III.
RADHEN GOESIK KOUSOUMA.
Een heerlijke morgen
was op den stormachtigen nacht gevolgd, vochtige nevels hingen als doorzichtige
sluiers over de bergen en hulden deze in zacht smeltende tinten van
rozerood, citroengeel, amethyst of azuur. Die donkerder schaduwen, zich
afteekenend tegen den klaren achtergrond der lucht, verrieden nog maar
alleen de tegenwoordigheid der ontzagwekkende gevaarten.
De zon schoof zachtkens de sluiers weg, welke zich tusschen haar en
de aarde schoven, een bruidegom
[19:]
gelijk, die, hoe
begeerig ook het gelaat zijner bruid te aanschouwen, toch met eerbiedigen
schroom haar maagdelijke trekken onthult. Stroomen goud en purper zond
de zonnekoning omlaag en tooide zijn geliefde met alle schatten, waarover
hij beschikken kon, en zij zag opwaarts naar hem met een glimlach vol
zoete liefde, stralend in diamentengloed en paarlenglans.
Zelfs de kale wanden van den vulkaan glinsterden in de liefkoozingen
van het licht; aan zijn voet breidde zich een vlakte uit, begroeid met
het welige alang-alang. Een zee van zilver gelijk zoo golfden haar halmen
onder de millioenen regendruppels. Verstrooid tusschen de alang-alang
doemen eilanden van groen op, met de vuurroode bloemen der plosa gloeiend
in het nog schuine zonnelicht en de malakaboom den knoestigen stam met
fluweelachtigen bladerendos omhoog heffend, maar nog schooner is de
gordel van wouden langs de helling, een woud van reusachtige ramalasara's,
de koningen der bosschen, hun breede kronen naar links en rechts uitspreidend,
onverschillig of zij andere boomen daardoor in den groei verstikken,
zelf omstrengeld door een wereld van woekerplanten, een bajert van groen.
Tusschen dat groen schitteren de helle kleuren van de goudgele bloemkronen
der ipomea naast de paarsblauwe bloemen der argyreia, de donkerroode
vruchten der mordecca geven gloed aan het sombere loof; de bamboe laat
vol gratie aan den ingang haar ruischende takken neerhangen om de fraaiste
eerepoort voor het bosch te vormen en aan den rand, waar het woud de
graszee nadert, wuiven lokkend groepen van kleine licualapalmen.
Aan gene zijde van het woud is de natuur nog woester, daar stijgen rotsachtige
bergwanden op, geliefkoosd door klimplanten, die met hun ijle luchtwortels
het gesteente omklemmen, waar zij kunnen postvatten en de ruwe steenen
doen glimlachen
[20:]
onder den liefelijken
sluier van groen en bloemen. Daar dringen zich reusachtige vijgeboomen
door alle spleten en engten, ijverig hun voedsel zoekende, waar zij
't vinden kunnen, en waar nog een plekje onbegroeid blijft, daar spreidt
zich het schitterend witte mos uit, teere beschermer der ruige rotsen
tegen het rusteloos werken der elementen.
In een woeste bergkloof klatert van weerszijden de val van een neerstortenden
stroom; met geweld breekt het rosse water zich door de rotsen, het werpt
zich aan de eene zijde van duizelingwekkende hoogte in den afgrond en
spreidt zich waaiervormig aan de andere uit over een vooruitspringenden
steen om verderop de Tji-Kendoel te vormen, die zich tusschen een lofdak
van varens, omlaag spoedt; een smal voetpad slingert zich door het woud
naar boven tusschen twee vervaarlijke rotspijlers, die volgens de overlevering
der inlanders de overblijfselen zijn van een poort, opgericht door een
der machtige vorsten van Pandjajaran. Hier borrelen verscheidene bronnen
op, koude en warme, half verscholen in het groen en zich slechts verradend
door haar eindeloos gemurmel en door den frisschen dauw, dien zij opzenden,
en waarmede zij de varens en klimplanten in hun beddingen verfrisschen.
Weldra houdt het bosch op, een uitgestrekt veld van puin en steenen
wijst de plaats aan, verwoest door de uitbarstingen van den nog steeds
geweldigen vulkaan; aan den gezichteinder verheffen zich, losgewikkeld
uit hun waden van wolken en dampen, de talrijke toppen van het Gedehgebergte,
zich aansluitend aan den niet minder ontzagwekkenden Salak, stralend
in zijn groen omkleedsel; dicht bij het maagdelijke woud, verderop de
graszee en eindelijk het bebouwde land, opnieuw begrensd door andere
heuvels en bergen, andere wouden en bosschen en over alles het schitterend
Oog van den Dag steeds
[21:]
hooger en hooger
klimmend, als een vorst, die zijn zegetocht begint en alle vijanden
bij zijn nadering op de vlucht jaagt.
