IV.
IN DEN MANESCHIJN.
Batavia schitterde
in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk
overdekte, en de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier
en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in
de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen
gloed, zwevend over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel
der kramen en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten,
over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard,
op de straten en kaden.
Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter
dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap,
de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, verder
zijn nicht de jonge mevrouw Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen
der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen
voer een schuit, gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke
gelach overstemden, dat verre weerklonk.
"Zijn Edelheid wordt weer jong!" sprak een heer in een der
andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zat.
"En geen wonder!" zeide dit hooge personage
[38:]
op eenigszins verachtelijken
toon, "als men zoo omringd wordt door jeugd. Alles is jong rondom
onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek,
de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt
is en die bijna dagelijks op het kasteel komt."
"Voorneman schijnt nu gelukkiger ,in zijn keuze te wezen dan den
eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne
tegenwoordige vrouw schoon en slank is."
"Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te
zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!"
Op een der grachten zat een groepje heeren en dames voor de deur eener
aanzienlijke woning.
"Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven
gedaan," zeide een dame zeer spijtig.
"Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor
alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende
oom haar dit genoegen gunt."
"Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is."
"Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers
gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving.
Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen;
zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek
der heeren."
"Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven,
want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen."
"Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!"
Intusschen vermoedde het voorwerp van die ergernis niets van de vijandige
gezindheid, door haar opgewekt. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche
avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn,
de beqrtelings droevige dan vroo
[39:]
lijke muziek, de
geuren der bloemen, waarmede zij en de andere dames zich getooid hadden
en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar
in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot
aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen
met een ongekend zalig gevoel doortrilde.
"Och Markus," fluisterde zij, "wat kan het leven toch
nog zoet en schoon zijn."
De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht
lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst
recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest,
en zij werd daarom door hen des te hooger geschat.
Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland
eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had
nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den
dood harer moeder met haar stiefvader, dien zij niet lijden mocht, eenzaam
achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel
zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam,
daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden
en kalm voelde in de vervulling harer plichten. Maar wat zij verzweeg
en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte te denken dat was Voorneman's
bekentenis. Nu scheen het soms of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig
liefhad, haar vleide en zoet was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?
Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu
den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein,
een groepje menschen het water naderde. Er werd heftig gevloekt en gescholden
zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbie
[40:]
digde Onderkoning
in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, het regende slagen
en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een
ondragelijke lucht steeg uit het moeras, door den zwaren val in beroering
gekomen.
Een tweede slag volgde; en zwemmend trachtten nu twee mannen, waarvan
de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te
laag; het volk, dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond
werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.
"Moet er niet geholpen worden," riep Digna doodsbleek en bevend
van ontsteltenis uit.
"Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht,
maar ge hebt gelijk, wij moeten helpen," sprak de Gouverneur.
En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te
bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet,
hij bezweek schier onder den last, want in de heldere manestralen scheen
deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was.
Met de eene hand greep hij den riem, dien de roeiers hem toestaken,
met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te
houden.
Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een
der slaven in het water sprong en hem bevrijdde.
"Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!" zeide een der
twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten
begaf, "waar moet men ze laten?"
"Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en
laat ze bij de eerste aanlegplaats uit," beval de Oppergebieder.
Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen.
De drenkeling lag nog steeds bewusteloos op den bodem, de andere stond
recht
[41:]
op, in ellendigen
toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.
"Hoe komt die man in het water?"
"Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!"
"En gij reddet hem!"
"'t Was mijn bedoeling niet, hem als een hond voor mijn oogen te
laten verdrinken: hij wilde mij aanvallen
en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond, is mijn
schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik 't wel doen."
"Hoe is uw naam?"
"Men noemt mij Walter."
"En verder?"
"Niets meer!"
"En hoe heet uw kameraad?"
"Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf
of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter, dat
hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.
"'t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier!
Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar
de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen."
"Scheelt u iets, mijn lieve?" vroeg heer Voorneman zijn jonge
vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.
"Niets, Markus, niets! de schrik!" antwoordde zij met haar
handen het gelaat bedekkende, als bevreesd voor een treurig schouwspel.
De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast
op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.
"Zijn wij aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,"
fluisterde hij den hellebaardier toe.
"Ge hebt gelijk," antwoordde deze spottend, "uw toilet
is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden."
[42:]
Juist kwam een
wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene werd gedragen,
de andere volgde met zijn trotsche oogen om zich heen ziende.
De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te
roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.
De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap,
de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zichzelt gekeerd
geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.
Digna kwam t'huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke
vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam
dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte
kringen om haar oogen slapeloosheid.