II.
VOORNELUST.
Als men de ten Zuiden
der Stad Batavia gelegen Nieuwpoort doorging, kwam men aan den zwaar
belommerden weg, naar het fort van Jacatra; aan weerszijden van dezen
weg omzoomd door fraaie buitenplaatsen, die echter evenals de huizen
in de stad nog volstrekt niet ingericht waren volgens de eischen van
het klimaat in de keerkringslanden.
Het heeft eeuwen geduurd vóór de taaie, vasthoudende Hollander
tot het duidelijk begrip kwam,dat men in het Oosten niet den leefregel
kon volgen, waaraan hij sinds eeuwen gewend was in zijn geliefd Holland;
zijn lievelingsgewoonten wilde hij in den vreemde ongaarne missen en
daarom koos hij zijn stevige, solide bouworde zonder er zelfs in 't
minst aan te denken dat de dikke muren en de goedsluitende ramen, die
hem tegen snerpende Noord- en Oostewinden en strenge vorst moesten beschermen,
hier de zon maar gelegenheid gaven dagen achtereen de steenen te blakeren
en frissche koeltjes beletten vrij door de vertrekken te spelen; zoo
nam hij ook zijn zware kleeding mede, ja, broeide zelfs zijn hoofd door
het dragen van allongepruikenken, in Versailles beter op haar plaats.
De landhuizen, welke hij zich dan ook buiten de benauwde, moerassige
stad bouwde, waarbinnen de grachten bij de aangename herinneringen aan
de vaderlandsche steden ook minder geurige voegden, geleken het allerminst
op luchtige, sierlijke villa's, geheel er op berekend zooveel mogelijk
lucht en koelte op te vangen. Het waren huizen van twee verdiepingen
met hechte deuren en flinke puien, kleine ramen zonder galerijen of
veranda's; boven den ingang was gewoonlijk het wapen van den bewoner
aangebracht, en wie nu de weelderige natuur, de reusachtige waringins
en de slanke palmen wegdacht, kon zich gemakkelijk in plaats van aan
de oevers der Jacatrarivier terugwanen aan de boorden van Amstel of
Vecht.
Rechts van den weg, juist tegenover het oude chineesche kerkhof, strekte
zich het landgoed Voornelust uit, dat den Raad van Justitie Voorneman
toebehoorde; een statige rij van kokosboomen leidde van de steenen poort
naar het huis, dat in weinig of niets afweek van den bouwtrant der overige
huizingen links en rechts; de tuin was ook min of meer stijf aangelegd,
in zooverre de volle, welige oostersche plantenwereld zich persen liet
in een vorm à le Nótre; toch waren er eenige verbeteringen
aangebracht, die getuigden van den lust des eigenaars om zijn woning
meer in overeenstemming te brengen met de eischen van het klimaat.
Een soort van zonnetent was terzijde van het huis gespannen, de ramen
en deuren stonden wijd open; achter, ter zijde van de gebouwen tot huiselijk
gebruik en tot huisvesting der slaven bestemd, was een open galerij
boven de rivier gebouwd en geheel
[22:]
door wingerdbladeren
en klimopslingers overschaduwd; de dampen der rivier maakten het hier
vooral tegen het vallen van den avond tot een verrukkelijk, koel plekje;
welriekende bloemen stonden in chineesche en japansche potten in de
galerij geschaard, en mengden haar geuren met dIe van de in perkjes
geplante melati's.
Een jonge vrouw zat op een leuningstoel; ook haar kleeding was minder
onpractisch dan die van de meeste bataviasche dames; zij versmaadde
fulp en zijde, goudborduursels en slepen; haar kleed was van een fijne,
lichte stof, teer grijs van kleur, aan den hals eenigszins laag uitgesneden,
vanwaar een breede kanten kraag op de schouders viel; ook de mouwen
reikten slechts halverwege den fraaien ronden arm, en vielen dan bevallig
als kanten strooken neer; haar blonde haren kroesden luchtig over haar
lelieblank voorhoofd, aan weerszijden met losse krullen versierd. Een
zacht teer rozerood schemerde onder haar blanke wangen en verried dat
zij nog niet lang aan het verschroeiende oostersche klimaat blootgesteld
waren.
Zij was nog jong, een onbeschrijfelijk lieve uitdrukking lag in haar
blauwe oogen en in den glimlach om haar lippen, als zij luisterde naar
het kinderlijk gepraat van het knaapje, dat met den hoepel door de galerij
speelde; het was een opgeschoten jongen van omstreeks tien jaren met
een bleeke, ongezonde kleur en onnatuurlijk groote oogen.
