V.
HET VERHAAL VAN DEN DWERG.
Ten Zuiden van den
kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven door een vruchtbare
streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen van tamarindeboomen
met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen; de huizen zelf zijn
omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige openingen de poorten
vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.
Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten van palmen
wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer; andere
vruchten gloeien tusschen het donkere groen.
[109:]
De ramboetan en
djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners
der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier
ondoordringbaar loof.
De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de eenvoudige
van bamboe gevlochten huizen, en in de kleine tuinen, door loentashagen
van die der buren afgescheiden; de bewoners zitten in kleine groepjes
onder hunne afdaken, de kinderen spelen op den zandigen grond. Hun gejoel
is schier het eenige dat de stilte verbreekt; als ze straks naar binnen
kruipen om zich op de baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der
familie, uit te strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke
kirren der perkoetoets of houtduiven, de lievelingsvogels van den Javaan,
die hij in kooitjes ophangt aan zijn afdak, of wel omhoog hijscht aan
een bamboestaak.
Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel
mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard, eenvoudig
aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter de huizen
in de modder zijn de buffels gestald, die nu uitrusten van hun zwaar
dagwerk. Alles rust, de stemmen der pratend en klinken zacht en eentonig,
om niet te zeggen toonloos; 't is het zoete nietsdoen, waarvan de bewoner
van het Noorden zoo weinig het zoete begrijpt en waarvan de hoop den
Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den dag te tarten.
Midden in het dorp staat een aanzienlijke woning, versierd met geschilderde
en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder bloemdragende
boomen; de tandjoeng strooit haar witte stervormige bloemen over den
grond, de vuurroode bloemen der soka branden in het donkere groen, de
oleander pronkt met zijn witte en roode rozen; de zoete geur der groen
en gele kenangan mengt zich met de meer scherpe
[110:]
van de gouden tjampaka's
en wordt nog overtroffen door op oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte
melatis en de soedepmalem. De tuin, die deze woning omringt, is geheel
en al een bloemenhof, overdag komen de witte, roode, gele, blauwe, paarse
bloemen helder uit tegen het sappige groen der heesters; dan bloeit
en bloost alles onder de schaduw der hooge boomen, nu zijn het alleen
de bedwelmende geuren, die de oostersche weelde der bloemen verraden.
Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn Balineezen
tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden waren hun ter
bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht strekken,
zoo dikwijls als zijn. keizerlijke wil het verlangde.
Het was Radhen Goesik's pleegvader, die alles zoo geregeld had. Radhen
Adipati haatte de Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn keizer
te verlossen van de zware schuld der dankbaarheid, die sedert Troeno
Djojo's val op hem drukte, en de lijfwacht, door de Hollanders aan de
noordelijke punten van Karta-Soera gelaten, overbodig te maken.
De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den keizer te
beschermen en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan. Hamangkoe-Rat
keurde alles goed wat zijn rijksbestuurder deed, hij vertrouwde hem
in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij meende het te
kunnen vinden.
Toen kort na het huwelijk der mataramsche prinses met den balineeschen
avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had
tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid
verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat,
aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk
aansloeg:
"Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvan
[111:]
gen, wien hij verkoos
en dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar
hij hun reeds te groote beloften had gedaan."
Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot
daar alle pogingen in het werk te stellen om het hollandsche gezag door
den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.
Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in Karta-Soera
van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer in zijn
traagheid en onverschilligheid in, maar de rijksbestuurder waakte. Soerapati
ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den wapenhandel te oefenen;
overigens leefden de Balineezen met hun gezinnen rustig in hun kampong,
bebouwden hun landen in afwachting dat men hun hulp zoude noodig hebben.
Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren
onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan
de rebab of javaansche viool haar weemoedige klanken.
Kiai Hemboong hurkte bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar
in diep gepeins verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens
beladen divan zat Radhen Goesik Kousourna; haar welriekende lokken hingen
los als een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders.
Soerapati lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën;
met gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van de
rebab, hij was moede teruggekomen van een tocht in het gebergte met
zijn Balineezen om eenige opstandelingen te vervolgen.
De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed. De
avond noodigde tot een kalm genieten uit, de bloemen vervulden de lucht
met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren de geuren die uit
Kousouma's lokken en
[112:]
kleeren opstegen.
