V.
JOHAN VAN HOORN.
Wanneer men de zes
treden opgaat, van het bordes, dat zich vóór het zoogenaamde
paleis van den Opperlandvoogd bevindt, komt men voor de met groote spijkerkoppen
voorziene poort te staan, waarin twee nissen de beelden van een musketier
en piekenier de wacht houden.
Boven deze poort is het gewone merk der Vereenigde Oost-Indische Compagnie
aangebracht een ineengeslingerde V. O. C. omringd door den naam van
den bouwmeester Cornelis van der Lijn en het
[43:]
jaartal MDCXLVII.
Treedt men deze poort binnen dan komt men in een groote zaal waarvan
de wanden met pieken en musketten behangen zijn, en trotsch de vaandels,
op den vijand veroverd, ten toon stellen. De meubels zijn anders niet
overvloedig, een tafel, een stoel, eenige banken, en een staande klok,
het eenige openbare uurwerk der stad, dat er op ingericht is de uren
ook naar buiten aan te wijzen; op de banken neemt 's avonds de bezetting
van het kasteel plaats als de predikant het gebed doet.
Recht tegenover den ingang bij een groote deur houden twee levende hellebaardiers
de wacht; deze deur geeft toegang tot een reeks van galerijen en open
plaatsen, en tot de vergaderzaal der Raden van Indië, waarin de
portretten hangen van alle Opperhoofden, die over Ned.-Indië geheerscht
hebben.
Rechts van de groote voorzaal bevindt zich het kabinet van den Gouverneur-Generaal,
waarin hij, hoewel het nog vrij vroeg in den morgen is, zich reeds ingespannen
met schrijven bezighoudt.
Johan van Hoorn was thans in zijn 53ste jaar en voor iemand, die zijn
geheele leven bijna in Indië had doorgebracht en wiens lokken geheel
vergrijsd waren, nog zeer goed van uitzicht; zijn magere gestalte scheen
langer dan zij inderdaad was, hoewel hij in de laatste jaren door het
voorover zitten een weinig gebogen liep; een vriendelijke uitdrukking
lag op zijn gelaat. Meestal begroette hij ieder die hem bezocht met
een vroolijken lach, en inderdaad, hij had wel reden te lachen, het
zware ambt van Gouverneur-Generaal viel hem licht; hij had geen tegenstand
van den Raad van Indië te vreezen, zooals zijn voorganger, de heer
Camphuys; hij had een jonge, mooie vrouw, een lieve dochter en was bezig
zich een ontzaglijk vermogen bijeen te verzamelen, op welke wijze, hierover
laten de geschiedschrijverd van dien tijd zich niet uit; alleen stippen
zij aan dat Zijn Edelheid de Heer Opperlandvoogd altijd
[44:]
veel zaken deed
met de Chineezen en hen zelfs een voorkeur toonde, die de Hollanders
vaak afgunstig stemde.
Op dezen Juni-morgen van het jaar 1705 had de gewone vroolijke uitdrukking
van zijn Edelheid's gelaat plaats gemaakt voor een meer ernstige; hij
doorlas verscheidene stukken, maakte eenige aanteekeningen, raadpleegde
een groote kaart van Java, stond toen op, en ging de kamer eenige malen
op en neer.
"Ik weet niet hoe de Raad van Zeventienen er over oordeelen zal,
maar een oorlog is onvermijdelijk," mompelde hij binnensmonds,
"wij kunnen nooit schooner gelegenheid hebben om binnen Java vasten
voet te verkrijgen. Als wij Soenan Mas ondersteunen dan zal Poeger er
zich niet bij neerleggen en zij zullen met hem toch den strijd beginnen.
De vraag is nu alleen: hoe dient onze houding te zijn tegenover Soerapati?
Moeten wij de vriendschap, of de vijandschap zoeken van dien gedrosten
slaaf?"
Hij bracht zijn gouden schel in beweging en toen de hellebaardier aan
de deur verscheen, beval hij hem:
"Breng den Chinees, die daar buiten wacht, hier binnen!"