Als zij den knaap niet te antwoorden had, las zij aandachtig in het
boek, vóór haar; spoedig raakte zij geheel verdiept in
de lezing, haar oogen kregen een eigenaardige uitdrukking, van eerbiedige
bewondering en stil genot, haar lippen trilden soms als leefde zij met
den schrijver of dichter mede, maar zoodra het knaapje haar aan de kanten
mouwen trok en vroeg:
"Moeder, mag ik met Scipio in de Klapperlaan
[23:]
spelen," of
wel: "Moeder, Scipio vraagt of hij wat met mij zal gaan varen."
Dan kostte het haar blijkbaar. moeite zich los te rukken van haar lectuur,
maar toch antwoordde zij dadelijk met denzelfden vriendelijken lach:
"Neen, lieve jongen, vader en ook moeder hebben liever dat Albert
hier onder mijn oogen met Scipio speelt."
Scipio was een kleine slavenjongen van denzelfden leeftijd als Albert,
maar veel flinker gebouwd en ook gezonder.
Het knaapje ging met zijn hoepel weer terug naar zijn speelkameraad,
wien 't blijkbaar verveelde hier steeds onder toezicht zijner meesteres
te moeten blijven.
Het woord "Moeder" tegen de jonge vrouw klonk vreemd uit den
mond van het kind, dat om zijn leeftijd veeleer haar broertje dan haar
zoon kon wezen; maar toch lag er alle teederheid van een zoontje in
de wijze, waarop hij telkens, als hij in hare nabijheid kwam, zich tegen
haar aanvlijde en een kus afbedelde, dien zij hem met ware moederlijke
hartelijkheid toestond.
Daar kraakte het schelpzand van het pad dat naar het hoofdgebouw voerde
en een man van middelbaren leeftijd met een eenigszins zwak voorkomen
en de bleekgele gelaatskleur van den oudgast, naderde de galerij.
Zijn gestalte, die vroeger ongetwijfeld lang en krachtig geweest moest
zijn, boog nu een weinig voorover; rimpels doorploegden zijn voorhoofd
maar toch maakte zijn gelaat een aangenamen indruk door den goedigen
blik der lichtblauwe, diepliggende oogen.
Toen hij de galerij naderde, sloeg de jonge vrouw haar boek dicht en
kwam hem met een vroolijken glimlach tegemoet.
"Ik wachtte u reeds met ons beider vriend!" sprak zij. "O
Markus, wat is hij toch een groot man. En
[24:]
hoe weinig heeft
men zijn verdiensten erkend toen hij nog leefde."
"Ge bedoelt onzen puikdichter den kousenkoopman en pandjesschrijver
Joost van den Vondel, nietwaar, vrouwlief? Ja, gij hebt gelijk, ik wist
niet dat we zulk een dichter in ons weinig dichterlijk Holland rijk
waren. Ik heb mijn Vaderland jong verlaten en hier, dat weet gij genoeg,
slaan de Muzen haar zetel niet bij voorkeur op."
"Weten zij hier zelfs, dat er Muzen bestaan?"
"Gij hebt gelijk; juffrouw de Haan zou licht kunnen vragen of die
juffrouwen in linnen dan wel in tabak doen. Maar nu ge mij die heerlijke
treurspelen "vol hemelval" voorleest van onzen Vondel, evenals
de schoone historiën van den Drost Hooft of de puntige gedichten
van Constantijn Huygens, nu is 't mij, of ik een geheel andere wereld
binnentreed, die mij tot nu toe gesloten was."
"Wat zou het leven zijn zonder den dienst der Muzen, als wij de
poëzie niet hadden om ons te troosten over de onaangenaamheden
en verdrietelijkheden van den dag en in andere sferen te vertoeven?
En ik heb nog veel, Markus, dat u boeien zal; het is onze plicht natuurlijk
eerst kennis te maken met onze groote Vaderlandsche poëeten, maar
daarom behoeven wij nog niet de beroemde mannen te versmaden, die in
andere-landen geleefd en gewerkt hebben. O, ge zult eens zien als we
zoo ver zijn, welke hoog verheven taal Corneille aanslaat in zijn heldenstukken
en dan die hemelsche harmonie van Racine's verzen en de satiren van
Boileau, die vallen stellig in uw smaak al zijn ze zoo bijtend niet
als Vondel's Roskam en Rommelpot."
