VII.
VERRAAD.
Groote verwarring
en onrust heerschden in den kraton; de Soesoehoenan met verglaasde oogen
en angstig bevende vingers, zat omringd door zijn vrouwelijke lijfwacht
op zijn troon, terwijl de voornaamste hofgrooten op eenigen afstand
van hem neerhurkten.
Angst en schrik lagen duidelijk op aller trekken te lezen, niemand wist
eigenlijk wat er te doen was, niemand wat de keizer verlangde; men vestigde
nu eens de blikken op den rijksbestuurder, dan weer op den zwakken,
besluiteloozen vorst. Amirang Kousoumo alleen was kalm, niets gebeurde
er wat hij niet voorzien en voorbereid had; alles ging zooals hij verwachtte,
en de groote slag moest nu geslagen worden. Hij wilde zich van den gezant
en al de Hollanders ontdoen, reeds sinds lang droeg hij dit voornemen
met zich om. Nooit was de gelegenheid schooner geweest, nooit zou zij
zich weer op deze wijze voordoen.
De Pangeran Sampan Tjakra de Ningrat, regent van Madura, was echter
niet van de meening des rijksbestuurders.
[133:]
"De Hollanders
zijn machtig," sprak hij, "wat zal het u baten, al vermoordt
gij ook den gezant en allen, die hem vergezellen? Morgen komen er nieuwe
geduchte legers van Batavia, om zijn dood te wreken; ge zult niets gewonnen
hebben dan hun vijandschap, en uw Hoogheid weet bij ondervinding, hoe
krachtig hun hulp is."
De Soesoehoenan zuchtte:
"Had ik die nimmer noodig gehad!"
"Dan regeerde Troeno Djoyo nu in Mataram en gij zoudt als balling
rondzwerven indien gij tenminste niet evenals uw vader, ter ruste waart
gelegd in het eenzame Tagal-Wangi."
"Uw vader heeft de lessen van den profeet veracht, hij liet de
geestelijke raadgevers van zijn volk bij honderden vermoorden. Allah
strafte er hem voor door waanzin, en later door een smartelijken dood,"
zeide op plechtigen toon de Pangoeloe of opperpriester.
Het gevaar en de afhankelijkheid, waarin de Soesoehoenan zich nu bevond,
gaven allen moed hem minder aangename waarheden te zeggen; met een giftigen
blik zag hij den spreker aan en maakte wellicht het plan om, als hij
zich sterker zou voelen, zich over dien ongevraagd en raad te wreken.
"Gij hebt de dienaars van Allah versmaad in den dag der verdrukking,"
ging de Pangoeloe met klimmende verbittering voort, "gij hebt gekropen
voor de kafirs, aan hen hebt gij een kroon te danken, aan niemand anders.
Weiger dan ook niet de schuld te dragen, onder welker gewicht zij u
thans verpletteren! Elke weldaad is een steen, die ons op den nek wordt
gelegd en waarvan het moeite kost zich te bevrijden; door hun gunsten
aan te nemen hebt gij u in hun macht gesteld. Wie weet, hoe zij thans
die macht zullen gebruiken? Ik kan u niet helpen! Gij, noch uw vader,
hebt ooit Allah geëerd."
[134:]
"Het is nu
de tijd niet tot nuttelooze verwijten," zeide de madureesche prins,
"er moet een besluit genomen worden, en hoe sneller hoe beter.
Wilt gij Soerapati uitleveren?"
Hulpeloos zag de keizer zijn rijksbestuurder aan, die tot nu toe met
neergeslagen oogen had gezwegen.
"Help mij, Radhen Adipati, help mij! van u alleen verwacht ik mijn
heil!" kermde hij.
"Den zwakken betaamt list," zeide Amirang Kousoumo langzaam,
"want gij zijt zwak, O keizer! Zwak en uitgeput door de zware weldaden;
waaronder de Hollander u drukt. Gij moet u niet schamert die zwakheid
te belijden voor de machtige vreemdelingen. Aan zwakken en vrouwen vergeeft
men veel!"
"Uw woorden zijn duister, mijn zoon! Spreek klaarder taal!"