"Hier binnen Uw Edelheid?"
"Dat zeide ik immers."
Weinige oogenblikken later kwam een zeer bejaarde Chinees, in eenvoudige,
niet opvallende, maar toch deftige kleeding binnen en boog zich ter
aarde voor den Gebieder.
"'t Is goed, Babah!" sprak de gouverneur, die op zijn hoogen
leuningstoel gezeten was, "ik heb gehoord, dat gij in den oosthoek
van Java geweest zijt en daar Radhen Wiro Negoro gezien en gesproken
hebt."
"De groote Heer spreekt zeer juist; ik kom van Pasaroean en heb
daar den dalem bezocht van
[45:]
dien prins en hem
zelfs van aanschijn tot aanschijn gezien."
"Ik heb ook vernomen, dat gij met dien man gesproken hebt over
den toestand van het rijk van Mataram en dat hij toen zeer openhartig
voor zijn gevoelen uitkwam."
"'t Is waar; de groote Heer raadt ieders gedachten, Radhen Wiro
Negoro heeft mij inderdaad vele vragen gedaan over de Edele Heeren op
Batavia en over hun plannen ten opzichte van Mataram."
"Ik heb over weinig tijd te beschikken, Babah! Maak het dus kort,
wat is de bedoeling van Soerapati? Wenscht hij waarlijk zich met de
Hooge Regeering van Batavia oprecht te verzoenen, en zoo ja, wil hij
den keizer, dien wij als den wettigen erfgenaam van Hamangkoe Rat erkennen,
ook ondersteunen?"
"Ik geloof niet, dat dit in Soerapati's bedoeling ligt, groote
Heer! Reeds sedert jaren verbindt hem innige vriendschap met Adipati
Anoem, den erfgenaam der kroon, en niets zal hem kunnen bewegen de zijde
van dezen vorst te verlaten, maar 't kan zijn, dat ik mij vergis."
"Wanneer wij dus den Pangerang Poeger overleveren aan zijn neef
en dezen als keizer op zijn troon bevestigen, dan zoekt Soerapati ons
bondgenootschap?"
"Dat hebben zijn eigen lippen aan uw dienaar niet verklaard, hij
sprak slechts van vriendschap en verzoening met de Hollanders."
"Ik geloof zijn woorden niet, hij is trouweloos en valsch, hij
haat de Edele Compagnie, dat weet ik!"
"Zou de groote Heer zich daarin niet vergissen? Radhen Wiro Negoro
wenscht niets liever dan vrede te sluiten met de Hollanders en in vriendschap
met hen Java te regeeren."
De Gouverneur-Generaal dacht na.
[46:]
"Is dat zijn
geheime bedoeling? De Matarams uitroeien, zelf keizer worden en ons
daartoe gebruiken. Inderdaad die slaaf durft veel."
En hardop zeide hij:
"'t Is zonderling, dat hij u, een Chinees, tot vertrouwde maakte
van zijn geheimste gedachten."
Een sluwen blik wierp de andere tersluiks naar den Oppergebieder.
"Kent de groote Heer zoo weinig de Chineezen, dat hij niet ontdekt,
hoe slechts mijn gewaad en hoofdversiering Chineesch is?"
Van Hoorn glimlachte even bij de gedachte, hoe vaak men hem juist van
zijn voorliefde tot de Chineezen een verwijt maakte.
"Wie zijt ge dan?"
"De afgezant van een vorst is toch héiligl Ik ben Soerapati's
pleegvader, eenmaal zijn medeslaaf, ik heb hem vergezeld bij zijn vlucht
uit Batavia, ik was naast hem, toen hij zich aan kapitein Ruys onderwierp,
ik stond aan zijn zijde toen vaandrig Kuffeler hem uittartte en tot
verzet prikkelde. Ik heb hem vergezeld naar Karta Soera en verder naar
Pasaroean."
"Hoe, ge waart in Karta Soera, toen mijn zwager, de Edele Heer
Tak lafhartig vermoord werd en durft gij u bij mij beroepen op uw hoedanigheid
als afgezant?"