Glimlachend hoorde hij de levendige bewondering der jonge vrouw aan,
en drukte haar fijne hand vast in de zijne.
"Ge hebt de letteren wel zeer lief, Digna!" zeide hij minzaam.
[25:]
"En zou ik
niet? Zij zijn mijn beste vriendinnen geweest en hebben mij getroost
in zooveel treurige uren."
"Ik zal u die liefde dan ook van harte gunnen, mijn beste vrouw,
en niet afgunstig zijn noch op vader Vondel, noch op Hooft en Huygens.
Willen wij hen gelooven, die ze van nabij kenden, dan waren zij zeer
gezien bij het schoone geslacht, - nog minder zal ik het zijn op de
Franschen, al is hun galanterie ook wereldberoemd. Gaarne wil ik van
u leeren hen ook te kennen en hoog te achten, maar voor die papieren
vrienden moet gij de menschen van vleesch en been niet verwaarloozen."
"Verwaarloozenl Dat meent ge niet, Markus! Ben ik dan niet gisteren
nog in mijn zware kleederen deftig naar het kasteel gereden om bij mevrouw
de Generaal de receptie bij te wonen. Drie lange, lange uren heb ik
er mij verveeld, mag ik mij dan vandaag niet schadeloosstellen voor
die verveling?"
"Ge moogt alles, Digna! Maar ge weet, aan mijn stand zijn verplichtingen
verbonden, 't is niet genoeg dat mijn lieve gade een zorgzame huisvrouw
is, die alles in het werk stelt, om mijn leven te veraangenamen en een
goede moeder te zijn voor mijn zoontje.
"Ben ik dat waarlijk, Markus?"
"Moet gij dat nog vragen? Ik ben meer dan tevre-den over u, dat
zou ik overal kunnen verkondigen, maar de wereld vraagt meer; zij wil
niet dat mevrouw Voorneman haar dagen rustig doorbrengt met haar beste
vriendinnen, de Muzen, zij verlangt, dat zij ook eenig belang stelt
in haar medeburgeressen. ...
"In de deugden en ondeugden van haar slaven, in de pronkzucht van
juffrouw A, en in de lichtzinnigheid van juffrouw B. Ik moet de kwikjes
en lintjes zeker tellen die mevrouw Zus laatst in de kerk heeft vertoond
en alle belang stellen in de
[26:]
leelijke geschiedenis,
die laatst met de dochter van mevrouw Zoo is voorgevallen. Och, Markus,
als ge wist hoe dit alles mij verveelde en wàlgde, hoe ik veel
liever hier rustig zit met u, met onzen Vondel en met onzen kleinen
Albert hé, waar is hij gebleven?"
"'t Schijnt, dat hij daar ginds vlinders vangt met Scipio!"
"Ik wilde liever, dat hij wat dichter bij mij bleef; ik vertrouw
hem niet geheel alleen bij dien knaap, ikvrees, dat hij niets goeds
van hem leert."
"Gij zijt te zwaartillend, Digna, Scipio is volstrekt niet slechter
dan eenig ander knaapje van slavenafkomst."
"Dan moet hij al heel slecht zijn; want deze kennis heb ik tenminste
gewonnen uit de gesprekken mijner levende vriendinnen. Die slaven hebben
den allertreurigsten invloed op de kinderen, als men ze geheel aan hen
overlaat; al lachend en schertsend verhaalden zij mij van de zoogenaamde
grappen, door hun kinderen uitgehaald, die zij ongetwijfeld van hun
slavenmakkers geleerd hebben, en deze deden mij huiveren. Zooveel ik
kan, houd ik dus Albert in mijn nabijheid."
Met een blik vol liefde zag heer Voorneman op zijn jong, ernstig vrouwtje
neer, en fluisterde:
"Heb dank Digna; ge zorgt beter voor mijn kind dan zijn eigen moeder
het zou gedaan hebben."
"Stil, laat de dooden rusten, Markusl" sprak zij verwijtend,
"ik doe mijn plicht en meer niet! En zullen we nu voor een enkelen
dag de bataviasche wereld verlaten en onzen ouden vriend hooren spreken?"
"Als die wereld u maar niet komt opzoeken, Digna!"
"O, dat hoop ik niet; vandaag tenminste niet. We zullen immers
den Adam in ballingschap nemen nietwaar, dat hadden wij afgesproken.
