III.
EEN VISITE OP BATAVIA.
Net gekleede slavinnen dienden de verversingen rond; zij bestonden voor de dames uit thee, limonade en gebak, voor de heeren uit bier, terwijl ook de goudsche pijpen niet vergeten werden, Mevrouw Dammers dronk het eene kopje na het andere kopje leeg en verzuimde intusschen niet met afkeurend en blik toe te zien, hoe de jonge gast
[32:]
vrouw zelf de behulpzame
hand bood om haar gasten te bedienen.
"Ge kunt nog slecht met uw slavinnen overweg," zeide ze na
een poos, "gij verwent ze, door hen werk uit de handen te nemen.
Dat doet men hier niet, uw man moest het u afleeren!"
"Ik ben zeer tevreden over haar diensten en mijn echtgenoot ook."
"Dat wil ik gelooven, die goede Margaretha heeft zich moeite genoeg
voor hen gegeven. Zij was onverbiddelijk streng voor hen; bij elk klein
vergrijp liet zij hen de 20 of 30 geven. 't Is goed dat gij het weet,
men kan dat voor een kleinigheid, maar 10 of 12 stuivers, door de negers
van den fiscaal laten doen, dan behoeft men hun gekerm niet aan te hooren;
zeer gemakkelijk, vindt ge niet? Ik heb vandaag mijn lijfslavin Tandjoeng
nog de veertig laten toedeelen, zij had mijn mooisten ivoren kam op
mijn haar gebroken, en verbeeld u, van middag verklaarde zij te ziek
te zijn om mij te helpen. Ik liet haar halen en zij strompelde naar
binnen; maar toen ik haar dreigde dat zij den volgenden dag er nog twintig
bij kon krijgen, keerde het blaadje om
en zij hielp mij zoo handig als ooit te voren. Welke van uw slavinnen
is het laatst aan de beurt geweest?"
"Ik ben niet voornemens lijfstraffen aan mijne bedienden te laten
uitdeelen."
"Niet! maar lieve mevrouw! waar denkt u aan? U, die zoo pas hier
komt, wil ons leeren wat wij moeten doen of laten?"
"Ik wil niemand iets leeren, maar in mijn huis heb ik rechten en
ik wil geene mishandeling van arme schepselen, die toch kinderen zijn
van denzelfden Vader in den Hemel als ik."
Met groote oogen zagen mevrouw en juffrouw Dammers de spreekster aan;
een domme lach trok de dikke lippen der jongedame van elkander. Zij
had
[33:]
[sluit niet aan
in het boek]
Digna bracht haar stiefzoontje naar bed; toen het knaapje rustig sliep,
keerde zij naar haar echtgenoot terug, die met blijkbaar ongeduld op
haar wachtte. Hij kwam haar te gemoet, zij nam zijn beide handen in
de hare en zag hem nederig aan.
"Het spijt mij, Markus," sprak zij, "ik ben zeer onbedachtzaam
geweest, heb ik groot kwaad gedaan?"
Hij drukte haar handen aan zijn lippen en antwoordde met gedempte stem:
"Gij zijt een dweepster, Digna, een lieve, heldhaftige dweepster,
't Is uw schuld niet, mijn arm kind, maar van uw omgeving, dat gij in
haar midden niet past. O, ware ik twintig jaar jonger en had ik u dan
leeren kennen, welk een man hadt gij van mij gemaakt."
Diep zuchtend liet hij zich in een der gebeeldhouwde leuningstoelen
vallen zonder haar handen los te laten; zij bleef naast hem staan, vriendelijk
en zacht als altijd.
"Gij moet mij leeren hoe mij in gezelschap dier dames te gedragen.
Ze spreken een taal die ik niet versta. Veel liever luisterde ik naar
de gesprekken der mannen, die zijn mij begrijpelijker. Verbeeld u, Markus,
dat die vrouw mij den raad gaf mijn slaven te laten geeselen, zelfs
als zij onschuldig waren, om mijn gezag te handhaven, daar ik nog zoo
jong was. En een andere vraag deed ze mij, die ik nog veel minder begrijp.
Ze vroeg, of ik met het schip, dat eerstdaags naar Japan vertrekt, niets
mee gaf aan den onderstuurman; zij had reeds tien kisten met allerlei
japansche koopwaren klaar staan. Ik zag haar onnoozel aan en vroeg wat
er met die kisten gedaan moest worden; zij gilde het uit van lachen,
en antwoordde: " Wel natuurlijk, die worden daar verkocht,"
en toen ik opmerkte: "Maar de dienaren der Compagnie mogen geen
handel drijven," lachte zij nog harder en hernam: "Wie zal
't hun durven beletten, want wee, als iemand het
[34:]
waagde hen te betrappen.
Wij staan te hoog dan dat een ondergeschikt ambtenaar ons zou aanklagen,
zij sluiten hun oogen!" Ik wilde er niets meer van hooren, maar
is dat waar, Markus, bestaat hier zulk een geheime handel, dan behoeft
men ook niet te vragen, waarom die schijnbaar zoo machtige Compagnie
inderdaad zoo zwak is; dan komen de schatten enkelen personen ten goede
en niet het Vaderland. Kan de justitie daar niets tegendoen, Markus?"
Hij keerden den blik af en boog het hoofd, aarzelend hernam hij:
"Het kwaad is te algemeen, te diep ingeworteld, men kan het niet
meer tegen gaan."
"Van welken stand is mevrouw Dammers eigenlijk, Markus," vroeg
Digna, instinctmatig voelend hoe zij een onderwerp aanroerde, dat haar
man pijnlijk viel; "me dunkt, zij moet in Holland niet tot de patricische
familiën behoord hebben."
