IV.
VAANDRIG KUFFELER.
Pangeran Poerbaya,
met al zijn volgelingen had zijn tenten laten opslaan in de vlakte tegenover
Soerapati's kamp. Hij had den Balineeschen luitenant bij zich ontboden
en besprak met hem nogmaals breedvoerig en nauwkeurig de voorwaarden
zijner overgave.
"En neemt ge uw vrauwen en slavinnen mede
[30:]
naar Jakatra?"
vroeg. Soerapati om hem over zijn plannen ten opzichte van Radhen Goesik
te peilen. "Waarom zoude ik niet?" vroeg de prins met zijn
zwaarmoedigen glimlach. "Wat zou mijn ballingschap bitter en zwaar
zijn, als ik het gezelschap moest derven van haar, die mij ter zijde
stonden in voor- en tegenspoed? Met wie zou ik beter over mijn vroegere
dagen,van geluk kunnen spreken en over mijn bitteren rampspoed dan met
mijn trouwe gemalinnen?"
"En zijn ze ook bereid de ballingschap met u te deelen?"
"Moeten zij dat niet?" hernam hij volgens zijn gewoonte, een
vraag altijd met een vraag beantwoordend. "Is de wil van haar gemaal
en meester, dan niet haar hoogste wet?"
"Uw vrouwen zijn van hooge geboorte, naar ik verneem?"
"Is de mijne dan ook niet hoog? 't Is waar, mijn Radhen Ayoe is
de zuster van den Tjeribonschen Sultan, en mijn jonge vrouw is de dochter
van Mataram's rijksbestuurder maar al ben ik ook gevangen, ik blijf
toch de zoon en broeder der Bantamsche prinsen, en ik ben er van overtuigd,
dat de Edele Compagnie dien rang niet vergeten zal."
Blijkbaar lag de gedachte van zijn lievelingsvrouw te scheiden verre
van 's prinsen geest, en Soerapati wanhoopte er aan Radhen Goesik op
deze wijze behulpzaam te zijn; hij bracht het gesprek dus weer op gewichtiger
zaken en de prins wees hem op de wapenen van hem zelf en zijn volgelingen,
die samengebonden in een hoek der hut lagen.
"Zoodra ge mij den pardonbrief der Compagnie overhandigt, zal ik
u de wapens overgeven, dan zijn wj uw gevangenen, en hangen van uw edelmoedigeid
af."
"Waarop ge niet tevergeefs zult vertrouwen, edele
[31:]
prins! Ik heb naar
kapitein Ruijs in de vesting Tandjong Poera het bericht gezonden van
uw onderwerping en hoop dus weldra den brief te ontvangen."
Een der manschappen van Soerapati verscheen aan den ingang der tent
en wenkte zijn meester naderbij te komen. De luitenant stond op en vroeg
wat hij te zeggen had.
"Heer!" sprak de man half luid, "er is een troepje Hollandsche
soldaten in aantocht!"
"Dat kan het antwoord van kapitein Ruijs nog niet wezen!"
zeide Soerapati verbaasd. "Vergun mij, prins, dat ik ga zien wat
die mannen hier voert."
Inderdaad naderden een veertigtal Hollandsche soldaten en kleurlingen
onder bevel van een vaandrig het kamp. Kiai Hemboong stond naast Soerapati
en schudde het hoofd.
"Dat beduidt niets goeds," zeide hij. "Van morgen heb
ik driemaal het geroep van den uil gehoord; de zon is van morgen in
vollen glans opgegaan, en zie nu eens hoe duister de wolken zijn, die
haar bedekken."
De vaandrig kwam nader en zoodra hij de Balineezen zag, die hier en
daar in groepjes met de volgelingen van den prins zaten of stonden te
praten, vroeg hij op hoogen toon rondziende:
"Wie uwer is Sie Oentoeng, of anders gezegd, Soerapati!"
"Als gij den luitenant Soerapati zoekt, dan ben ik het, vaandrig!"
sprak de Balinees met van ingehouden toorn trillende stem; zijn oogen
fonkelden van verontwaardiging, en zijn handen sloten zich krampachtig
inéén, maar toch ging hij oogenschijnlijk kalm, zijn mindere
in rang te gemoet, die hem op zulk een minachtende wijze durfde behandelen.
"Ja, ik moest je spreken," sprak de vaandrig met een hinderlijke
zelfgenoegzaamheid, "waar kan dat onder vier oogen gebeuren?"
[32:]
"Hier is mijn
tennt, daar kan u te woord staan; indien gij eerst zeggen wilt wie ge
zijt, en uit wiens naam gij komt."