Op dit punt stond Soerapati alleen en onvergezeld; met de armen over
de borst gekruist zag hij neer op het schitterend schouwspel aan zijn
voeten, of hief den blik op naar de bron van licht en gloed, die zich
daarover uitstortte.
Verre van daar zweefden zijn gedachten; hij begroette de zon juichend
en jubelend als de oorsprong van licht en leven, als het beeld van den
God over wien hij zich herinnerde, dat zijn christenbruid hem verhaald
had, die gebood over alle natuurmachten, die bergen en dalen uit den
bajert had te voorschijn geroepen door zijn machtig woord, die ze bekleed
had met deze weelde van planten en bloemen, die de wateren deed stroomen
en stem gaf aan de vogelen, die sprak in het rommelen van den donder,
in het bulderen der vulkanen, maar ook in het ruischen van het koeltje,
in het murmelen der beek.
Hij herinnerde zich die lessen, welke hij opgevangen had van Suzanna's
reine lippen, en waarvan hij de bevestiging las in den zoeten blik harer
hemelsblauwe oogen, want ook die waren voortgekomen uit de hand van
dienzelfden grooten, oneindig goeden Schepper.
En misschien onbewust bracht hij hulde aan den Heer dien Suzanna aanbad,
grooter dan de Allah, dien men hem had opgedrongen, machtiger dan Shiwa
den vernieler, dien zijn voorouders vereerden. Hij gaf zich wellicht
geen rekenschap van het gevoel dat zijn ziel doorstroomde, maar het
was een nieuw leven vol kracht en moed, dat in al zijn aderen trilde.
Het frissche morgenuur, het schitterende zonnelicht na de verschrikkingen
van den nacht, deden hem aan zijn toekomst denken zooals zij hem thans
toescheen; het verleden met zijn sla
[22:]
vernij en opstand
was geëindigd. Hij had zijn doel bereikt, de vluchtende prins gaf
zich aan hem over, hij zou hem naar Batavia voeren; wellicht ontving
hij daar den kapiteinsrang, alle zonden en misdaden van Sie Oentoeng,
den voortvluchtigen slaaf waren immers vergeven. 't Was Soerapati, officier
der machtige Compagnie, die zegevierend naar Batavia terugkeerde, die
zijn ouden meester, wiens genegenheid voor hem toch zeker niet geheel
ten onder was gegaan, moedig onder de oogen durfde zien om hem de hand
zijner dochter te vragen.
En dan? Dan, ja dan zou hij Suzanna de zijne mogen noemen.
Zij zou hem leeren den Hollanders gelijk te worden; hij kende hun taal
reeds, hij waardeerde hun beschaving, het was zijn hoogste eerzucht
hen te dienen en daardoor het recht te hebben hen hoe langer hoe meer
nabij te komen, want hij had lang genoeg en van jongs af in hun omgeving
verkeerd om in hen een hooger, edeler ras, dan dat, waartoe hij behoorde,
te erkennen. De liefde van Suzanna had hem tot haar opgeheven; zoolang
hij die bezat, voelde hij zich krachtig en moedig om haar ter zijde
te blijven.
Deze gedachten vervulden zijn ziel met haar rooskleurigen glans; door
de opvoeding, die hij bij zijn meester den Raad van Indië Moor
ontvangen had, bezat hij een gedachtenwereld, geheel verschillend van
die, waarin zijn landgenoot en plachten te verkeeren; zijn gezichtskring,
had zich uitgebreid; zijn neigingen en wenschen hadden een andere richting
genomen. Hij beoordeelde alles van een ander standpunt dan zij; tusschen
hem en zijn makkers gaapte een kloof, nauwelijks zichtbaar in de dagen
als gemeenschappelijk gevaar en een zelfde vrees hen verbonden, maar
die nu telkens dreigde, nu hij zich met hart en ziel aan de Hollanders
verbonden had, terwijl zij slechts uit noodzakelijkheid die vergiffenis
[23:]
aangenomen hadden
en zich morrend bogen onder het juk der vreemde meesters.