"Heer, zoo 't u behaagt mijn leven te nemen, er is weinig aan verloren.
Ik ga gebukt onder den last der jaren; alleen door twee jonge mannen
vergezeld, die Soerapati's zorg mij terzijde stelde, heb ik de groote
reis van Java's Oosthoek ondernomen. Als het de wil is van den grooten
Heer, dan zal ik sterven, blijde een laatsten dienst aan mijn zoon te
hebben bewezen en overtuigd, dat hij mijn dood niet ongewroken zal laten."
De kalme toon van den grijsaard bleef op van Hoorn niet zonder uitwerking.
Men moest weten,
[47:]
hoeveel belangstelling
het geheimzinnige rijk van den voormaligen slaaf, in alle Bataviasche
kringen opwekte, om de nieuwsgierigheid te begrijpen, waarmede van Hoorn
den afgezant aanhoorde; hij ook brandde van verlangen om iets naders
van den geduchten vijand der Compagnie te ervaren.
"Zeg mij eens," zoo ging hij voort, "hoe is Soerapati
zoo hoog gestegen? Door welke middelen is hij in 't bezit gekomen van
zoovele landen, die den keizer van Mataram behooren en welke deze er
niet aan denkt hem te betwisten?"
"Het stond geschreven in het boek van Allah, dat hij eens groot
en machtig zou worden en tegen den wil des Hemels baten geen menschelijke
middelen."
"Maar is het waar, dat de overleden keizer van Mataram hem genegen
was en steeds in briefwisseling met hem bleef?"
"Daar zijn geheimen, die men zelfs zijn vader niet openbaart."
"Doch zijn betrekkingen met Soenan Mas zijn toch geen geheim. Is
het alleen om dezen prins bij te staan, dat Soerapati ons hulp belooft?"
Een verachtelijke lach vertrok even de trekken van den ouden man, toen
hij ten antwoord gaf:
"Wat is Radhen Wiro Negoro Soenan Mas, wat is hem Pakoe-Boewana?
Aan het bondgenootschap met de Hollanders alleen is hem veel gelegen.
Aan de vriendschap der Javaansche prinsen niets! Waarom zou de Edele
Compagnie zijn hulp versmaden? Omdat hij eenmaal slaaf is geweest? Was
de stamvader der Mataramsche vorsten dan geen straatroover? En al werd
Soerapati ook eenmaal in slavernij weggevoerd uit zijn vaderland, hij
is toch van edelen bloede."
"Ge kunt gaan; zoo ik nadere inlichtingen van u vernemen wil, zal
ik u laten roepen!"
De grijsaard wierp zich ter aarde en de handen boven zijn hoofd uitstrekkend,
bood hij den Opper
[48:]
landvoogd een diamanten
ring van groote waarde aan.
"Dit kleinood zendt mijn meester aan de Njonja Besaar als een blijk
van zijn oprechte en vriendschappelijke gezindheid," sprak hij.
De Gouverneur-Generaal had zich intnsschen omgewend en veinsde niets
te zien of te hooren.
De andere legde het juweel op de schrijftafel neer en verwijderde zich
al kruipend naar de deur.
Juist trad de hellebaardier aan de poort en kondigde aan:
"Den Edelen Heer Ordinaris Raad van Indië, de Wilde."
"Dat Zijn Edelheid binnenkome en laat dezen man uit! Men volge
zijn wegen en verlieze hem niet uit het oog!" zeide hij in het
Hollandsch, vast overtuigd, dat de Inlander hem met verstaan zou.
Hij had nog juist den tijd, eenige papieren over den kostbaren steen
te werpen, dien Kiai Hemboong hem gebracht had, toen de stoere gestalte
van Herman de Wilde voor hem verscheen.
Deze Raad van Indië was nog in de kracht van zijn leven; hij had
scherpe, koude trekken, om zijn mond lag een uitdrukking van ingehouden,
men zou zeggen van versteend leed. Het is met de smarten van de jeugd,
als met sommige vloeistoffen, eenige verdampen en vervloeien in de lucht,
zonder eenig spoor na te laten, andere bevriezen of versteenen en de
mensch is veroordeeld hen levenslang met zich te dragen, als een last,
die zijn leven bezwaart en ternederdrukt.