Een teeder koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken
der javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen
versierde handen der prinses op het hoofd van haar gemaal, als wilden
zij alle onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen
tot rust brengen, Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding
grenzende liefde; een liefde, die echter niet gerust kon zijn, want
overtuigd was zij nog niet of zij de hollandsche vrouw voor goed overwonnen
had. Soerapati sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich
met hart en ziel verknocht te hebben aan den Soesoehoenan, maar toch,
soms verried een woord, een blik, hoe in 't diepst van zijn hart nog
vezelen waren, die zich vast en onafscheidelijk aan de blanken gehecht
hadden, in wier midden hij gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn
leven had doorgebracht.
Zij was nog steeds Soerapati's eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook
op was, dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op aangedrongen,
dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou hij de wijdste
kloof graven tusschen hem en de christenen, want de hollandsche vrouw
was de eenige mededingster op wie Kousouma zich verwaardigde jaloersch
te zijn.
Geen andere vreesde zij, sterk als zij zich voelde door haar schoonheid
en scherpen geest; de herinnering aan die blanke alleen maakte haar
machteloos. Soerapati's verbittering tegen de Hollanders was nooit diep
geweest, dat voelde zij. Kuffelers mishandeling en Kiai Hemboong's onbeschaamde
leugen hadden hem overrompeld; zij begreep, dat er oogenblikken waren,
zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende blijken van vertrouwen
gaf, zelfs wanneer Kousouma hem liefkoosde, dat het hem berouwde met
hen gebroken te hebben.
Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij
[113:]
op haar knieën
scheen in te sluimeren, of was zij het alleen, die zijn ziel vervulde?
Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan
onbeweeglijk ineengerold lag.
"Laat die rebab zwijgen, dwerg!" sprak zij, "zij maakt
mijn hart ziek, met haar droeve tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins
verzonken te blijven, laten wij ons anders vermaken opdat onze droefgeestigheid
verdwijne!"
"Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?"
vroeg de dwerg.
"Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,"
zei Soerapati bezorgd. "laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft
evenveel behoefte aan rust als het mijne."
"Zal ik u dan vertellen?" hernam de dwerg, "ik weet ook
mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken
het zieke hart gezond!"
"Ja, vertel op! niet waar Kousourna, gij wilt immers ook wel luisteren
naar Boelde Kidoer's sprookjes!" "Het zijn geen sproken, edele
Heer! Het is 't verhaal van alles wat werkelijk en waarlijk gebeurd
is in het land der Javanen sinds de blanke Hollander er voor 't eerst
verscheen!"
"Ja, vertel maar toe, Boeloe!" zuchtte de prinses, "hoe
de vreemdelingen het geluk verwoest hebben van ons land; want sedert
zij er kwamen was het gedaan met den vrede en de macht der dienaars
van den Grooten Profeet!"
"De goden volgen elkander in Java op," sprak Kiai Hemboong
ernstig. "Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met
hun tjandis, en ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn
gade, de onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders van Buddha,
den goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu
zijn het
[114:]
de volgelingen
van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard bedreigen!"
"Maar deze hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,"
zeide grijnslachend de dwerg, "zij zullen ons Shiwa of Mahomed
gaarne laten, wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen
en onze lijnwaden brengen."
"Zij vinden ons te laag en te min voor hun God", sprak Soerapati
bitter, "de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden;
Hij bekommert zich niet om het vervloekte donkere geslacht."
"Wij hebben hem ook niet noodig!" zeide Kousouma fier, "wij
aanbidden Allah en versmaden hun eerdienst zonder priesters, zonder
offers."
"Dan deden de Portugeezen anders," hernam Kiai Hemboong, "hun
eerste werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen
zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het
van zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is
de rijksdaalder!"
"Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest
is. Wilt ge mij hooren?"
Allen die onder het afdak waren, schoven nabij;Boeloe Kidoer zette zich
op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den
grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw gebak en vruchten
op pisangbladeren ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.
"Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, [Jan Pieterszoon Koen.]
den beroemden stichter van Batavia, den overwinnaar der Djakartanen.
Dit is de ware geschiedenis, die ik u ga mededeelen, zooals zij door
de vaders verhaald is aan de kinderen en door dezen weder aan hun kinderen.