Soerapati bezat groot overwicht over zijn mannen; hij was nog steeds
hun opperhoofd, al droeg hij de uniform der Compagme; hij had de meesten
hunner van kerker en dood gered, zij waren hem trouw gevolgd in de wildernis
en in het kamp des vreemdelings, even trouw in den opstand tegen het
gezag, als in de onderwerping, maar hij zag genoeg met welken tegenzin.
Geen liever gebod zouden zij van hem ontvangen dan dat van hun wapens
te keeren tegen de nieuwe meesters; telkens moest hij tusschenbeide
treden om twisten tusschen zijn Balineezen en de Europeesche soldaten
te bedaren; zijn taak was moeilijk, maar hij hoopte ze trouw te vervullen
en dan tot belooning de volledige vergiffenis der Compagnie, de hand
zijoor blanke bruid te verwerven.
Geen schooner toekomst zou voor Java kunnen aanbreken, meende hij, dan
als beide volken zich vereenigden, zooals eenmaal de Islam den ouden
Hindoegodsdienst in zich had opgenomen. Nog schitterender zou nu de
overwinning zijn, dan eerst zou Java machtig worden, machtig en één
in de stoffelijke en geestelijke belangen van staatkunde en godsdienst.
Er zouden geen overheerschers meer zijn en geen verdrukten; aan de vreeselijke
willekeur der inlandsche hoven, de domme verdrukking, de noodelooze
wreedheid zou paal en perk gesteld worden en schoon als de morgen breidde
zich een schitterende, heerlijke toekomst over Java uit, die hij zou
helpen stichten voor zijn trouwe hulp en medewerking den Hollanders
aangeboden.
Dat waren de droomen, die Soerapati's geest verdulden, de vizioenen,
die hij aanschouwde in de eerste gulden glorie der morgenzon, terwijl
hij op de hoogte toefde en het landschap zijn geuren en glan
[24:]
sen ten hemel opzond
als een ontzaglijk offer.
Een zachte stap deed zich hooren op de steenen, die hier den grond bedekten;
hij zag om en bemerkte dat een vrouw hem naderde; zij droeg den sarong
om het middel, vastgesnoerd door een gouden band; deze sarong was van
fijne soort, diamanten steenen schitterden in haar ooren en een geelzijden
sikepan of baatje viel van haar schouders, die ten overvloede nog door
een roode slendang (sjerp) versierd waren. Haar gelaat had de zachtgele
kleur, Javaanschen vrouwen van hoogen rang eigen; voor haar landaard
waren haar trekken fijn en regelmatig, eenige bloemen waren koket in
haar dikke, glanzende lokken gestoken; haar gang had de wiegelende onzekerheid,
die bij dat nationale gewaad zoo bekoorlijk schijnt, maar in Europeesche
kleederen onbehagelijk en belachelijk wordt.
"Allah schenke u een gelukkigen dag, gevolgd door een lang, gezegend
leven!" zeide zij halfluid en sloeg de groote, donkere oogen schuchter
neder.
Soerapati zag haar aan.
"Ik dank u voor dien goeden wensch, zuster!" sprak hij hoffelijk,
"en ik hoop, dat hij ook bij u in vervulling moge komen."
"Bij mij zal hij zeker waarheid worden, zoo het u behaagt."
"Mij behagen! Zeg mij, zuster, waardoor ik u zulk een goede gave
als een lang gezegend leven is, kan schenken."
Zij naderde hem wat meer en sloeg nu de oogen op naar zijn gelaat.
"Herkent ge mij niet, Heer?" vroeg zij.
"Het voorrecht u te ontmoeten was mij nog niet eer gegund, Vrouwe!"
antwoordde Soerapati, "maar dat zie ik genoeg, gij zijt van edel
geslacht; waarom zwerft ge dan alleen hier door het woud en verwondt
gij uwe teedere voeten aan de scherpe stee
[25:]
nen? Dit is geen
plaats, geschikt voor een jonge, schoone vrouw als gij, vergun dat ik
het u zegge!"
"Gij hebt gelijk Heer, en ik zou mij met mijn dienares, die mij
ginds aan de bronnen wacht, hier niet begeven hebben, als geen gewichtige
belangen het mij ten plicht stelden. Ik moet u spreken, en koos daarom
dit vroege morgenuur, onder voorwendsel van mij te gaan baden in het
woud. Wilt ge mij hooren?"