Herman de Wilde had eens liefgehad met alle krachten zijner sterke ziel,
hij had te hoog opgezien tegen het meisje zijner droomen, dan dat hij
't wagen dorst haar zijn liefde te bekennen, en een slaaf, een zoon
van het vervloekte bruine ras, had zich meester gemaakt van zijn ideaal,
het besmeurd door zijn liefkoozingen en voor hem in 't slijk vertreden.
[49:]
Gloeiende haat
vervulde hem tegenover dien man. Weinigen was het bekend, dat Sie Oentoeng
en Soerapati dezelfde waren; hij bewaarde zijn geheimen in het diepste
van zijn hart. Slechts bloedige wraak kon hem verlossen van het grievende
leed, dat zijn dagen verbitterde; eerst als hij den vermetelen slaaf
gestraft had, zou hij in kalmte aan Suzanna kunnen denken, vrede sluiten
met haar nagedachtenis.
Joan van Hoorn reikte hem vriendschappelijk de hand en bood hem een
zetel aan.
"Is er iets nieuws, dat u noopt, mij zoo vroeg reeds te bezoeken?"
vroeg de Gouverneur-Generaal.
"Nieuws kan ik het niet bepaald noemen; men zegt hier met alle
stelligheid, dat Adipati Anoem zich geducht wapent, om ons te ontvangen
en dat hij zich de hulp verzekerd lieeft van den schurk, die sinds jaren
ongestraft den Oosthoek verdrukt."
"Dan weet ik nog meer! Dien schurk, zooals gij hem noemt, kunnen
wij onschadelijk maken, meer nog, wij kunnen hem tot onzen vriend en
bondgenoot verkrijgen."
De Wilde's oogen schoten vonken.
"Dat is u geen ernst, Uw Edelheid! Bondgenootschap sluiten met
een slaaf, met den verachter van ons gezag, met den moordenaar onzer
broeders? Wat voor goeds kan er voortkomen uit zulk een verbond? En
dat zegt gij, Tak's zwager!"
"Gij ziet, dat de belangen der zaak, die wij dienen, alle gevoelens
van familieliefde bij mij doen zwijgen. De vraag is echter nog steeds,
wie moeten wij als hoofdschuldige beschouwen, de Mataramsche Vorsten,
of Soerapati?"
"Hem, den ellendeling, dat is duidelijk!"
"Ge zijt vooringenomen tegen den slaaf, De Wilde! Ik voor mij geloof,
dat hij een man is, met wien te handelen valt, geen oud wijf, als die
prinsjes van Bantam, Cheribon en Mataram, willooze werktuigen in de
handen hunner rijksbestuurders. Hij weet wat hij
[50:]
wil en zoo hij
zich aan ons verbindt, dan zullen wij staat op zijn woord kunnen maken."
"Juist omdat hij een man is met een wil en een vast plan, is hij
dubbel voor ons te vreezen. Waarom was Troeno Djojo zulk een geduchte
vijand, omdat hij geen stroop op bleek te zijn als die verwijfde vorsten.
Verbind u met hem, weldra zal hij onze meester zijn, die de Compagnie
wetten voorschrijft en ons uit Java verjaagt."
De Gouverneur-Generaal dacht ernstig na.
"Ge wilt zeggen, zulke menschen is het voordeeliger tot vijand
te hebben, dan tot vriend?"
"Ja, Uw Edelheid, als vijand kan men zich van hen ontslaan. De
vriendschap echter legt verplichtingen op. Zij verblindt de oogen door
geschenken en beloften, en als deze oogen opengaan, dan is het te laat!"
"Maar als we den oorlog beginnen, zonder aan Raad van Zeventienen
te raadplegen, De Wilde, zoo laden de groote verantwoordelijkheid op
ons."