"De zwakke aanvaardt de hulp, waar hij die vinden kan; hij buigt
schijnbaar het hoofd in onderwerping voor den sterke en neemt in het
verborgen de hand aan van dengene, die hem verlossen kan van den gehaten
beschermer en in wiens hart geen wantrouwen meer schuilt, dank die openbare
hulde. Zijn nu mijn woorden duidelijker, o keizer?"
De Soesoehoenan sloot de oogen als wilde hij stil de woorden van zijn
dienaar verwerken.
"Ik begin u te begrijpen, Radhen Adipati, ge wilt dat ik Soerapati
tot vriend houde en tevens ook den Heer Gezant vleie! Maar hoe zal dat
geschieden?"
"Het is gevaarlijk, O keizer!" zeide de Pangeran, "op
twee lansen te vertrouwen, die niets liever wenschen dan zich tegen
elkander te richten."
"Niets kan gevaarlijk zijn waar een omzichtig oog de wacht houdt;
verwarring is een goede afleiding! Laat Karta-Soera in opstand schijnen
omdat de Balineezen zich verzetten willen tegen de uitlevering van hun
hoofd! Gij zelf wenscht die uitlevering, gij draagt ze op aan den Radhen
Tjakra de Ningrat,
[135:]
die uwe geheime
bedoelingen begrijpt en eerbiedigen zal!"
"Ik breng liever geen opdrachten ten uitvoer met dubbel doel,"
antwoordde de Pangeran minachtend.
"Ook niet als het heil des Meesters en het geluk van het javaansche
land er van afhangen?" vroeg de Pangoeloe. "Te veel reeds
gunden wij aan den vreemdeling, die het alleen op onze schatten en op
onzen grond heeft begrepen; waarom bleef hij niet in zijn eigen land?
Om met ons handel te drijven, om ons te leeren wat hij kan en wat hij
weet! Dwaasheid! Hij wil ons onderdrukken, ons afkeerig van Allah en
zijn grooten Profeet maken, onze landen wil hij beheerschen, onze vorsten
verdrijven en met blindheid zijn onze prinsen geslagen. Zij zoeken de
hulp niet, daar waar zij alleen te vinden is, maar roepen den begeerigen
ongeloovige om hun onderlinge twisten te beslechten; zij trachten niet
eendrachtig met elkander te blijven, en vergeten, dat de bundel saamgebonden,
pijlen de kracht van den sterkste tart, terwijl zij elk afzonderlijk
door een kinderhand te breken zijn. Daarom mijn zonen, blijft eendrachtig,
zweert den vijand te verslaan door geweld of door list. Allah wil den
ondergang der ongeloovigen. Hij zal uw wapens zegenen! Ik beloof het
u!"
"Maar als Soerapati bezwijkt?"
"Ge moet hem zien strijden, dan zoudt ge dien twijfel geen toegang
geven in uw hart," zeide Radhen Adipati trotsch.
"Laat mij nog trachten alles in vrede te regelen," verzocht
de Pangeran Sampan, "ik wil Soerapati spreken! Het zou te onvoorzichtig
zijn met de machtige Hollanders te breken om den wille van een weggeloopen
slaaf!"
"Ge vergeet, dat die slaaf een held is!" riep Kousoumo verontwaardigd
uit, "een held, wiens vijandschap nog meer te vreezen is dan die
der Hollanders.
[136:]
Een tweede Troeno
Djoyo, die het maratamsche rijk zou kunnen doen sidderen als hij wilde."
"Allah helpe mij! Ik weet niet waarheen ik mij wenden zal,"
klaagde de keizer.
"Ge roept Allah aan in den dag der verdrukking! Zult gij hem nu
ook aanbidden in den dag der overwinning?"
"Ik beloof. . . . ik beloof hem een nieuwe missigit te stichten
en een pelgrimstocht te doen naar het Heilige graf in het Diënggebergte,
ik beloof . . . ."
"Laat ons nu handelen," riep Pangeran Sampan, "ik stel
mij aan het noofd mijner mannen, om met den Regent van Soerabaia bij
Soerapati te hooren wat zijn voornemens zijn!"
De rijksbestuurder glimlachte en boog het hoofd; de keizer wenkte hem
naderbij te komen en fluisterde hem toe:
"Wanneer alles mislukt, dan blijft ons immers de vlucht? Gij zorgt
toch, dat er een weg open gelaten
wordt?"
