[9:] VIERDE GEDEELTE.
I.
DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.
Batavia!
De "Koningin van het Oosten" ontwaakt uit haar middagsluimering;
de zon duikt langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier
zakt neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schelpen van allerlei
grootte en vorm gevulde baai, waaruit zij haar schatten wegzond naar
alle windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en
steden, aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde
huizen van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder
een frissche avondbries, door de zee naar het land gezonden.
Uit de huizen komen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten, die
in de grachten en in de rivieren drijven, worden langzamerhand gevuld,
door hen, die of een speeltochtje willen doen, of op gemakkelijke wijze
naar een ander eind der stad wenschen vervoerd te worden. Onder de hooge
boomen, langs de groote rivier, die van de Diestpoort af de stad in
tweeën deelt, bewegen zich Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven
en slavinnen.
Ten Zuiden, dicht bij den stadswal, omzoomen fraaie europeesche huizen,
door Europeanen bewoond, den weg links en rechts van het water; drie
[10:]
bruggen, op gewelven
rustend, verbinden de beide oevers aan elkander, verderop zijn het meest
winkels van Chineezen, kleine, onaanzienlijke, lage huizen, die uitzicht
geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In de winkels zelf vindt
men alles wat er op Batavia te koop geboden wordt: japansche koopwaren
en europeesche kleedingstoffen, kramerijen en wapens, uitdragerstuig
en kostbare chineesche vazen; midden op de straat staan nog rijen met
kramen onder loodsen. Drie dwarsgrachten verdeelen die markt in drieën;
de eerste is de groentemarkt; op de tweede worden 's morgens visschen
verkocht, groote kakaps, hartige bandengs, reusachtige garnalen, de
afzichtelijke inktvisch en de (geliefkoosde kapiting of krabben liggen
op houten schragen, uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige
uitwasemingen.
Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten
uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen
in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en djeroeks,
in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de donkerpaarse
mangistan met het witte, donzige, hart, geurig vleesch rondom een bittere,
groene pit; manden vol geelkleurige doekoes en vrfichten van katjangs
of olienoten; een rijkdom van bloemen en kruiden de lucht balsemachtig,
witte melati's, in knoppen of ten volle ontloken, snoeren van tandjoeng,
groene en gele kananga's, sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings,en
tjampaka's; al die kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar
eenden en hoenders hun weinig harmonische geluiden doen hooren.
Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien,
en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn
ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of metselaars, schoenmakers in
dienst der Compagnie, die met vrouw
[11:]
en kinderen, zich
door een wandeling verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van
den dag, of wel soldaten, in hun havelooze kleeding, met hongerige blikken
naar zooveel maagopwekkende artikelen rondziende, want de portiën
van het regiment zijn schraal en onsmakelijk en de soldij is wanhopig
laag. Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede
zij hun liefjes straks willen verrassen, javaansche huishoudsters doen
hier inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm
en deftig langs de wvinkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon
hun waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs
van het een of ander te vragen, maar gewoonlijk halen zij minachtend
de schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op
palen boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.
De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken aan de Oostzijde
der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige dubbele rij
tamarinde-boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun gegevelde, wit
gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke goudsche pijp of
zij wandelen langs het water en door de Prinsen straat over het Kasteelplein
en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug.
Het is hier een oostersche stad maar europeesch van aanzien. De ingangen
zijn van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien;
zag men daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich
in een Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog
bijna geheel europeesch,de dames hebben keurslijven aan en rokken van
zware stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel, dat hun kragen
en mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.
Weinig wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in deze
straten; de meesten zijn
[12:]
gevolgd door eenige
slaven, waarvan er een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken
der waardigheid zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt. De
dames, die zich meest allen van haar echtgenooten afzonderen, wandelen,
gevolgd door een kleinen slaaf, die haarlangen sleep ophoudt, terwijl
een slavin de pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar
gevolg voltooien.
Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot het oogenblik,
dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; eerbiedig wijkt
zij dan met haar stoet terzijde om een diepe nijging te maken, die de
andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks stelt zij zich
voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog gevoeliger wijze
te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan spelen.
Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn
aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de versierde
chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, anderen maken
met hun instrumenten - javaansche viool, guitaar of cither - muziek
en de booten glijden zachtkens op de grachten totdat de maan opkomt
en haar helder witten glans over de vesting giet.
In het Kasteel, dat, omgordeld door hooge groene struiken, zijn sterke
wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de
Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone
middagreceptie op de stoep zijner woning.
Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der veste;
de kleine, achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de tegenoverliggende
woningen van de gewone Raden van Indië.