"Ik ben de vaandrig Kuffeler, en ik kom uit naam der Hooge Regeering
van Batavia den Pangeran Poerbaya zijn vergiffenisbrief brengen, en
tevens u gelasten, dat gij naar de hoofdstad terug keert om u te verantwoorden
over hetgeen men u daar ten laste heeft gelegd."
Naast den ouden Kiai Hemboong stond de dwerg, die hem met zijn leelijken
grijns veelbeteekenend aanstaarde.
Soerapati werd zoo bleek als zijn donkere huidskleur het toestond; hij
zag den vaandrig als van den donder getroffen aan; geen woorden kon
hij vinden om aan zijn verbazing lucht te geven.
"Ge vergist u," sprak hij eindelijk zoo kalm mogelijk, "dit
kan uw opdracht niet zijn; want de Heer Kapitein Ruijs heeft mij belast
den Pangeran tot onderwerping te brengen, en daarna een vrijgeleide
naar het fort Tandjong Poera te schenken. Hoe is het mogelijk, dat gij
dan met dezelfde boodschap hier verschijnt?"
"Zoo gij mijn woorden van onwaarheid verdenkt, zie dan de stukken
in, die ik bij mij draag; ge kunt u overtuigen met uw eigen oogen of
ik leugens zeg. Waarlijk die twijfel staat u fraai, man!"
"Hier is mijn tent,", zeide Soerapati, "de lucht wordt
donker, het zal boos weer worden, daar zijt ge tenminste veilig."
Zonder op de beleefdheid, waarmede Soerapati deze woorden uitsprak,
eenige acht te slaan, ging de vaandrig hem voor naar de tent en gaf
hem zijn instructie-brieven over.
Intusschen stonden Kiai Hemboong en de dwerg geheimzinnig met elkander
te fluisteren, zich onder de takken van een pisangboom zooveel mogelijk
tegen de druipende waterstralen beveiligend.
[33:]
"Hoort ge
vader!" sprak de dwerg, "hoe uw lievelingszoon behandeld wordt
door zijn vrienden de Hollanders? Zal nu eindelijk zijn hart wakker
worden, en hij hun zijde verlaten?"
Zuchtend haalde Kiai Hemboong de schouders op.
"Hij zal hen blijven dienen, zoolang de blanke vrouw daarginds
in Soenda-Kalappa zijn hart nog gevangen houdt. Alles zal hij verdragen,
liever dan de Hollanders te beleedigen, wanneer bij hem nog de hoop
leeft haar terug te krijgen."
"En heeft die hoop recht tot leven?"
Kiai Hemboong zag met zijn listige oogen den dwerg aan.
"De verliefde hoopt nog als alle hoop vervlogen is, maar hij, wiens
hart niet gewond is, ziet scherper. Wat baat het echter of een ander
ziet, waar hij zelf vrijwillig blind wil zijn?"
"Men kan hem de oogen openen. Ik ken een vrouw, die ziek van liefde
is om uw pleegzoon, een vrouw van ons volk, een hooge, aanzienlijke
vrouw. Als hij haar geleiden wil naar Karta-Soera, dan zal zij hem de
bescherming verkrijgen des keizers, zij zal zich gelukkig rekenen hem
haar hand te geven, dan zal hij de eerste stappen gedaan hebben op den
weg, die hem voeren moet naar de oppermacht, voor hem bestemd."
"Het zijn goede dingen, waarvan uw lippen spreken, dwerg, maar
hoe zullen wij ze doen indringen in de ooren van mijn pleegzoon? Wij
moeten de wond, die de Hollanders in zijn ziel slaan openhouden en vergrooten,
misschien zal dan eenmaal zijn liefde voor hen in haat veranderen."
"Maar de blanke vrouw?"
Kiai Hemboong dacht na; de regen werd hoe langer hoe heviger, de woudreuzen
bogen onder het geweld van den storm heen en weder als waren het dunne
rieten stammen, de grond was een borrelende massa water geworden door
de telkens heviger neer
[34:]
vallende reusachtig
groote droppels, die zich bij de anderen voegden; een sterke lucht steeg
uit de vochtige struiken en het natte gras van het woud op en de helderheid
van den dag had voor schemering plaats gemaakt. Alles zocht een goed
heenkomen, maar de grijsaard en de dwerg bekommerden zich niet om de
woede van het opgezweepte woud en van de dreigende wolken.
"Wij zullen haar macht breken," sprak de Kiai op beteekenisvollen
toon. "Soerapati heeft een zijner mannen naar Batavia gezonden
om haar mee te deelen, dat bij vrede gesloten heeft met de Compagnie
en weldra haar als zijn wettige vrouw hoopt te erkennen."
