel was geëindigd; zij wist thans,
[64:]
dat zij zelf ook
de kracht zou bezitten, haar plicht te doen, nu zij den vriend harer
jeugd in zijn eigen oogen had kunnen opheffen en hem den weg gewezen
had naar zijn zedelijke opheffing.
Zij was er zoo van overtuigd haar plicht gedaan te hebben, dat zij niet
vreesde Markus alles te bekennen; slechts de gedachte aan zijn ziekelijken
toestand hield haar terug.
"'t Spijt me, de bekentenis zou mij nu zoo licht gevallen zijn,"
zeide zij in zichzelf. Drukke bezigheden lieten haar weinig tijd tot
nadenken op dezen avond. Niet alleen dat zij haar man te verzorgen had,
ook Albert kwam t'huis; zij moest het opgewonden verhaal hooren van
zijn genoten pret, het knaapje ontkleeden en te bed brengen.
Toen zij eindelijk zich ter ruste legde na zich overtuigd te hebben,
dat Markus nu ook kalm en zonder pijn was ingeslapen, stelde zij zich
met blijdschap voor, hoe ook Robert nu meer verzoend met zichzelf zou
rusten en de beste voornemens voor de toekomst maakte. Zij vermoedde
niet, hoe haar vriend, in een der ellendige hokken onder het Bataviasche
Raadhuis opgesloten, zijn treurig noodlot vervloekte en slechts met
een verwensching op de lippen en woede in het hart aan het voorgevallene
van den middag terug kon denken, waarvan de herinnering haar met zooveel
zoete kalmte en zelfvoldoening vervulde.