IV.
EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.
Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera's kraton; over de landwegen trokken de schitterende stoeten der naburige edelen, omringd door hun tallooze volgelingen en de dichte scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis. Twee prinsessen, uit het hooge huis van Mataram, zouden in den echt vereenigd worden, de
[102:]
ééne
met een zoon des keizers, de andere met een onbekend man, doch van wiens
dapperheid en moed wondere verhalen door het volk gingen. Hij ook was
een prins, wisten zij, van machtigen stam, maar als kind uit het paleis
zijner ouders in slavernij weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan
hem zijn vroegeren rang teruggeven.
Het plein, tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van verguld
snijwerk en gloeiende kleuren, is gevuld met een eerbiedig neergehurkte
menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de hofhouding des keizers,
zijn uitgebreide familie en rijksgrooten. Vonkelend van goud en diamanten
troont de heerscher van Mataram op zijn ivoren troon, met rood fluweelzijden
zitting, achter hem zitten de hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke
rijkssieraden dragen, omstreeks driehonderd in getal, in het voorgeschreven
galagewaad, dat ook voor de mannen hetzelfde is: een kain tot over den
boezem reikend, en hals en schouders bloot latend; deze zijn echter
met de goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte
kleuren om den hals geslingerd is.
De rijkssieraden of poesaka's bestaan uit twee soorten; de meest eerbiedwaardige
zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van 's keizers tegenwoordigheid,
en geheiligde dieren voorstellen. Zij zijn alle in massief goud en worden
aangeduid als de vogel Garoeda, het heilige symbool van den hindoeschen
God Vischnou, de Sawoeng-galing of haan, en de fabelachtige Arda-walika
half mensch half slang, twee olifanten, de kidang of reebok en de gans.
De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den
Kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken of heeten
te strekken; de altijd opgerolde gouden mat, de waaier van paradijsvogel-
en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok en sirihdoos,
zijn met goud inge
[103:]
legde zilveren kleerenkist,
zijn gouden kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching
van zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens,
pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.
De andere vrouwen zijn amazonen, die in haar gewone houding op een knie
rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.
De stralen der zon hullen in een oogverblindend licht den in volle heerlijkheid
tronenden monarch en rondom hem de eerbiedig neergehurkte massa volks
in de goudkleurige verf van het hof. De vorstelijke gamelan met zijn
heldere klanken verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers
wordt een slag gegeven op een der groote koperen bekkens, in de pendoppoh
en een oogenblik later verschijnt aan den tegenovergestelden ingang
van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner priesters,
die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.
De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote
tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien
tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den
overhangenden kaftan van gele of purperen zijde. Het bruidsgewaad der
beide bruidegoms gelijkt op het galatoilet der hovelingen, een wit zijden
koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals en schouders,
een lange fraaie solosche sarong is om hun lendenen vastgemaakt met
een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over de knieën
reiken, en die een met diamanten versierde kris half verbergt; het bovenlijf
glinstert van de keizerlijke goudverf.
De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde
tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd onder
die geuren van bloemen en verf; te midden van al die
[104:]
glans en pracht
verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de gedachte
aan zijn vorstelijke bruid, kon dien wensch niet tot zwijgen brengen.
Allen wierpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt
naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een
tweeden wenk af. Eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der trappen
van de pendoppoh gekomen; telkens op een nieuwen wenk van den vorst
schuifelt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten bevindt.
Daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf geslagen
neer op matjes, terwijl rechts en links van hen de priesters op dezelfde
wijze plaats nemen.
"Selamat milaïkum!" zegt de keizer op luiden toon. Allen
buigen zich ter aarde en herhalen als echo's de laatste lettergrepen
van het woord; dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog
tot het voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer,
nu neemt hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het
huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:
"O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk
Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, O liefderijke God! schenkt
Uwe liefde aan degenen, die u beminnen."
Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden;het waren dezelfde,
waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het hollandsche
meisje, dat hem ontrouw geworden was. De Hadji's zongen nu een gedeelte
van den Koran op het huwelijk betrekking hebbende:
"Alle aanbidding aan Allah!"
"Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen
ons onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer
werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af;
[105:]
maar als Allah
hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet. . . . . "
"De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het
overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.
"Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam
heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne
vrouw, en Hij deed uit een paar, den profeet Adam en zijn vrouwe Hewa,
vele mannen en vrouwen voortkomen.
"Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven
u, en ziet uw werken.