"Zeer patricisch inderdaad!" antwoordde hij spottend, "haar
moeder had een groentekelder in Leiden, en toen zij met haar eersten
man naar Java vertrok, zegt men dat hij ginds wegens diefstal in de
gevangenis had gezeten. Hij was hier timmerman doch zij werden spoedig
rijk, vraag liever niet hoe, en toen hij stierf, vond zij een veel aanzienlijker
echtgenoot, zoodat niemand het mijn vriend Dammers kwalijk nam toen
hij haar derde man werd. Maar wilt gij vrede hebben, mijn liefste vrouw,
neem de menschen en de zaken zooals zij hier zijn. Luister toe, spreek
met mij over uw bezwaren, doch verkwist uw schoone gedachten niet aan
menschen die niet waard zijn ze aan te hooren, die er misschien verkeerde
gevolgtrekkingen uit maken; welke te eer geloof zullen vinden omdat
men maar al te zeer geneigd is u te benijden om uw schoonheid, uw jeugd,
uw verstand en geest!"
"Ik zal uw raad opvolgen, beste man! En zeg
[35:]
mij steeds openhartig,
wanneer ik iets miszegd heb. Ik ben nog zoo jong en onervaren!"
"Ge zijt mijn grootste, mijn dierbaarste schat, het licht mijner
oogen, de vreugd mijner ziel. O, waarom ben ik geen jonge, krachtige
man, in plaats van een afgeleefde, zieke grijsaard!" riep hij plotseling
uit, en strekte hartstochtelijk de armen uit naar zijn vrouw, die verrast,
meer door den klank zijner stem dan door die beweging achteruit ging.
"Ge ontwijkt mij!" zeide hij op moedeloozen toon en zakte
toen in zijn stoel terug, "'t is waar, ge hebt mij lief misschien,
maar als een vader, niet als een echtgenoot. Er is een ander, wiens
herinnering leeft in uw hart en dien gij niet vergeten kunt."
"Spreek zoo niet, Markus!" zeide Digna met neergeslagen oogen,
"hij is dood voor mij, misschien behoort hij ook werkelijk niet
meer tot de levenden. In elk geval, ik heb u trouw en liefde beloofd,
en met Gods hulp zal ik die belofte vervullen en slechts leven voor
u en voor ons kind!"
"Ik weet het, Digna, ik weet het! Gij zijt een voorbeeldige echtgenoote,
een zorgvuldige moeder; ik dank God dat Hij u aan mij schonk, dwaas
ben ik, meer te verlangen, hoe kan ik van u de liefde verwachten, die
gij eenmaal uw jongen vriend in zoo ruime mate geschonken hebt, maar
o, ge weet niet hoe ik u heb lief gekregen. . . ."
"Gij hebt mij voor ons huwelijk slechts gesproken van vriendschap
en genegenheid en ik beloofde u beide op mijn beurt, daar ik geen liefde
meer weg te geven had. Die heeft de ander meegenomen. God alleen weet
waarheen!"
Haar woorden eindigden in een snik, hij hoorde het en preste de handen
op zijn hart als wilde hij met geweld een duldelooze pijn onderdrukken.
"Vergeef mij," bad zij en knielde naast hem neer, haar lief,
onschuldig gelaat smeekend naar hem opheffend, "'t is mijn schuld
niet; ik heb u niet be
[36:]
drogen; ik tracht
mijn plicht te doen en hem te vergeten. Niet ik begon dit voor ons beiden
zoo smartelijk gesprek."
"Ik doe u geen verwijten, Digna, 't is alles mijn schuld. Ik heb
u meer of minder beloofd dan ik geven kon, maar ik was geen meester
van mijn hart. Eerst na ons huwelijk begon mijn kalme vriendschap voor
u over te gaan in een liefde zoo vurig en hartstochtelijk, dat zij belachelijk
schijnt voor mijn grijze haren. Nooit eerder wist ik wat het beteekende
een edele, reine vrouw te beminnen, een vrouw, die den dampkring zuivert,
waarin zij ademt, een vrouw, die ons liefde afdwingt en tegelijk ook
achting, die met ons denkt, leeft en voelt, die van haar huis een heiligdom
maakt, waarin alle deugden geeerd en beoefend worden. Die vrouw hebt
gij mij leeren begrijpen. Helaas! Digna! te laat! Ik ben wel krankzinnig
om u over mijn gevoel te spreken, wellicht verstoor ik uw kalmte en
rust, de gaven, waarvoor gij mij 't dankbaarste zijt en die de eenige
zijn, welke ik u geven kon. Ik had beter gedaan mijn geheim mee te nemen
naar het graf, waarvan ik misschien nog slechts een korten tijd verwijderd
ben."
Met tranen in de oogen zag Digna hem aan; diep medelijden, innige toegenegenheid
las hij in dien blik, meer niet; zij hield haar handen gevouwen op de
leuning van den stoel, maar stak ze niet uit om hem te liefkoozen. Hij
streek zich over het gelaat, zuchtte diep en stond toen op.
"Ga rusten, lieveling!" zeide hij, haar opheffend en een lichten
kus op haar voorhoofd drukkend, "tracht te vergeten wat ik u gezegd
heb en laat alles weer zijn zooals vroeger."
"Zooals vroeger!" herhaalde Digna bij zich zelf, toen zij
alleen was, "hoe zal dat ooit geschieden? Ik voelde mij zoo rustig,
zoo kalm onder zijne bescherming, zal ik 't nog steeds zijn wanneer
ik weet
[37:]
dat hij bitter lijdt en ik mijn goeden man juist dat niet schenken kan, wat hij verlangt?"