"Indien gij nog eerst naar Europa schrijven moet, geeft ge Soenan
Mas tijd zich te versterken en zich met den hoofdman van het rooverkoninkrijk
te verstaan."
"Wij zullen uitvoeren wat de Raad van Indië besluit,"
sprak de Gouverneur-Generaal, opstaande, ten bewijze, dat het onderhoud
geëindigd was.
"Houd mij ten goede, De Wilde," sprak hij, "dat ik ga
ontbijten; de staatszaken hebben mij reeds zoo vroeg in beslag genomen,
dat het waarlijk geen wonder is, zoo mijn maag er zich luide over begint
te beklagen."
Hij schoof de papieren weg en stak toen als toevallig de linkerhand,
waarin hij iets verborgen hield, in zijn borstzak. De Wilde bemerkte
die beweging niet eens, toen de Opperlandvoogd hem de rechter hand tot
afscheid reikte.
"Dus Uw Edelheid zal aan die gevaarlijke vriend
[51:]
schap niet meer
denken?" vroeg hij met gefronst voorhoofd.
"Mijn denken laat zich niet beperken, zelfs niet door den raad
van een vriend als gij zijt, De Wilde," gaf hij met zijn gewone
opgeruimde gevatheid ten antwoord, "en daarom zal ik ook uw woorden
overwegen en hen alle aandacht schenken, die ze verdienen."
Hij gaf hem een wenk, dat hij heen zou gaan; De Wilde boog en vertrok.
De hellebaardier gaf hem zijn degen terug, dien hij binnentredend had
moeten afgeven, daar niemand den Oppergebieder gewapend mocht naderen
en Van Hoorn verwijderde zich door een zijdeur naar zijn bijzondere
vertrekken.
In een open galerij, die op een bloementuin uitzicht gaf, zaten drie
dames, mevrouw Maria van Hoorn, haar stiefdochter PetronelIa Wilhelmina
en de nicht van Zijn Edelheid, de jonge mevrouw Voorneman.
"Hé, wat een verrassing! Mijn drie gratiën vereenigd!"
sprak de landvoogd Arlijde, "waaraan heb ik het genoegen te danken,
mijn lieve nicht reeds zoo vroeg in den morgen aan mijn tafel te zien?"
Er lag nog steeds een vermoeide trek op Digna's gelaat; juist hadden
de dames in stilte de opmerking gemaakt, dat ook de frischheid harer
wangen reeds den invloed van het klimaat begon te ondervinden en zij
hun zachten blos ruilden voor de mat-bleeke tint der Indo-Europeanen.
Toch was de glimlach, waarmede zij haar oom begroette, even vriendelijk
als altijd.
"Mijn man vertrok op den gewonen tijd naar zijn werk en Albert
is den geheel en dag op een kinderfeest verzocht ten huize van den heer
de Boo; ik zag er tegen op, zoo lang alleen te zijn en besloot dus voor
dezen morgen het gezelschap te zoeken van mijn geëerde tante en
mijn lieve nicht!"
"Dus het mijne niet! Ge stelt me bitter te leur,
[52:]
Digna; ik meende
dat ook mjn aanwezigheid eenige waarde voor u had!"
"Hoe zou dat kunnen?" zeide mevrouw van Hoorn, "onze
nicht wist toch reeds vooruit, dat zij van te korten duur zou zijn,
om er op te kunnen rekenen; zelfs bij ons ontbijt moesten wij dat zoo
hoog geschatte gezelschap missen."
"Hoe minder men iets geniet, op hoe hooger prijs men het placht
te stellen."
"Foei oom! Is 't daarom, dat gij het ons opzettelijk onthoudt?"
"Opzettelijk? Neen, mijn wellieve! zulk een moed zou mij ontbreken;
of meent ge niet, dat ik het bijzijn der drie schoone bloemen, die mij
omringen, noode offer aan dat van lastige bezoekers en muffe stukken
papier, maar de onverbiddelijke plicht dwingt mij, langer in hun midden
te leven, dan mij aangenaam is. Voor mijn dierbare vrouw heb ik echter
een verrassing, die ongetwijfeld ruim za; opwegen tegen het missen van
enkele minuten van mijn gezelschap!"