Vreemd, ik las dit treurspel reeds menigmaal, doch nu eerst hier
[27:]
in deze onvergelijkelijk
schoone natuur, kan ik mij goed het paradijs voorstellen; ge moet maar
eens hooren. . .. Wat fronst gij het voorhoofd en trekt gij de lippen
samen. Hebt ge weer pijn?"
"Een weinig, 't is niets, 't gaat voorbij."
"Zal ik uw artsenij halen?"
"Zelf halen, lieve, maar waar denkt ge aan, waartoe hebt gij slaven
te uwen dienste?"
"Och, 't is zooveel gemakkelijker zich zelf te helpen; ik vergeet
het telkens dat het ook tot mijn plichten behoort mij te laten bedienen."
Zij wenkte een der slavinnen, die aan het andere einde der galerij gehurkt
zaten, en, gaf haar op vriendelijken toon in enkele woorden haar bevel;
toen riep zij Albert, liefkoosde hem, en stiet het kind zachtkens naar
den vader op dat deze hem ook over het haar zou strijken.
"Blijf hier, jongske!" zeide zij vriendelijk, "tot dien
grooten ketapangboom moogt ge gaan, niet verder en dan zal moeder u
van avond paar bed brengen."
"Zal moeder dat werkelijk doen?" vroeg hij met schitterende
oogen en overlaadde haar met kussen.
"Ja zeker, als Albert gehoorzaam is! En nu, Markus, zal ik beginnen.
Is de pijn wat dragelijk!"
"Ik denk er niet meer aan, Digna; kom, begin spoedig, ik ben vol
gehoor, het groote licht zal ons weldra verlaten."
Zij zetten zich naast elkander en met haar klankvolle, heldere stem
begon Digna den aanhef der tragedie met de woorden van:
Lucifer.
Ik eerst geheiligd om de kroon van 't licht te spannen,
En nu van 't eeuwig licht in duisternis gebannen. . .
Niet verder was
zij gekomen toen zich het rollen van een karos op den zandweg deed hooren.
"Bezoek!" riep zij uit, het hoofd oprichtend, "ja, neen,
men rijdt de Klapperlaan in, ach hoe jammer!"
[28:]
"Wel jammer!
Waar zullen we hen ontvangen, Digna?"
"Hier natuurlijk, waar anders! 't Is hier luchtig en frisch."
Man en vrouw stonden op om de bezoekers te begroeten, die reeds uit
de koets gestapt waren en het bordes betraden; het was een deftig echtpaar,
gevolgd door een jong man, wiens blozende kleur duidelijk genoeg verried
dat zij nog niet lang aan de brandende keerkringszon was blootgesteld.
"Gij zult ons ten goede houden!" sprak Digna na de eerste
begroetingen vriendelijk en beleefd, "dat wij u in de galerij boven
het water ontvangen; het is daar frisscher dan binnenshuis en zelfs
dan op de stoep."
"Wij hebben inderdaad van die nieuwigheid gehoord, mevrouw, die
u op uw landgoed heeft ingevoerd," zeide de bezoekster met een
genadig lachje.
De pas aangekomenen waren de Extra-ordinaris Raad van Indië Dammers,
zijn vrouw en dochter en een kersversch uit Europa aangekomen neefje.
De heer Voorneman was dus eenige graden zijn mindere, maar een vriendschap
van jaren herwaarts verbond beide mannen, terwijl ook Digna's voorgangster,
de overleden mevrouw Voorneman, zeer bevriend was geweest met mevrouw
Dammers.
"Zullen wij dan den heeren voorgaan?" vroeg Digna altijd even
hoofsch haar gast den voorrang gevend.
Mevrouw Dammers was kostbaar gekleed, zooals het bij een eerste bezoek
paste; haar kleeding echter meer rijk dan smaakvol, was overal waar
het maar eenigszins kon, met goudborduursel bezet, zijde en fluweel
wisselden kwistig met elkander af; een slaaf moest den zwaren sleep
ophouden toen zij over het kiezelzand naar de galerij wandelde.
Hoe moeilijk zij deze kleederen torste, getuigden
de hoogroode kleur van haar bolrond gelaat en de
[29:]
zweetdroppels,
die zij telkens met haar zakdoek afdroogde; hijgend wuifde zij haar
waaier en de enkele stappen, die zij nog maken moest naar de zitplaats,
door de gastvrouw aangewezen, vielen haar blijkbaar uiterst moeilijk.
Naast die verhitte, aamechtige vrouw in haar zware kleederen, kwam Digna's
licht toilet, frisch en koel uit.
