[12:]
II.
PANGERAN POURBAYA.
Pangeran Poerbaya
omgeven door zijn geliefste vrouwen en kinderen, had in een vrij ondiepe
bergkloof een toevlucht gezocht; tegen den steeds feller neervallenden
regen. Mismoedig zat de vluchtende prins op de kleine mat, het eenige
teeken nog zijner waardigheid, zijn sirihdoos stond onaangeroerd naast
hem, een kleine olielamp in een hoek der rots geplaatst, verlichtte
met haar treurig licht het vorstelijk gezin; rechts zat zijn oudste
vrouw Radhen Sepoe, die zacht snikkende aan haar leed; lucht gaf.
"Daarvoor had ik mijn schoon land niet verlaten," klaagde
zij, "om maanden lang zulk een leven te leiden. Mijn minste slaven
zouden niet met mijn lot willen ruilen. Wat hebt gij gewonnen, Heer
door u te meten met de Hollanders? Zij zijn almachtig. Sedert dat zij
op Java geland zijn, is het met de macht van den bruinen man gedaan.
Evengoed kunt gij strijd voeren met den Gedeh, als te hopen, dat gij
't van hen zult winnen!"
"Schrei niet meer, vrouw!" sprak de prins deemoedig, "uw
tranen doorweeken mijn hart meer dan de regendroppels mijn kleederen
bevochtigen. Zij hebben mijn moed verdreven; als de Edele Compagnie
mij vergiffenis schenkt, zal ik bereid zijn mij over te geven aan haar
edelmoedigheid."
Luide snikken weerklonken in de grot, de beide Radhen Ajoe's en haar
dochters weenden, en de slavinnen volgden het voorbeeld harer meesteressen.
[13:]
"Wat zal ons
lot wezen onder de Kafirs?" [Hollanders.] vroeg de tweede gemalin.
"Zwijg!" beval de favorite, "alles zal beter wezen dan
het leven in de bosschen, het zwerven in holen en spleten. Storm en
regen zijn nu onze vijanden; de blanke mannen zullen zich genadiger
toonen."
"Waarom vluchten wij niet naar Karta Soera, waar mijn oom de Rijksbestierder
van Mataram woont?" vroeg de andere weer.
"Zoek den weg tusschen de wapenen van de Hollanders!" sprak
de Pangeran, "en wat zal het u baten? De keizer heeft ook vrede
en bondgenootschap gesloten met de gevreesde vreemdelingen."
"Vloek over hen!" riep de tweede Radhen Ajoe uit, "niets
als onheil kan uit zulk een verbond voortkomen. En u, Sepoe, het zal
u berouwen, onzen heer zulk een laffen raad te hebben gegeven."
Angstig zag de prins zijn beide vrouwen aan; hij wist wat een twist
tusschen haar te beduiden had en wilde deze zoo goed hij kon in deze
enge ruimte voorkomen; wellicht ware hem dit niet gemakkelijk gevallen,
als niet plotseling het kaboutertje, zoo onverwachts als steeg hij uit
den grond op, in de grot verschenen was.
"Vader," zoo begon hij, "de kalongs [Vleermuizen.] hebben
mij een mooi sprookje verteld. Wilt ge het hooren?"
"Spreek, mijn jongen! Alles is beter te hooren dan het woeden van
den storm, het kletteren van den regen of het twisten der vrouwen."
"Daar waar de zee de rotsen bespringt, vergastten zich op het rotsachtige
strand een troep wilde vossen aan het malsche vleesch der schildpadden,
die zoo juist uit de zee waren opgestegen, maar de buit was te klein
voor den vraatzuchtigen troep; huilend en jankend vielen zij elkander
aan en riepen om hulp. Eensklaps verscheen de koningstijger,
[14:]
langzaam met loerende
oogen en met statigen gang gevolgd door zijn tijgerin en zijn jongen,
als de rechter, die beslissen moet. Hij deed een sprong en weldra bleef
op het strand niets over dan het bloed van de schildpadden, vermengd
met de beenderen der vossen."
"Dat is ons lot, prins!" riep de jonge Radhen Goesik uit.
"Boeloe heeft gelijk, zoo zal het gaan met alle Javaansche vorsten.
Zij strijden met elkander om hun eigen land, roepen den steun in van
den vreemdeling en deze vernietigt hen allen om in hun plaats te heerschen."