"Wees gerust!" sprak de Radhen Adipati, "het zal niet
noodig worden, maar verbied den Pangeran, dat hij iets tegen de Balineezen
onderneemt."
In de kampong Babirong
had Soerapati zich door een in haast opgeworpen pagger versterkt; toen
de madureesche prinsen aan het hoofd van hun talrijke manschappen bij
de omheining kwamen, vroeg de Pangeran verlof toegelaten te worden.
Twee Balineezen brachten hen onmiddellijk naar binnen; gewapend stond
Soerapati aan het hoofd zijner honderdveertig man; hij ontving de afgezanten
des keizers hoffelijk en beleefd.
"Wij komen u aanzeggen," sprak de Pangeran, "dat de Edele
Heer Gezant niet den dalem des keizers wil binnengaan, vóór
wij u levend of dood aan hem hebben overgeleverd."
"En wat is de wil van den machtigen keizer?"
[137:]
vroeg Soerapati.
"Hij heeft mij en mijn mannen bescherming beloofd, en ons tot zijn
lijfwacht aangesteld? Eischt hij nu dat ik de wapenen neerlegge? Dan
handelt hij tegen zijn belofte?"
"De keizer heeft mij uitgezonden om u aan te zeggen dat gij de
Hollanders zoudt tegemoet gaan."
"Is dit om genade en vergiffenis van den Heer Tak te verwerven?
Zeg dan aan den Soesoehoenan, dat ik den gezant zal tegemoet gaan als
hij zelf het ook doet, wij zijn tot zijn lijfwacht aangesteld en daarom
ruk ik niet uit, dan wanneer de keizer mij beveelt hem te vergezellen,
al zou 't ook zijn naar Batavia."
"Ik trek met mijn mannen den hollandschen gezant tegemoet, wilt
ge met mij gaan?"
"Neen, ik ben niet tot uw lijfwacht aangesteld."
"Welnu," sprak de Pangeran, "dan moet ik u aanvallen
en tot overgave dwingen."
"Ge kunt het beproeven, wij zijn tot het uiterste besloten."
De prinsen vertrokken en Kiai Hemboong, die achter Soerapati had gestaan,
wenkte hem tot teeken dat hij iets te zeggen had.
"Radhen Goesik Kousouma moet u spreken."
Hij keerde zich om en ging naar zijn woning, waar alle vrouwen en kinderen
der BaIineezen verzameld waren. Angst en schrik lagen op aller gelaatstrekken
te lezen. Radhen Goesik alleen was kalm, zij sprak allen moed in en
met een glimlach kwam zij haar echtgenoot tegemoet.
"Ik heb een boodschap voor u," zeide zij, "alles is schijn!
De Soesoehoenan rekent op uw hulp om hem van de Hollanders te verlossen."
"En de tienduizend mannen, die mij dadelijk gaan omsingelen?"
"Zullen ons den uittocht niet beletten; ge moet er u door heenslaan
en den dalem bereiken om den Soesoehoenan te kunnen beschermen."
[138:]
"Ik begrijp
niets van de bevelen, die tot mij komen! Ze zijn alle even tegenstrijdig.
Wat wil de Soesoehoenan? Zich van mij ontdoen, of mij handhaven; het
is uw vader, die alles regelt. Ik ken zijn geheime wenschen, maar wie
is mij borg dat ook de andere hofgrooten ze deelen. De rol, die men
mij geeft, walgt mij; ik ben een soldaat, een rooverhoofdman, wat men
wil, maar geen dalang, [Vertooner van de wayang - javaansch marionettenspel.]
die telkens andere stemmen aanneemt, andere personen voorstelt."
Hij dacht na, plotseling hief hij het hoofd op, zijn oogen schoten vlammen,
hij greep zijn kris en riep uit op vasten toon:
"Ik zal dan ook handelen als soldaat; ik zal strijden tegen wie
mijn vrijheid bedreigt. Hetzij tegen de mannen van den Soesoehoenan,
hetzij tegen de Hollanders! Mijn vrijheid of de dood! Geen laffe listen
meer, 't is mij onverschillig wie overwint, de keizer of de Hollander,
maar ik wil geen slaaf meer zijn!"
