VI.
COMMISSARIS TAK.
Eenige dagen later
was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap paderde
de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman met zijn beide
luitenants Vonk en Eygel; twee compagnieën soldaten volgden hem,
beladen met geschenken en pakgoederen.
In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten,
die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was, zijn hulde
aan den Soesoehoenan, zijn leenheer, te brengen.
's Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten
den nacht in Oenarang door, - een dorp, gelegen aan den voet van den
fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang - waarvan de bewoners verplicht
waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen,
terwijl het hun verboden was, op straffe des doods, ooit iets daarvoor
terug te ontvangen.
Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links
en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze
beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier
[124:]
vermengden; een
menigte dessah's, waarvan men er dikwijls drie à vier in het
uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was
Salatiga, een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de
eerste poort, die toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand
zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.
Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap,
daarnaast weer rijstvelden in volle lengte en rijkdom, zooverre, dat
men ze niet overzien kon, aan weerszijden begrensd door heuvels, beplant
met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.
De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwde kruin opwaarts, terwijl
zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren
besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongelooflijke vruchtbaarheid.
Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den
tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir
en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vij den dag kwam
een der mantri's, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris,
die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden,
onderdanigen toon, welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak
hij tot den gezant, zeggende:
"Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst een
dienaar zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van
de komst
zijns zoons."
De commissaris antwoordde:
"'t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten.
Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en
zijn onderdanen."
"Helaas, ik heb vernomen, dat de welstand van
[125:]
onzen grooten Heer
niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is, zooals ik
mijn broeder den commissaris reeds in Samarang gezegd heb, niet al te
wel en niet al te slecht."
"Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?"
"Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk,
en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich
heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar
geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den
keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden, want hij volgt zijn eigen zin."
Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan die met huichelachtige
bescheidenheid de oogen neersloeg.
"Ik heb geen reden, aan de waarheid van uw woorden te gelooven,"
antwoordde hij stroef. "Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn
van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was, zou hij hem geen
dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet
plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen
trouwen. En hoe zou 't dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den
keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?"
"Het is waar en waarachtig," verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja,
"hetgeen mijn broeder zegt, maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten
slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met
zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden, als de keizer hem
niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers, dat de beste wijze
om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken."
"Zoo spreken de vrouwen, en voor zoover ik weet, is het volk van
Mataram geen volk van vrouwen," hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd
tegelijk, "zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zoo
[126:]
veel beter dan die
der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk
zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van
Karta-Soera?"
"Mijn broeder weet ook," verzekerde de Radhen altijd even
onderworpen, "dat de stoutmoedigsten , het meeste wagen en ook
den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als
echter onze hollandsche broeders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati
en zijn leger niet, maar zullen zich gaarna van hen ontdoen."
"Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan besluit; zend dus een
bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid
zal verschijnen om mij te kwijten van den last, mij door de Hooge Regeering
opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend
in mijn handen is gesteld."
"Ik zal blijde zijn, den keizer de boodschap van den gezant, dien
hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen."
"Dat voorspelt niets goeds, Van Vliet," sprak de commissaris,
nadat Radhen Sindoe-Radja vertrokken was, "ik ben vreemd te moede,
maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen.
Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het
ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet
te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?"
"Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd
niets te weten van Soerapati's aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker
zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan
gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het
rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd
en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een
vriendschapsbezoek."
[127:]
"Nu, hij zal
ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt."
"Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, hoe de vorst 't hem ronduit
had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling
der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen,
zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink
heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde
hem, dat het schande was, zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg
of hij geen moed meer in het lijf had. 't Zou laf en ons onwaardig zijn,
als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen."
"Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of
zij den keizer en alle hofgrooten met achter zich hebben? Dat volk verstaat
zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men met hen
steeds over een vulkaan wandelt; wie weet wat voor duivelsche plannen
gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen
niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?"
"Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met de bruine Majesteit;
hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand
van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd
hebben: "Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig
tijgers, die ik nog in Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak
te laten losloopen." En Grevink verbeeldde zich dat hij met die
tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde."
De commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper
krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen
verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij
eenige in den Bantamschen oorlog verloren had, getuigden er van. De
opperkoopman Van Vliet
[128:]
daarentegen had
in menig moeilijk geval groote staatsmanswijsheid getoond en der Compagnie
eveneens groote diensten bewezen; nog onlangs had hij door zijn bemiddeling
het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.
De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen
beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe
veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van
meer dan eenenzestig bladzijden groot was den commissaris meegegeven;
hij had eerst de kantoren aan Java's Noordkust te inspecteeren, verder
moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige
werkzaamheden hij gelukkig voleind had.
Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien
hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige
schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor
dien tijd verbazende som van f 4,600,000 bedroeg; de Compagnie begreep
echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus
van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344,000 rijksdaalders,
welke Tak zelfs verminderen mocht tot f 250,000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan
door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht, geraken van de
Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving
zouden verzoeken van alle "vrije vergunde bedongen octrooien; privilegiën
en voorrechten".
Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied
toestaan en handelsvoorrechten op de kustplaatsen; ook de onderwerping
van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak's zorgen. Het had hem veel
moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde
aan den mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen
uit den weg geruimd.
[129:]
Niets scheen moeite
te kosten dan het laatste artikel, waarop ook nog een zoogenaamd "secreet
appendix" doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie
verbonden "nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenige
Makassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch
ook eenige frequentatie te verleenen."
In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen,
die in Mataram waren toegelaten, zouden staan "onder het gebied
en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven
des Soesoehoenans onderdanen."
Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating
van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste
eischen en zelfs zoo het bleek, dat alle pogingen, die hij daartoe in
der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen
in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het
den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia
zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.
"Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,"
sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, "het zal moeite kosten
den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar
mooi werk mee verschaft; had hij hem maar tot vriend gehouden."
"Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men
ten minste, wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge
aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven."
"Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw
als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden,
en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een
riem onder 't hart steek, dat de wolk zal voorbij drijven. Juist dat
wantrouwen van ons
[130:]
maakt hen, die
't goed met de vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg,
dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hun ook uiterlijk
eer en achting bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig
hij ook zijn mag, in de hoogste mate; hij schrijft hun steeds nevenbedoelingen
toe. Daarom ook handelde hij met schier javaansche wreedheid toen hij
Kadjoran en zijn geslacht verdelgde."
"Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb,
dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid
en onoprechtheid zijn weerga niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden
moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door
en door kennen om met hen op hun eigen manier om te gaan; die kunst
mist Grevink geheel. Hij is te oprecht."
"Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat
is zeker, maar ik zie het geval niet goed in. Ik weet zelf niet waarom;
hoor eens, Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn
vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?"
"Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt,
dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten."
"'t Is niet gezegd, 't is aan mij, die verwenschte Balineezen te
vangen; gij zijt alleen gekomen voor het diplomatieke gedeelte der zending."
"En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-Generaal
is uw zwager."
"Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk, en mijn dochtertje nog zoo
bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit
geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen, voor mijn
eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia."
[131:]
"Ik heb u
nooit angstig gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter
vuren gestaan. Ik vind het in de hoogste mate vernederend, dat de opperlandvoogd
en raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden
gehouden."
"Ik geloof, dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal
geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis
gebruiken om ons schade te doen."
De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen
van het gezantschap een einde.
"Ik heb een brief voor mijn broeder den heer commisaris,"
sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. "Zoo pas is mij die
gebracht."
Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschriven
was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.
"Wat moeten wij er van denken?" vroeg hij.
"Ze worden bang, de rijksbestuurder is de spil waar alles om draait;
hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opVordering van zijn
lieveling, en nu willen ze zichzelf van hem ontdoen, zonder onze hulp."
"Dat is juist het tegenovergestelde van wat Sindoe-Radja verlangde;
ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten."
"Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten,
tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen
te krijgen?"
"Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen,
anders komt ze nooit ten einde."
"Belieft het mijn broeder nu te gaan?" vroeg Radhen Sindoe-Radja.
"Ja, het is goed, laat ons gaan!" sprak de commissaris.
[132:]
Het was tien uur;
de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens
van den gezant vermoedde noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat
zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.