Het heeft, evenals alle andere bataviasche huizen, twee verdiepingen;
een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, even
[13:]
als het koepeltje
boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het Oosten tot
windwijzer dient, herinnering misschien aan dien anderen windwijzer,
op het stadhuis, waarmede Jacob van Campen de "Keizerin van Euroop"
verrijkte.
De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het
midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar rangorde,
zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met zijn buurman,
en rookt zijn goudsche pijp; algemeene gesprekken worden niet gehouden,
de etiquette verbiedt, dat de Generaal iemand hoort spreken.
Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de gezondheid
van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten onmiddellijk beantwoord
worden; de "gezellige" ontvangst duurt tot 9 uur. De wacht
van het fort wordt gehouden door de hellebaardiers, krachtige, jonge
mannen, in gele wambuizen en scharlaken met lissen versierde zijden
broeken; de overige wachten zijn in treurigen, sjofelen toestand; komt
de Opperlandvoogd langs, dan moeten zij op het geroep van den wachthebbenden
sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze verschijnen in allererbarmelijkste
plunje, meestal zonder kousen of schoenen, met gescheurde wambuizen
en blootshoofds.
Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier hoeken van
het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de krijgers
zijn de kanonnen, op de vlakke daken van de tegen de wallen staande
provisiekamers en pakhuizen der Compagnie, die den geheelen omtrek met
vuur en dood bedreigen.
Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van wachttoren
aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend
houdt.
Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde achterbuurten,
ten N. W. der stad, in
[14:]
de Zandzee, maar
vooral in de Lepelstraat, bestaande huis aan huis uit herbergen of kroegen.
Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, matrozen,
op de prauwen wachtend, welke hen naar hun schepen moeten brengen, vóórdat
de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van
het Kasteel, door den zandlooper gewaarschuwd, negen slagen doen weergalmen
op het bekken, want de Koningin van het Oqsten is nog geen openbaar
uurwerk rijk.
Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren ketting
van de haven afgescheiden; en in dat uur vervliegt ook de glorie van
de Lepelstraat.
Nu echter zijn de lichten. pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje
aan den arm, gaat huis in, huis uit, of blijft kijken naar een troep
javaansche tooneelspelers, topengs genaamd, die voor eenige duiten hun
kluchten vertoonen. Een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje neer
om aan een paar Europeanen, die geen woord maleisch kennen, zijn waren
te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd, of luid
vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af tot
groote vroolijkheid der omstanders, maar tot minder stichting van den
koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.
Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen
er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden gebracht
om voor een oogenblik opwinding ie koopen. Min of meer wankelend was
hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoe,vel in verschillende mate,
ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel hadden gedrukt.
De oudste, met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse
plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er
door
[15:]
heen te komen,
zag er uit of hij een verleden achter zich had, waarvan de galg de meest
gepaste eindpaal was; zijn havelooze kleederen waren verscheurd of versteld
op een wijze, die een scheur nog verkieselijker deed schijnen, zijn
sluike roode haren, reikten niet eens meer tot den schedel en het voorhoofd,
en waren door een gedeukten hoed bedekt; de schoenen trokken slechts
de aandacht door hun afwezigheid, want men kon dien naam niet geven
aan de onoogelijke sloffen, die een scheiding maakten tusschen zijn
bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.
De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen
of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand
lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te leenen.
Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man - want jong was hij
blijkbaar nog - om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon gerekend
worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, zwarte oogen
blikten. De pas gebruikte drank kon die oogen wel benevelen, maar had
geen bIos op de vaalgele wangen geschilderd.
De ander hield hem bij de mouw vast.
"Ja, zie je," sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke
tong en volle keel om het andere woord zijn rede versterkend met een
Duitschen vloek, "ik zeg maar, als we dat niet hadden! Zoo'n teugje
vuurwater is nog 't beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat
dunkt jou?"
"Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had
gebracht en nog liever dàt ik het niet noodig had om mijn honger
te bedriegen en mijn leed te vergeten."
"Sapperdement Donnerwetter! Heb je verdriet. Kom, zoo'n flinke
jonge kerel als jij! Wat voor Schmerz kun je hebben? Toch niet om een
liefje, hè! Geloof
[16:]
me, laat je met
vrouwentimmer nimmer in, want dat kost geld, veel geld, en het bedriegt
je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we nergens beter gebruiken
als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, potztausend! Zullen we hier
eens ingaan? TonneMie heeft weergaasch goed bier ook!"
"Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets
meer."