"Spreek, edele Vrouw! Uw woorden klinken mij in de ooren zoo zoet
als het gezang van de kaso, den zanger onzer bosschen! Als ge mij iets
vraagt, dat ik u kan toestaan, ik zweer u bij mijn kris, ik , zal het
u verkrijgen!"
De jonge vrouw wierp zich voor zijn voeten en zag hem smeekend aan.
"Sta op, als ge wilt dat ik u hoore!" zeide Soerapati, "in
deze houding wil ik u niet zien. Het past u niet u te vernederen voor
een eenvoudigen man als ik."
"De smeekende moet in ootmoedige houding spreken tot hem, van wien
haar eenig heil afhangt, dat is altijd een passende gewoonte geweest.
Gij herkent mij niet, Heer, maar uw gelaat en gestalte zijn in mijn
ziel gedrukt, zooals de heiligen hun voetstappen achterlieten in den
kouden steen, dien zij eenmaal betraden. Ik ben Radhen Goesik Kousouma,
de tweede vrouw van den eenmaal zoo machtigen en nu vluchtenden Pangeran
Poerbaya. Gisteravond zag ik u bij mijn heer, ik hoorde dat gij een
taal vol wijsheid spraakt en daarom kom ik van u hulp en steun vragen."
"Voor uw echtgenoot?"
"Neen, voor mijzelf. Gij hebt goed gezien, ik ben van hoog en edel
geslacht; de Solosche prins Amirang Kousoumo Rijksbestuurder van het
keizerrijk Mataram is mijn pleegvader. De Pangeran Poerbaya verkreeg
mijn hand, maar hij heeft mij nooit lief
[26:]
gehad, de Tjeribonsche
prinses Sepoe is zijn lievelingsvrouw , de moeder van zijn zonen, toch
ben ik hem gevolgd, toen hij door het ongeluk zijner wapenen gedwongen
was te vluchten. Ik heb de verbanning en zijn zwervend leven met hem
gedeeld; maanden lang leden wij honger en dorst, vermoeienis en hitte,
slechts door de vochtigheid van den regen afgewisseld, in deze wildernissen
en toch heb ik mijn Heer en gemaal tot het laatste aangeraden moed te
houden en zich niet te onderwerpen. 't Mocht niet baten, hij zal nu
gaan kruipen voor de blanke mannen, hij zal u zijn wapens overgeven
en dan de rijst der overwinnaars gaan eten. O schande!"
"Vrees niet, prinses! het juk der blanke meesters is niet zwaar!"
"Schande is altijd zwaar! Ik, de dochter van prinsen, ik wil het
niet dragen, liever verlaat ik mijn al te zwakken gemaal, en keer terug
naar mijn vader, die de poorten van zijn huis voor mij heeft open gezet
en daarom wil ik u de gunst vragen, laat mij niet vertrekken naar Batavia,
breng mij terug naar mijn vaderland!"
"Maar edele Vrouw, hoe zal ik u die gunst verkrijgen als uw echtgenoot
het niet verlangt? De Prins is thans uw Heer en Meester, gij moogt hem
niet verlaten, dan als hij u verlof er toe geeft."
"Ik heb den Bantamschen prins gehuwd en niet den huurling der Hollanders;
hij zal mij dat verlof met geven, want hij heeft mij lief, zooals men
een kind liefkoost om zijn aanvalligheid, maar wier woorden men als
kindertaal glimlachend aanhoort. O Heer, laat mij niet gaan naar Batavia,
laat mij niet kwijnen in gevangenschap, hoe verguld de ketenen ook zijn,
het blijven ketenen. Daar straks hebt ge mijne stem vergeleken met die
der kaso. Welnu, wat zal het lot van het vogeltje zijn, als gij het
in den kooi, hoe sierlijk ook, wegsluit; het zal verkwij
[27:]
nen van heimwee
naar zijn bergen en bosschen. Zoo zal 't ook mij gaan, als ik 's prinsen
gevangenschap deelen moet. Gij zelf, gij weet wat het is vrijheid te
missen; de rijst der slavernij smaakt hard en bitter, het kost moeite
haar te eten, zij benauwt de keel en ontneemt ons den adem! Laat mij
's prinsen lot niet deelen! Ik smeek het u bij haar, die ge bemint zooals
elke vrouw verlangen moet bemind te worden!"
Haar stem klonk zoet en vleiend, haar schoone oogen waren smeekend op
hem gericht. 't Kon niet anders, of de Balinees moest getroffen worden
door de dringende bede der vorstendochter.