"En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen en spreekt
zacht en goed tot uw evenmensch.
Dit alles zal uw weg tot heil worden, en Allah zal uwe zonden vergeven.
Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt, zal groot geluk ontvangen."
Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hun de krissen af; want
niemand mag gewapend in Allah's tegenwoordigheid verschijnen.
Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide
een driemaaal herhaalde bede;
"Wij vragen U vergiffenis, O God, die zoo groot zijt!"
En nu laat de opperpriester hen de woorden uitspreken, die hen met hun
bruiden vereenigen moeten; de bruidegoms verklaren dat zij de echtverbintenis
aanvaarden, met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen
bidden de priesters en getuigen.
"Geef ons zegen O God, geef ons zegen, O God, Amin!" En de
geheele vergadering herhaalt, "Amin."
Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke
voeten te kussen; de krissen worden hun teruggegeven en weinige oogenblikken
later vertrekken zij weer door de priesters omringd.
's Middags is het de bruidsreceptie in de Kapatjijan (de woning van
den rijksbestuurder), die in
[106:]
een rijken dos
van bloemen en groen prijkt. Op een verhevenheid tronen bruid en bruidegom.
Zij opgesierd in omslachtig bruidskostuum, de gitzwarte lokken over
het voorhoofd gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd
getooid met een schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen,
gelaat, hals en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen
en enkels belast met gouden ringen, vol tallooze juweelen, de weinige
kleeren, die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk
aan zachte plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers
volgens javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de
oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en haar
geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich zwijgend aan het lastige,
vervelende ceremonieel, dat. eindelooze uren voortduurt.
Wirajoeda fluisterde Kiai-Hemboong in:
"Onze dappere hoofdman zou ook liever een woesten rooftocht ondernemen
dan zulk een dag nogmaals te doorleven."
Kiai-Hemboong's gelaat drukte echter groote zelf voldoening uit.
"Hij heeft al een grooten weg gemaakt. Sie Oen-toeng, de slaaf,
echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den Soesoehoenan!"
"De weg is nog niet half afgelegd," grinnikte Boeloe-Kidoer,
de dwerg.
Het feest raakte in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de
lucht, hanengevechten, vliegervermaken, wedloop en werden op verschillende
plaatsen in den kraton gehouden. Bij den Pangeran Adipati Amirang Kasoumo
dansten echter de Keizerlijke bajadères, Serimpi's genaamd, negen
in getal en tot de eerste schoonheden van het hof gerekend; zij behooren
tot de voornaamste familiën en velen hunner zijn bijvrouwen, des
keizers.
[107:]
Heur haar is doorvlochten
van juweelen snoeren en met bloemen bestoken; de borst bedekt met een
zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie gouden halve manen
schitteren, een slendang is om het middel geslingerd en moet haar straks
helpen de bevallige figuren van den dans uit te voeren; de wijde sarong
naar een bijzonder patroon vervaardigd, dat niemand anders dragen mag,
golft in wijde plooien ter aarde, en is met goud of zilver doorstikt,
Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een zelfde band
houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een tooverachtig
licht en strooit tallooze vonken in het goud en de edelgesteenten der
danseressen; zij trillen en flitsen bij elk harer langzame. afgemeten
bewegingen.
De Keizer, tegenover het bruidspaar op zijn troon gezeten, volgt met
blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in
de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van
den rijksbestuurder en de andere grooten komen zich nu ook met de Serimpi's
meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich terugtrok
met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en vermoeiende
zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.
"Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!" zei kapitein
Grevink den volgenden morgen tot zijn vaandrig.
"Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De
oude Kasoumo heeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk
met den neef des Keizers."
"En wie is de andere bruidegom?"
"Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn,
maar dien de slimme Kasoumo onder hooge bescherming heeft genomen. Hij
heeft een troep Balineezen onder zich."
[108:]
"Het zal toch
Soerapati niet wezen?"
"Ik meen dien naam gehoord te hebben, 't is dezelfde kranige vent,
dien we op de Senènan voor 't eerst hebben gezien."
"Dat moet ik onderzoeken!" riep Grevink bleek van toorn, "'t
wordt hoe langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich, dat zij alles
mogen doen. Soerapati is dezelfde kerel, die in den Preanger laatst
Kuffeler bijna in 't stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan
hem met zoo'n statie in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten,
dat is schending van het contract. Houd een oogje open, vaandrig."
"Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!"