"De tijger heeft uw roep gehoord, hij komt nader, hij zal u een
plaats aanbieden in het hol, dat hij zich in Soenda Kalappa gebouwd
heeft."
"Allah zij gedankt, we zullen ten minste een dak boven het hoofd
hebben!" zuchtte Radhen Sepoe.
"Het dak eener gevangenis," voegde de jongere er spottend
achter. Vlammende blikken wierp Radhen Sepoe op haar mededingster.
"Zwijg, vrouw! Genoeg rampen hebt gij over onzen Heer gebracht.
Zonder uw heilloozen invloed zou hij nimmer tegen zijn broeder, den
wettigen Sultan van Bantam, opgestaan zijn; nimmer had hij de zijde
van zijn vader gekozen in den strijd tegen de Compagnie, zoo gij niet
gevlamd hadt op het bezit der kroon!"
"Stil, ik bid u, stil!" suste de prins, en zich tot den dwerg
wendend, vroeg hij: "Welke boodschap brengt ge mij?"
"De boodschap zullen ze u zelf brengen. Zal ik ze roepen, vadertje!
maar laat eerst die beide perkoetoets [Javaansche duiven.] van u ophouden
met haar gekir! Ze mochten eens bang worden haar mee op te nemen in
de kooi."
"Ik wil ze ontvangen!"
[15:]
De dwerg liet een
scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk verschenen Soerapati en
Kiai Hemboong in de grot. Beiden bogen zich ter aarde om den prins hun
hormat (eerbied) te bewijzen.
"Ge zijt mij welkom," sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk,
"brengt ge mij de vergiffenis der Edele Compagnie, mijn vader heeft
ze ontvangen, evenals mijn geestelijke raadsman, de eerwaardige Sheikh.
Yoesoef, ik ook ben niet ongenegen ze te vragen!"
"Stel uw voorwaarden, edele Prins! De Compagnie zal zich genadig
en goed jegens u toonen als tegen al haar vijanden, die vol oprecht
berouw tot haar terugkeeren."
"Berouw kan er eerst zijn na schuld," mompelde Radhen Goesik
duidelijk hoorbaar.
"Het past den vrouwen te zwijgen in den raad der mannen,"
vermaande haar echtgenoot zacht, maar vastberaden, en ging voort tot
de afgezanten.
"Mijn voorwaarden zegt ge, maar toon mij eerst uw volmacht en zeg
mij wie gij zijt! Ik verheug mij, dat ik mijn wapenen zal mogen afgeven
aan een zoon van mijn volk, die een hoogen rang in het leger der Hollanders
bekleedt."
"Ik ben geboren in Bali en heb ook nog kort geleden de vergevingsgezindheid
der dappere Hollanders ondervonden. Mijn vader was bloedverwant van
een onafhankelijk vorst, maar reeds jong werd ik uit mijn land ontvoerd
en naar Batavia als slaaf geleid; een voornaam Hollander kocht mij daar
en ik had het goed bij de blanke mannen. Ik leerde ze liefhebben, mijn
meester had zijn vrouw sinds eenige jaren begraven; hij had slechts
één dochter met wie ik omging als ware zij mijn zuster.
Later veranderde onze genegenheid in liefde; we zwoeren elkander trouw,
hier deze grijsaard hoorde onzen eed. Helaas! toen onze verbintenis
ontdekt werd, begreep ik te laat dat het niet goed is voor den nacht
zich te paren aan den dag; de storm stak
[16:]
boven onze hoofden
op. Ik werd gevangen gezet, mijn arme vrouw naar een verwijderd landgoed
haars vaders op een eiland gezonden. Door kracht van wapens ben ik mijn
gevangenis ontkomen, ontvluchte slaven, vogelvrijen, zwervende krijgers
van den verslagen Sultan uw vader; aanhangers van Troeno-Djojo, den
dapperen Madurees, schaarden zich rondom mij. We zwierven rond in deze
ontoegankelijke wouden en verborgen ons in de holen, levend van den
schralen buit, die onze wapenen ons bezorgden, totdat een patrouille
Europeesche soldaten ons vervolgde. Kapitein Ruijs, hun hoofdman, bood
mij en de mijnen vergiffenis aan. Wij aarzelden, maar wij waren het
zwervende leven moede; mijn hart verlangde naar mijn vrouw terug en
dus gaf ik mij over aan den kapitein, dien ik van dat oogenblik trouw
diende en hoop te dienen tot mijn laatste ure! Soerapati is mijn naam
en hier hebt ge mijn volmacht."