Er was in de zee een eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf,
Tanoeraga
[115:]
was haar naam,
en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran, wier rijk
verwoest werd door de belijders van den Islam.
"De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit
vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta
hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en
gebeden; zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet, het eene
jaar verving het andere, maar haar gevangenis duurde voort."
Radhen Kousouma voelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan;
een zucht, die weerklank vind in haar ziel, ontsnapte zijn lippen; zij
begreep, dat Soerapati dacht aan een andere gevangene, ook op een eiland
in Batavia's haven. De dwerg ging voort.
"Op zekeren dag gebeurde het, dat de dappere Baron Soekmoel, de
zoon van den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had,
met zijn dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien
schepen bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta
waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar
het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron
Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van Djakarta
alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den vreemdeling in
hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich, want rechts en links
werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij zeer voordeelig
gekocht te hebben. De groote Soekmoel bezocht den Pangeran van Djakarta,
en deze verwelkomde hem met groote vreugde; hij richtte feestmalen aan
en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den buffel vechten en allen
juichten omdat men zoo veel en zoo goede winst had gemaakt; het eiland
Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend realen.
[116:]
"En toen hij
er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en bemerkte, dat
zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht en haar ooren
waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle maan, en zij
was welriekend als de sokabloem.
"En Baron Soekmoel dacht in zijn hart: Mijn oogen kunnen zich niet
verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: "Zeg
mij, schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?"
"En de prinses antwoordde:
"Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten
van Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van
den Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar
breng ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door."
"Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:
"Waarom houdt gij prinses Tanoegara gevangen?"
"Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en
ik bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk."
"Ik heb de prinses gezien," zei Baron Soekmoel, "en mijn
hart is bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan
zal ik niet van hier gaan. Wilt gij mij haar schenken, dan zal ik u
drie stukken sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan
word ik uw vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden
weigert."
"De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri's en
dezen rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen, en
ik heb twee van de drie kanonnen gezien, en dat is een bewijs voor de
waarheid mijner woorden. Een wordt bij den sultan van Bantam bewaard,
en een door den
[117:]
vorst van Tjeribon,
terwijl het derde hier de aloen-aloen van den machtigen keizer van Mataram
versiert.
"Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het
eiland en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het
feest en van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest
geven, want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met
kostbare koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron
Soekmoel met zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner
schepen en vertrok weer naar zijn land.
"En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo
schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van de langsep
maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er
door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw
als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik,
met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij opgroeide
werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen waren sterk
als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de zon; hij
was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders hadden hem
Moer DjangKoeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle landen aan gene
zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.
"Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat
hij een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom
vroeg hij eens: "Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als
het vleesch van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger
dan allen, die ik ooit zag?"
"En de moeder antwoordde:
"Omdat mijn land niet dat uws vaders is," en zij
[118:]
verhaalde hem hoe
de Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel
haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang
Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:
"Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen."
En tot zijn vader zeide hij:
"Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen."
En nu werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper
beslagen schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en
kanonnen en vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat
men eindelijk Djakarta bereikte.
"De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen
mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en
bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem
ook betaalde, altijd was 't goed.
"En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop
een vesting; de javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en
velen traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng
vergat zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde
ze diep in zijn hart. En eens gebeurde het, dat hij twist kreeg met
den Pangeran en deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari,
waar hij zich verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).
"De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede
vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra begon
een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran de
Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter
zijn verschansingen voortdreven. Alle hoop voor de vreemdelingen scheen
verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn
zoon ter zijde; met drie
[119:]
goed uitgeruste
schepen verschijnt hij op de reede van Batavia en overziet den toestand.
"Mijn zoon," zegt hij, "hier baten geen kogels, maar
waar sterkte faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran
van Djakarta uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting
Goenong Sari, maar ik zal hem kogels zenden, diezij niet zullen weerstaan."
En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en zilveren
rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten. Nauwelijks hadden
de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de bamboestengels
vielen, of zij vergaten te strijden, rukten de halmen uit den grond
om het geld op te rapen. Het duurde niet lang. of de geheele bamboehaag
was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels geladen en weldra werd
de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar het gebergte, de Compagnie
daarentegen. . . . ."
Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en
allen wendden het hoofd om.
Het zand kraakte licht onder de stappen van twee mannen, die behoedzaam
het quis naderden en weIdra ook in de galerij verschenen.