"Maar begrijpt ge niet," vroeg hij, "dat elke poging
door mij gewaagd, den prins als verraad zal voorkomen? Ik kan toch niet
willekeurig u uitsluiten van het vrijgeleide, dat ik den Pangeran en
zijn gezin zal schenken."
"Ik begrijp slechts één ding! Gij kunt mij redden,
gij alléén. Het hoe daarnaar vraag. ik niet. O,"
ging zij half fluisterend voort, "als ge mij wildet toestaan u
te beloonen, hoe zou ik u helpen op de baan, die gij inslaan moet, want
gij zijt bestemd tot groote dingen. Boeloe Kidoer, de dwerg, die kennis
bezit van de toekomende dingen, heeft u in zijn droom gezien, met een
kroon. op het hoofd, schitterend als de zon. Indien uw hart niet verknocht
was aan de blanken, ik zou u tot roem en aanzien brengen. Mijn vader
is almachtig in 's keizers rijk, ik ben zijn liefste dochter; hij weet
moed en verstand te waardeeren, hij zou u overladen met eerbewijzingen,
hij zou u doen klimmen tot ,hooger eerepost, dan ge ooit bereiken kondet
in dienst der blanken. Als ge hen verlaat en mij brengt naar Karta-Soera,
dan zal geen loon te groot voor u zijn."
Soerapati glimlachte medelijdend.
"Ge spreekt als een echte vrouw, prinses! en
[28:]
daarom vergeef
ik de zwakheid uwer woorden; ik dien nu de Hollanders en geen macht
ter wereld zal mij kunnen bewegen hen ontrouw te worden. Vraag den prins
verlof, terug te keeren naar uw vaderland en ik zal zorg dragen, dat
uw wensch vervuld wordt, dat zweer ik u!"
"Is dat het eenige," vroeg zij en tranen sprongen haar in
de oogen, "het eenige, wat ge voor mij doen kunt?"
"Helaas! Niets anders, edele vrouwe en zoo ik u een raad schenken
mag: de zon is reeds hoog in de lucht; keer terug naar den prins uw
gemaal, spoedig zal ik u volgen. Hij mag niet weten, dat ik u hier gesproken
heb en uw aanwezigheid verraadt mij, dat hij nabij is. Ik beloof u mijn
steun als gij van uw gemaal verlof ontvangt terug te keeren naar uw
familie."
"Dankbaar neem ik dien steun aan als gij mij niets anders geven
wilt!" antwoordde Kousouma en groette hem uit de hoogte. Zij keerde
zich om en verdween in het bosch.
"Zij is schoon," dacht Soerapati, "maar de blonde dochters
der Hollanders zijn veel schooner."
De prinses was intusschen naar de bron teruggekeerd, waar een slavin
en Boeloe Kidoer, de dwerg, haar wachtten.
"Wat heeft hij u geantwoord?" vroeg de dwerg haar te gemoet
waggelend.
"Hij is hard als het hout van den djati-boom; ik heb slechts weinig
gewonnen, maar ik geef de hoop niet op. O Boeloe! had ik nooit zijn
schoone gestalte gezien, dan ware die liefde mij niet zoo plotseling
door de oogen in het hart gedrongen, of is zij met zijn stem door mijne
ooren geslopen? Nu heb ik nergens rust meer, waar hij niet is. Zou Allah
besloten hebben hem mij te geven of heeft de booze geest dezer streken
in mijn hart dat noodlottige vuur ontstoken? Boeloe, ik beloof u mijn
mooiste gouden
[29:]
pending [Band om
het middel.], als ge maakt, dat hij koning wordt en ik zijn koningin."
"Koning! Dat zal hij eenmaal zijn, prinses! en of gij zijn koningin
wordt, het hangt alleen van u af; wilt ge naar de woorden van den dwerg
luisteren?"
"Ach, 't zal niet baten, Boeloe! De blanke vrouw vervult zijn hart,
hoe zal ik daar plaats vinden?"
"De eene berg kan daar niet komen, waar reeds sinds eeuwen de andere
staat, maar niets gemakkelijker voor de vrouw, die bemint, dan de plaats
eener andere in te nemen, die afwezig is!"
"Ware zij mijn landgenoot, ik zou haar niet vreezen, dwerg, maar
zij is een blanke, en die vrouwen met haar blauwe oogen en gele haren
hebben meer macht dan wij."
"We zullen zien, wie sterker is!" grinnikte de dwerg.