In verrukking staarde Kousouma hem aan.
"Dat alleen verwachtte ik van u, mijn echtgenoot! Strijd met moed!
Zie, neem deze kris van mij aan, zij werd eens gedragen door Troeno
Djoyo, den dapperen Madurees, die den laffen keizer uit Mataram verdreef,
Kolomisanie is haar naam. Hij zelf ontving haar van een heiligen boeteling,
en vergeet ook de tooverspreuk niet; die Boeloe Kidoer u toefluisterde
in het gebergte van Galongong. Als gij die uitspreekt zal de vijand
uwe legermacht verhonderdvoudigd zien en op uw nadering vluchten."
"Ik dank u prinses!" antwoordde Soerapati, het wapen eerbiedig
aan zijn hoofd brengend, en het toen aan den gordel bevestigend, "ik
zal strijden tegen allen, die u in gevaar mochten brengen slavin
[139:]
te worden. Maar
een angst houdt mijn ziel nog gevangen, 't is een vrees, dIe mij bekruipt.
Wat zal er worden van u, wat van al die zwakke vrouwen en kleine kinderen?"
"Laat dat mij over! Heer! Beveel slechts eenigen uwer manschappen
mij niet te verlaten! Dat Kiai Hemboong mij terzijde blijve. Mijn leuze
is gelijk aan de uwe, liever dood dan slavernij!"
Soerapati gaf zijn laatste bevelen, en keerde, na afscheid te hebben
genomen van zijn vrouw, naar de verschansing terug.
De keizer zond alweder een bode om hem tot onderwerping aan te manen;
trotsch en fier weigerde hij te gehoorzamen. Zijn plan stond nu vast;
hij wilde zich niet inlaten met de kuiperijen van het hof, maar voor
zichzelf de vrijheid zoo duur mogelijk koopen.
Pangeran Sampan gaf dus bevel tot schieten. Het is nooit duidelijk geworden,
of de madureesche prins het ernstig meende dan wel slechts op bevel
des keizers een schijngevecht leverde. Het schijnt onmogelijk, dat tienduizend
man niet bij machte waren de slechts door een bamboezen pagger omschanste
legerplaats meester te worden; van alle kanten was Soerapati omsingeld
als de tijger in het alang-alang-veld, maar ook als bij den tijger groeide
zijn moed aan bij het stijgen van het gevaar.
Hij gaf bevel aan zijn mannen zich om hem heen te verzamelen, en zijn
blinkende kris zwaaiend, die - als een zon flikkerend haar stralen naar
links en - rechts verspreidde, wierp hij zich onverschrokken op de vastgepakte
menigte, die hem den doorgang versperde.
Sprak hij de tooverwoorden uit, hem door den dwerg geleerd, die de oogen
der vijanden verblindden, of was het alleen het gezicht van zijn heldhaftige
gestalte, zooals hij daar plotseling den pagger onder den voet trappend,
dood en verderf om
[140:]
zich heen zwaaiend
te midden der aanvallers verscheen? Of wel was alles te voren afgesproken?
Wie zal het zeggen, maar onder luide angstkreten wierpen de tienduizend
helden hun vuurwapens weg, luisterden niet meer naar de vermaningen
en bevelen hunner aanvoerders, en stoven wijd en zijd uiteen, gillend
en jammerend als waren zij zwakke vrouwen en geen strijdbare mannen
geweest.
Nog hooger steeg de verwarring toen zwarte wolken rook zich boven de
vluchtelingen samenpakten, de vlammen ontsnapten uit de rieten daken
der dorpshuizen; Babirong stond in brand, en het was Radhen Goesik,
die bij de eerste schoten haar woning in laaie had gestoken.
"En nu naar het gebergte!" riep zij tot de radelooze schaar.
"Soerapati zal ons daar vinden," en onder bescherming der
kleine troep manschappen snelden zij ongehinderd weg naar het woud,
terwijl de Balineezen zegevierend naar den dalem trokken, waarvan zij
de zuidelijke gebouwen in brand staken, om zich den doorgang naar binnen
te verzekeren.