De dwerg knikte met zijn groot zwaar hoofd.
"Ge zijt listig Kiai; uw wijsheid heeft met uw jaren gelijken tred
gehouden; gij weet wat de beste wijze is om de herinnering aan het witte
meisje, die scherp is als een doorn, uit zijn geest te rukken, en heeft
hij haar vergeten, dan zal het mijn meesteres gemakkelijk vallen zijn
hart te winnen."
Langzamerhand werden de regendroppels schaarscher en minder hevig, het
bosch kwam tot kalmte, het zwaaide zijn natte takken als afgemat heen
en weer; in duizenden beekjes stroomde het water naar omlaag, de wolken
braken en een valschen glimlach gelijk zond de zon haar omfloerste stralen
over het nog dampende woud.
Soerapati en de vaandrig verschenen aan den ingang der tent.
"Ik kan u niets bepaalds antwoorden," sprak de eerste; "mijn
instructiën zijn even duidelijk als de uwe. Kapitein Ruijs, mijn
chef, gaf ze mij, ik ben verplicht ze te gehoorzamen, en nu er tweespalt
schijnt te wezen, kan ik niets beter doen, dan mij aan de mijne te houden.
Ik ben in elk geval uw meerdere!"
De vaandrig lachte hoonend.
[35:]
"Maar ik ben
een Hollander!" sprak hij vol aanmatiging.
"Ik geloof dat de kleur hier geen verschil uitmaakt," gaf
de Balinees altijd even hoffelijk ten antwoord, hoewel zijn bloed van
verontwaardiging kookte. "Alles berust op een misverstand. De Hooge
Regeering van Batavia heeft den pardonbrief rechtstreeks aan den Prins
willen doen zenden, terwijl ik meende dien door tusschenkomst van kapitein
Ruijs te moeten vragen; zoo de brief er is, zal ik hem gaarne den prins
overhandigen."
"Maar gij hebt niets te overhandigen, 't is aan mij dat de Prins
zich moet overgeven."
"In deze verwarring weet ik niets beters te doen dan mijn meester,
den heer Kapitein, te laten vragen, hoe ik handelen moet, gehoorzamen,
aan zijn mij reeds gegeven bevelen of naar u luisteren. Maar hoe kan
dit mogelijk zijn, het ware immers een groote onbillijkheid indien ik,
die de onderhandelingen tot een goede uitkomst bracht, nu aan een ander
de eer der overwinning moest afstaan?"
"Voor een weggeloopen slaaf is uw eerzucht nog al groot. Ge begrijpt
toch dat de Compagnie niet dulden zal dat zulk een belangrijke opdracht
vervuld wordt door een man, die nog steeds vogelvrij is."
"Dat ben ik niet meer," verklaarde Soerapati fier, "wat
er voorheen gebeurd is, dat is vergeven. Ik ben nu in dienst der Compagnie
zoo goed als gij."
"Wanneer dit zoo ware, waarom moet ik u dan oproepen naar Batavia
om u te verantwoorden?"
"Ik kan het niet gelooven, alles berust op misverstand en vergissingen;
wanneer kapitein Ruijs mijn boodschap ontvangt, zal alles zich ophelderen.
De Compagnie is rechtvaardig en eerlijk, waarom zoude zij mij wantrouwen;
waarlijk, ik gaf er haar geen reden toe!"
[36:]
"Spreek zoo
luid niet, vriend!" hernam de vaandrig schamper, "de Regeering
zal weten, wat haar te doen staat, en waarom zij het doet."
Soerapati antwoordde niet en vroeg bedaard of de vaandrig voor hem en
zijn soldaten tenten wilde opslaan; er was een open plaats daartoe geschikt
iets verder dan de vlakte, waarop de zijne en die van den Bantamschen
prins stonden.
"Ik zal mijn bevelen aan mijn mannen geven," zei de vaandrig
kortaf en verliet hem zonder groet.
Ter prooi aan een hevigen toorn keerde Soerapati in zijn tent terug
en begon zijn brief aan kapitein Ruijs te schrijven.
"Zou het waar zijn," vroeg hij zich telkens af, "wat
de Kiai mij zoo dikwijls herhaalt en wat mijn mannen mompelen? Zullen
de Hollanders ons nooit met zichzelf gelijkstellen; blijven ze ons altijd
met wantrouwen en geringschatting aanzien, omdat wij tot een minder
menschenras behooren? Dan had Suzanna zich niet aan mij vertrouwd, dan
had zij mij geen trouw gezworen."