"En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik
ben? De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, was
mijn volle neef, en ik zou stellig hem opgevolgd zijn, als ik aan de
Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den
Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen
hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets
dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten koning
van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, mijn
ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen met
een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch.
Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de
plaat had gepoetst, en van daar kwam ik, ja, zie je, dat herinner Ik
me niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en
dat is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo'n beestenboel
verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van
fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat
was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?"
"Ik? Wat ik hier ben! Niets!"
"Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!"
"Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen
vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel vinden, die aan
alles een eind maakt."
[17:]
"Je bent een
rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets gaat je goed
af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee te doen. Maar
als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? Zie je, als je
heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en Frankrijk, dan maken
al die krassen op de viool en dat gepiep van die fluit misselijk, en
als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste schouwburgen in de
vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb genoeg van die flauwe
pret; maar je hebt zeker nooit zoo iets gehoord of gezien."
"Toen ik in Amsterdam woonde, heb ik op het tooneel den Lucifer
gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen grooten
Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het Moortje
van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! O, 't
was zoo heerlijk!"
Zijn doffe oogen fonkelden, dat laatste woord, klonk als een smartkreet
door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.
"Dan heb je toch nog iets gehad! dat jij je niets meer herinnerde!"
"Was 't maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien
in dit pesthol nog eens kunnen t'huis voelen, maar die herinneringen,
o, die herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen
tot den avond!"
"Hé! Ik wou dat ik dan in je gezelschap mocht zijn, maar
je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die herinneringen
maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen macht van herinneringen,
ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel Hertog van Schweinshausen
zu Markenfeld, die hier als gemeen soldaat dien, maar ik blijf er lustig
onder en denk, waar je ook bent, daar vindt je weer dobbelsteenen, vrouwen
en wijn, en al is dat alles hier van 't allerellendigste kaliber, je
moet er maar tevreden mee zijn."
[18:]
De andere zuchtte
diep; zijn makker had wel gelijk, hem sloeg de drank blijkbaar ter neer,
"Ik moest niets meer drinken of anders heel veel," zeide hij
mismoedig, "zoo'n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk
ik weer aan alles wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor."
"Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je
dat kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór
dien tijd weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht
een zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat
graag een spelletje kaart; je speelt zonder eenig pand op je nog niet
ontvangen soldij. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen,
en ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die
er honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee maakte
hij zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw,
kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote hansen,
die met den Edelen GeneraaI een pijp rooken op de puie zijner woning!"
"Zoover zal ik 't nooit brengen!"
"Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever,
spoedig zul jij 't misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat
er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het
rommelen zijn; 't is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk
aan den anderen is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan,
welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop boven Soerabaia,
noemen ze dat nest, geloof ik, zit er zoo'n oude snoeshaan, die hun
allemaal te slim af is."
"Soerapati bedoel je?"
"Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet
uitspreken. Was het nu maar
Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, zooals ik vroeger heette,
nou, die kerels is hun al de baas, Hij moet vroeger slaaf zijn geweest,
zegt
[19:]
men, en nu is hij
nog machtiger dan de koning vanJava, en dus begrijp je dat de Compagnie,
die 't hoofd zoo hoog draagt, dat niet dulden kan en en. . . . .. Zou
't jou kunnen schelen, wie hier de baas was? Mij niets! Als die javaansche
mijnheer mij een dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke
kousen en schoenen, dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé.
Nu jij?"
"Een verrader worden, een deserteur? Ik, neen!"
"Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde
op den passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah [Chinees.] of niet?"
"Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik 't nu zou kunnen, het gebeurt
me zoo ,weinig, dat ik slaap."
"En ik slaap veel te veel, kom, ga mee."
"Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me alleen, denk je dat er werkelijk
oorlog komt?"
"Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als
hier in de barakken van den Robijn, dan gevaar te loop en een blauwe
boon te slikken."
Het was geheel donker geworden, en de Koningin van het Oosten werd slechts
flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er niet gratis voor zorgde.
Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein aangekomen,
dat nog vol stond van de karossen der gasten die de receptie hadden
bezocht. Juist verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel,
de toortsen der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten
en gouden borduursels harer zware zijden kleederen; een deftig gekleed
heer leidde haar naar de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie
besteeg.
"'t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie," zeiden
een paar toeschouwers.
[20:]
"Hé,
wat scheelt je? Val je van 't stokje?" vroeg de Dikkop zijn kameraad.
"Och, neen, 't is niets, ik dacht och, 't was weer een herinnering."
"De duivel hale je herinneringen!" gromde de andere. "Daar
zal je nog pret van beleven!"