De dwerg was achter de vrouwen geslopen en fluisterde Radhen Goesik
in:
"Onthoud dien naam, gij zult er meer van hooren."
Knielend bood hij het in zijden omslag gewikkelde stuk den prins aan,
die het tot teeken van eerbied aan zijn hoofd bracht, de zijde loswikkelde
en toen den brief inzag.
"De Edele Compagnie biedt mij bij monde van kapitein Ruijs en luitenant
Soerapati, vergiffenis aan voor mij en mijn getrouwe dienaren, mijn
vrouwen en kinderen, onder voorwaarde, dat ik mijn wapenen overgeef,
zweer ze nimmer tegen de Hollanders op te heffen en mij naar Batavia
begeef."
"Ik hoor, dat mijn geestelijke vader Sjeikh Yoesoef, niettegenstaande
de ernstige beloften der Compagnie, ingescheept werd om naar een verafgelegen
land vervoerd te worden. Is dat waar? Ik wil mijn geboortegrond niet
verlaten, liever sterf ik hier in de wildernis."
[17:]
"Dat lot behoeft
gij niet te vreezen, edele prins! Sjeikh Yoesoef was der Compagnie bekend
als een eerzuchtig, ontrouw man, die slechts door den nood gedreven,
zich onderwierp, maar zijn hart sprak een andere taal dan zijn lippen.
Hij droomde een tweede Kadjoran te worden, die het rijk van Mataram
in zijn grondvesten schokte en den dapperen vorst Troeno-Djojo, aanhitste
tot den opstand, die zoovelen het leven moest kosten. U echter, eerbiedwaardige
Vorst, wacht een paleis binnen de veste van Batavia, waar een stoet,
uw geboorte en staat waardig, u zal omgeven."
"De Compagnie belooft mij een jaargeld. Zij is edelmoedig, ge hebt
gelijk! Mijn broeder, de Sultan Hadji van Bantam, zou zich niet zoo
genadig jegens mij toonen als ik mij aan zijn voeten liwam werpen om
vergiffenis!"
"Gij neemt dus haar voorwaarden aan?"
"Uit geheel mijn ziel. Ik zal haar trouw zweren!"
"Welnu dan, Prins! Vergun uw dienaar weer te keeren naar zijn mannen,
zij zijn daarginds gelegerd in de vlakte, waar de Tji-Kendoel het steenen
graf van den Gedeh verlaat; ik verwacht u morgen in mijn legerkamp,
en dan zal ik met mijn manschappen u een vrijgeleide aanbieden naar
het naaste fort."
"Uw woorden zijn wijzer dan uw jaren beloven, mijn zoon! Het is
een goed teeken als men zich eerbiedig en barmhartig toont jegens den
overwonneling; dan zal men later ook verdienen hoog in aanzien te stijgen,
maar keer van nacht niet meer terug naar uw leger; hoor, de wind is
ruwen boos, de steile bergpaden zullen glad en gevaarlijk zijn. Uw fakkel
zal door den regen uitgedoofd worden, blijf ons den tijd verkorten door
uw verhalen, want de slaap zal dezen nacht wel onze oogleden vluchten.
Andere gastvrijheid, dan deze grot, kan ik u niet bieden."
"Sta mij toe, prins, dat ik terugkeere; de kudde
[18:]
verstrooit als
de herder ontbreekt, zoo durf ik ook niet langer mijn mannen alleen
laten in de wildernis. Ik ken alle paden van het woud; ik heb ze doorkruist
bij andere stormen; vervolgd en opgejaagd als de wilde ever door de
jagers, heb ik de rivieren doorwaad, de rotsblokken overgeklommen. Waarom
zou ik nu vreezen? Verwaardig u dan, edele prins, morgen tot mij te
komen. Ik zal mijn gevangene behandelen zoo als het den zoon en broeder
van vorsten toekomt."
En zich diep buigend voor den vorst en de prinsessen verliet Soerapati
de spelonk.
"Zijn woorden zijn als de honig, die den smaak verzoet na het gebruik
van den bitteren drank," sprak Radhen Goesik met een zweem van
opgeuimdheid in de stem.