Hij ging hen tegemoet; bij het flikkerende lampje, dat tegen een der
stIjlen geplaatst was, herkende hij den rijksbestuurder en den kroonprins.
"Ik moet u spreken," zeide Amirang Kousoumo haastig, "het
is een zaak van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den
avond."
"Laat ons naar binnen gaan," sprak Soerapati en boog zich
diep voor den pleegvader zijner vrouw en voor den prins.
Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.
"Vader," zeide zij, "er dreigt mijn man een gevaar! Ik
heb het dezen avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven,
die waarschuwend
[120:]
klaagden; mijn
hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen tot aan mijn oogen.
Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deel en en hoe zal ik het kunnen
deelen, als ik het niet ken?"
"Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen
uw gemaal, maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het
bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet scherp
en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe, Soerapati,
onze beraadslagingen bij te wonen."
"Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van
de vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders
mij opeischen?"
"Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt
het ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden
naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel
hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te betalen
en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich verbond geen
vreemdelingen in zijne landen toe te laten,"
"Is dit alles?"
"Ge begrijpt wat deze laatste bepaling beteekent, uw uitlevering."
"Wat zal de keizer antwoorden?"
"De keizer wil vier mantri's naar Samarang zenden om den gezant
te begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den
kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven over de komst
van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde, dat de Compagnie
hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand van het
rijk te spreken."
"Als de gezant hier komt, kan ik niet blijven," zeide Soerapati
beslist, "wat wil de kceizer dat ik doe?"
[121:]
"Datgene,
waartoe gij moed hebt," antwoordde de kroonprins.
"Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?"
"Onderwerping," riep Radhen Goesik onstuimig, "wat bedoelt
gij daar mee? Wilt gij weer slaaf worden?"
"Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid
mij op voorwaarden over te geven."
"Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze
zoo goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien
gij in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal
ik dan met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat
hij een lafaard was, met u zal ik gaarne ellende en armoede deelen,
maar geen slavernij!"
"Ge spreekt zooals het mijn dochter past, Kousouma," hernam
de rijksbestuurder goedkeurend, "het hangt van uw gemaal af, wat,
hij wil doen, Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den
kroonprins blindelings gehoorzamen en zoo niet, dan moet hij vluchten
onmiddellijk, een middenweg staat niet open, De Hollanders zullen hem
een vreeselijk lot bereiden, als hij in hun handen valt. Kies dus, Soerapati,
wat wilt ge, vlucht of strijd?"
"Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm
noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in."
"Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan, dat gij hem
tot lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post."
"En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen vrede
wil sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?"
"Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen, maar ongelijk
zijn de wapens, als men zich bedient van veinzerij."
[122:]
"'t Is het
wapen van den hoveling maar niet van den soldaat."
"Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!"
"Vertrouw mijn vader, Soerapati," riep Kousouma uit.
"Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt," verklaarde
de kroonprins.
"Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn
keizer èn prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat
alles voor uw bestwil is en voor het heil van het keizerrijk."
"Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd
eerlijke lansen; men weet niet wie 't treffen zal, daar het doel steeds
verborgen blijft."
"Zeg ons dan oprecht, vader, wat ge wilt," drong Kousouma
aan.
"Wat ik wil," en onder des rijksbestuurders dikke wenkbrauwen
schoten zijn kleine oogen vonken, "wat ik wil, den Hollander verdrijven
uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet na Troeno Djojo's
heilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich toegeëigend
heeft, dank onzen onderlingen twisten, hem toonen, dat wij zijn hulp
kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens hem. Verstaat
ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken, zal ik mij van
alle wapens bedienen, van geweld zoo goed als van veinzerij! En als
Soerapati mij bijstaat dàn zal ik slagen, dan zullen wij weer
eenige meesters zijn in ons land."
"Ik begrijp niet, hoe gij tot dit doel zult geraken."
"Laat het mij over!" sprak de rijksbestuurder geheimzinnig,
"ik weet dat gij en uw Balineezen overschrokken en dapper zijt;
laat mij rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg! Gij zijt
ge
[123:]
waarschuwd! Verzamel
al uwe Balineezen en blijf de Zuiderpoort van den kraton bewaken."
Weinige oogenblikken later waren de prins en de rijksbestuurder vertrokken
en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.