En haar hand in de zijne nemende, stak hij aan een harer vingers den
kostbaren ring, die hem zoo pas door Soerapati's afgezant was gebrach.
De zonnestralen braken in den steen en wierpen hun bonte stralen naar
links en rechts, tot groote bewondering der drie vrouwen. Zij verdrongen
zich om den diamant; Digna echter meer uit beleefdheid, dan omdat zij
zelf zooveel vermaal had in deze kostbare liefhebberijen.
Maria van Hoorn kuste haar echtgenoot vol dankbaarheid en Petronella's
lipje hing een weinig bij de gedachte:
"Als vader niet hertrouwd was, zou dat geschenk voor mij zijn geweest."
Niemand vroeg naar de herkomst van het schitterende juweel.
"Wel, mijn schoone Digna, op die voorwaarde mag
[53:]
ook uw gemaal zeker
wel eens te laat aan het ontbijt verschijnen," schertste Zijn Edelheid.
"Ik zou evenals mijn goede tante vergeving schenken nog vóór
mij zulk een pand der verzoening werd geboden, en denken dat, waar zelfs
mijn machtige oom voor wreede noodzakelijkheid bukt, des te eer mijn
echtgenoot zich daarmede kan verontschuldigen."
"Altijd even slagvaardig! Ge hebt gelijk, niemand minder dan de
Opperlandvoogd van Oost-Indië is de slaaf van zijn plichten, vooral
in dezen ernstigen tijd."
"Zal er oorlog komen?" vroeg mevrouw van Hoorn.
"Dat zal de Raad van Indië beslissen," was het ontwijkend
antwoord.
"Tegen Soerapati eindelijk?" en Digna's oogen schitterden.
"Wat zoudt ge er van zeggen?" was zijn lachende vraag, "als
wij met hem en niet tegen hem gingen oorlog voeren?"
"Oom, dat kan u niet meenen. De Compagnie zou en hoon niet wreken,
die haar twintig jaar geleden aangedaan werd door een slaaf; zij zou
zich met hem verbinden, terwijl het bloed mijns vaders nog steeds om
wraak roept?"
"Ik dacht, dat uw gevoelens christelijker waren, Digna," zeide
mevrouw van Hoorn verwijtend.
"Voor zoover ik weet, strijdt het niet met de plichten van een
Christen, zijn eigen eer te verdedigen en de eer der Hollandsche vlag
is jammerlijk geschonden door het bedrijf van dien moordenaar. De dood
mijns vaders gaat niet alleen mij, zijn eenige dochter, aan, maar geheel
ons vaderland. Het zou een laagheid wezen, bondgenootschap te sluiten
met den overweldiger, die zijn rijk gestolen heeft en wederrechtelijk
in bezit houdt."
"Ge vergeet, lieve nicht, dat Cesear en Alexander,
[54:]
in wie gij zulke
groote helden en veroveraars bewondert, op dezelfde wijze in het bezit
van geheele landstreken kwamen. Ik geloof, dat een openlijke vijand
als Soerapati, verre te verkiezen is boven twijfelachtige vrienden,
als de Mataramsche prinsen."
"En ik herhaal 't u, dat ik het een eeuwige schande zou vinden,
als de Compagnie zich met hem verbond."
"Zoudt ge er mij minder om achten, Digna?" vroeg van Hoorn
steeds lachend.
Zij zag hem ernstig aan en antwoordde eenvoudig:
"Ja, oom, dat zou ik zeker."
Toen zij 's middags met haar man naar huis reed, vertelde Digna hem
welk kostbaar geschenk de Gouverneur-Generaal aan zijn vrouw had vereerd.
"Ik zou niet willen, dat gij voor mij zulke kostbare dingen kocht!"
voegde zij er bij.
"Kocht!" een spottende glimlach speelde om de droge lippen
van den ambtenaar der Justitie, terwwijl hij dit woord herhaalde.