"Hoe verdraagt gij toch de hitte?" vroeg mevrouw Dammers tusschen
twee zuchten in.
"Ik voel geen hitte," antwoordde het jonge vrouwtje glimlachend.
"Dat wil ik gelooven, aIs men zich niet kleedt," was het bitse
wederwoord, dat een lichten blos op Digna's zachtbleeke wangen wierp.
"Mijn kleed is misschien minder zwaar dan het uwe," antwoordde
zij kalm, "maar overigens is het niet minder volledig."
"Uw voorgangster, die wist zich te kleeden! Hebt gij haar japonnen
gevonden? Er waren zulke kostelijke bij; niemand kon het indertijd tegen
haar volhouden of ik moest het zijn. Ieder regelde zich naar ons. Wij
gaven den toon aan in de mode en als wij iets nieuws hadden, dan konden
wij zeker zijn, dat over weinige dagen alle andere dames ons tot voorbeeld
hadden genomen, maar wij wisten dat vooruit en zorgden dan weer te voorschijn
te komen in een splinternieuw kleed. Wij deden alles samen, begrijpt
ge, en daarom behoefden wij niet bang te zijn, dat de een het de ander
afwon. Ja, het verlies der goede Margaretha is zwaar en onherstelbaar
geweest!"
Zij zuchtte nog eens zoo diep; men was intusschen onder de galerij gekomen
en nam plaats op de gemakkelijke stoelen, die de slaven bijschoven.
De drie heeren zaten op eenigen afstand van de dames; zoodat een algemeen
gesprek niet mogelijk was.
Arme Digna, men kon het aan den weemoedigen blik
[30:]
bemerken, waarmede
zij haar Vondel aanzag, hoe veel het haar kostte den levenloozen dichter
te moeten ruilen voor haar diep ademende gast. Zij legde het boek weg
om plaats op tafel te maken.
"Ha, een boek! Dat zal ook niet weten hoe het op Voornelust komt,"
zei de mevrouw Dammers min of meer scherp, "de goede Margaretha
was met mij van oordeel, dat een boek slechts hoogst zelden, om niet
te zeggen nooit, in vrouwenhanden paste."
"Mij is dat anders geleerd!"
"O ja, zeker door uw moeder! Ik heb haar nog even gekend."
"Mijn moeder, hebt gij haar gekend?" vroeg Digna met schitterende
oogen, "O mevrouw, vertel me van haar! Hoe schikte zij zich hier?"
"Ik weet het slechts bij overlevering; zij had vreemde begrippen
evenals gij. Zoolang haar man afwezig was, ging zij niet uit; zij spaarde
haar slaven het werk om het zelf te doen, en zij was zoo wijs met haar
dochtertje, dat zij geen slavin goed genoeg achtte om het op te passen."
"Daaraan herken ik mijn lieve, goede moeder!" dacht mevrouw
Voorneman, maar sprak het niet uit.
"Ze is dood nietwaar," zeide mevrouw Dammers "na eerst
hertrouwd te zijn. Dat was hier een schrik toen men den dood van uw
vader vernam; kort er op is zij naar Europa vertrokken. Waarlijk, zij
had hier ook wel een goed huwelijk kunnen doen. De Edele heer Dammers
is mijn derde echtgenoot, daarvoor had zij dus niet behoeven terug te
keeren."
"Ik geloof niet dat mijn moeder toen aan de mogelijkheid van een
tweede huwelijk gedacht heeft!" sprak Digna met van ingehouden
verontwaardiging trillende stem, "eerst later toen zij begrepen
had hoe alleen een weduwe staat en zij mijn stiefvader
[31:]
ontmoette, kwam
het denkbeeld bij haar op nogmaals te huwen."
"Och, ge praat naar dat ge verstand hebt. Meent ge, dat ik niet
weet hoe weduwen denken? Ik ben het zelf tweemaal geweest en ik was
even bedroefd als elk ander, meer misschien nog dan mevrouw Tak, van
wie niemand naar men zegt, een traan heeft gezien, en toch was ik den
eersten keer na tien maanden en den tweeden keer na elf maanden weer
getrouwd. Als gij weduwe waart, zoudt gij het zelf ook doen."
"God beware er mij voor!" zeide Digna oprecht, terwijl de
uitdrukking van haar lippen genoeg verried hoezeer het gesprek haar
mishaagde.
"Wilt ge meer van uw moeder hooren?" vroeg mevrouw Dammers.
"Mag ik u eerst eenige verfrissching aanbieden?" was de beleefde
maar koele wedervraag.